+ Meer informatie

De Liturgie vraagt de aandacht III

11 minuten leestijd

Haar rijke zin.

Het behoeft niet nadrukkelijk, met veel woorden gezegd te worden, dat wij nu, onder de bedeling van het N. Testament, een andere orde van dienen van God kennen, dan zij die leefden in Israël.

Daar viel allereerst op dat alles nadrukkelijk en minutieus voorgeschreven was. En er mocht in geen enkel opzicht, noch in de bouw van de tabernakel b.v. noch in de manier van handeling door de priester, van de gegeven orde afgeweken worden. Dan vielen er harde straffen.

Daarbij was de dienst van God zeer gebonden aan bepaalde plaatsen als tabernakel en tempel. Het vroeg veel tijd en opoffering.

En, om daar mee te besluiten, er viel sterke nadruk op de uiterlijke handelingen. Het kan zelfs dat wij de indruk krijgen, dat wanneer de bepaalde handeling maar verricht was, daarmede dan voldaan was aan de eisen Gods voor de heilige dienst.

Bij nadere beschouwing blijkt echter wel dat dit in geen enkel opzicht het geval is. De Heere ziet het hart aan. Hij zoekt waarheid in het binnenste.

Wanneer dan ook het volk van Israël opgaat in de waarneming van de vormen en daaraan meent roem te mogen ontlenen, zendt de Heere de profeten om het hen wel anders te zeggen. Deze berispen het volk over zijn vorrrelijkheid. (Zie b.v. Arnos 4,5; Hosea 8,10; Jes 1; Jerem 7; Micha 6 e.a.) Dat wil niet zeggen zoals men wel eens gemeend heeft, dat de Heere de vormen in de dienst haat en deze dus wel nagelaten kunnen worden, maar Hij zoekt gehalte in de gestalten, waarin het volk Hem dient. Anders is het waardeloos en feitelijk een vorm van zonde, waarvan de Heere afkerig is. En daarom klinkt het: gehoorzaamheid is beter dan offer en opmerken dan het vette der rammen. Men zie ook de positieve aanwijzingen in Ps. 40 : 7–9; Ps. 50; Ps. 51 : 18, 19 e.a. pl.)

Al de bijzondere vormen van de dienst, zoals het O.T. die kent hebben hun betekenis verloren bij de komst van Christus en de voleindiging van Zijn werk in het offer aan het kruis. Van daar dat het scheuren van het voorhangsel een openbaringsdaad was, die vooral ook voor de liturgie bijzondere en blijvende betekenis had. De weg van het heiligdom was nu open komen te liggen.

Opmerkelijk is dat ook zelfs het Joodse volk sinds dien een veel minder handelingen-rijke dienst gekregen heeft. De Joden brengen geen offers meer enz. De kerk van het N.T. heeft verstaan dat God nu anders gediend moet worden dan in de schaduwentijd. Niet anders in het wezenlijke maar in de vormen.

Wat in heel het N.T. op te merken is, in verhouding tot het O.T., is een verinnerlijking, was het woord niet ietwat gevaarlijk, men zou van een vergeestelijking kunnen spreken. Het heeft alles een vereenvoudiging en daarin tegelijk een verdieping ondergaan. Daarbij zijn veel woorden en gedachten uit het O.T. blijven bestaan, maar zij worden in andere zin gebruikt en verstaan. De tempel is nu de gemeente of de enkele gelovige; priesters zijn allen die kinderen Gods zijn, offers zijn er zeer zeker, maar zij zijn de belijdenis, het zichzelf offeren en zijn leven stellen tot een levende offerrande. Zie b.v. 1 Petr. 2. Nu heeft Christus zelf dit al aangewezen in het bijzondere gesprek met de vrouw uit Samaria. Deze typische vrouw met haar duistere leven was terdege op de hoogte met de religieuse en dus ook liturgische vragen van haar tijd. Waar moeten wij aanbidden vraagt ze aan Jezus, als ze in Hem een profeet heeft ontdekt. In Jeruzalem of hier d.i. op de Gerizim. waar ook een tempel stond. Duidelijk is dan het onderwijs. De tijd is er, dat de plaats niet meer beslissend is, want het gaat om geest en waarheid. Joh. 4 : 24.

Geest en waarheid wijzen op niet-formeel en niet-symbolisch. Hiermede is niet een afwijzen van elke vorm gesteld maar dat het, in welke vorm ook, altijd om het wezenlijke gaat. En de N.T. tijd is de periode, waarin dit wezenlijke veel sterker naar voren treedt omdat er veel uiterlijkheden wegvallen.

Ook Paulus wijst er op in Rom. 12:1, 2. Daar is sprake van de redelijke godsdienst. Het woord wil zeggen dat het gaat om de wezenlijke zin van de dienst van God, die er nu in bestaat dat de gelovigen zichzelf dagelijks hebben te stellen in de dienst van God. Dat was ook de bedoeling van het O.T., hoeveel te meer dan nu onder de nieuwe heilsbedeling.

Wie voor veel liturgische handelingen in de kerk ijvert zal er altijd goed aan doen deze principiële omkeer in het oog te houden. De dienst der schaduwen en symbolen mag niet terugkeren en het nu volle evangelie niet weer in windselen gelegd. Het is hiertegen juist dat de kerk, bij voortgaande ontwikkeling, gezondigd heeft. Dit geldt én van de Grieks-orthodoxe èn van de Roomse kerk. Het licht kwam onder de kandelaar.

Tastend gezocht

Het is juist de Reformatie geweest die tastend gezocht heeft de door Christus en Zijn apostelen gewezen weg weer te mogen gaan.

Het is volkomen begrijpelijk dat deze periode van tastend zoeken nogal geruime tijd geduurd heeft. Zeker er waren in de late Middeleeuwen ook reeds verschijnselen, waaruit bleek dat er een zoeken was naar vereenvoudiging van de Roomse ritus. Maar dit brak niet door, omdat het niet gepaard ging met een dieper verstaan van de centrale heilswaarheden. God gaf echter aan de reformatoren een rijk inzicht in Zijn heilswerk. En dat was de stuwkracht tot de reformatie een verandering, die zich ook in de liturgie voltrok, waarop ik in het vorige art. al wees toen ik het verband liet zien tussen theologie en liturgie. Het verstaan van heilswoord en daardoor van heilswaarheid was het eerste en het hoogste. De liturgische vragen kwam op de tweede plaats.

Er is dan ook geleidelijk eigenlijk pas klaarheid gekomen omtrent plaats en taak en zin van de liturgie.

Vooral twee figuren hierbij betekenis. Luther en Calvijn. Niet dat zij de eersten waren. Met Calvijn kon dit trouwens niet omdat hij in een latere periode werkte. Luther wilde eerst niet veel aandacht aan liturgische vragen schenken. Hij was van opvatting dat het niet veel uitmaakte welke vormen men koos als er maar ruimte was voor het Woord Gods; als men de Roomse transsubstantiatie maar volkomen losliet, maar geen heiligen vereerde en vooral de liturgie niet zag als een op zichzelf heilbrengende zaak.

Aanvankelijk meende Luther dat de innerlijke mens geen liturgische vormen nodig had; hij had aan het evangelie en zijn geloof genoeg. Ze zijn wel goed voor hen, die nog niet tot deze geestelijke rijpheid gekomen zijn. Toen Luther de uitspattingen van de Dopersen zag, die zich zulke geestelijke mensen waanden. begon hij er wel wat anders over te denken. Vormen zijn onontbeerlijk, zei hij toen, maar hij hield vol: zij behoren niet tot het rijk Gods. En dan zeker geen vaststaande vormen, die voor elk en een ieder gelden. Christenen zijn levende bomen, er komen telkens nieuwe vruchten aan.

Het zal ons bij deze opvattingen niet verbazen dat Luther niet zo direct uit zichzelf maar eerst op aandrang van anderen leiding gaf in liturgisch opzicht; tot een geheel eigen opbouw kwam hij niet tegenover Rome.

Dit was anders bij Calvijn. Hij zag van meetaan dat de kerk niet zonder vormen kon. Maar even sterk zag hij dat de zaken nu anders stonden dan onder het O. Testament. En vooral verzette hij zich ook hierbij, op grond van deze schriftuurlijke overtuiging, tegen de Roomse opvattingen. Veel van Calvijns gedachten zijn te vinden in de Institutie boek 4, hfdst 10, waar hij zich verzet tegen de Roomse opvattingen in dezen.

Waar Calvijn voor pleit is allereerst voor vrijheid. Er moet wel orde zijn, maar men moet elkaar niet binden en dwingen. Er is verscheidenheid voor een land, een volk en in een bepaalde tijd. Men vernielt de vrijheid als men toch dwingt. Vooral moeten de vormen eenvoudig zijn. De dienst is geen bedrijf voor ingewijden. Ze moet doorzichtig zijn. Men mag de gemeente niet in de waan brengen dat zij door de vormen waar te nemen een goed werk doet. Dat kan haar de hoofdzaak doen vergeten. En de kerkdienst is geen jacht op schoonheid, dit kan gevaarlijk zijn.

Uit deze opmerkingen uit de gedachten van Calvijn blijkt dat hij het onderwijs van Christus uit Joh. 4 : 24 omtrent geest en waarheid in de dienst Gods recht verstaan heeft en in praktijk zocht te brengen. Daarom kon hij pleiten voor vrijheid niet van maar wel in vormen.

Bij onze bezinning op liturgie zullen we er goed aan doen ook deze gedachten van Calvijn in het oog te houden.

De veilige weg

Wie gereformeerd wil zijn, ook in liturgisch opzicht, dient hier de veilige weg te zien. Dit zal altijd min of meer een middenweg zijn, die daardoor gevaar van afdwalen meebrengt. Temeer omdat het wel een smalle middenweg mag heten. Wij zagen reeds dat wij niet zonder vormen kunnen in het gemeenschappelijk dienen van God. Deze vormen mogen echter niet een soort eigen wereld vormen. waarin wij vluchten en waarvan wij heil verwachten. Deze vormen zelf geven de ontmoeting en gemeenschapsoefening met de Heere niet. Wij moeten ze immer zien als open vormen, waarin wij de Geest Gods niet vastleggen. Zij kunnen wel de ontmoeting dienen met God de Heere, maar bewerken deze zonder meer niet.

Verstaan wij dit, dan zullen we ons naar twee kanten hebben te hoeden. Enerzijds naar een hoogkerkelijk formalisme dat in tal van sacrale vormen zijn kracht zoekt en zo de vorm verheerlijkt.

Anderzijds hebben we ons evenzeer te wachten voor een dweperig spiritualisme dat van geen vorm wil weten, omdat ze toch niets betekenen en geven kunnen. Daarbij moeten we in het oog houden dat het dienen van God, in de daarvoor gekozen vormen, behoort tot de middelen, waardoor hij ons oefent in al datgene wat wij, als gemeente op aarde hebben te verstaan en beseffen.

Daarbij valt op de volgende accenten, die hier mogelijk zijn, te letten.

Het dienen Gods in de samenkomst der gemeente is een voorspel. Wie de Openbaring aan Johannes leest weet, dat er nog een andere dienst wacht. De volmaakte en ononderbroken dienst. Maar toch klinkt van die melodie hier iets door. Zoals het voorspel op de melodie afgestemd is zo de aarde dienst op die van de toekomst. De catechismus heeft het over de eeuwige sabbath in dit leven aanvangen. Het element van het nog niet moet dan ook bewust in ons dienen hier leven. Datgene waaruit het geloof leeft is nog niet ten volle grijpbaar hier. We leven bij een licht schijnende in een duistere plaats totdat … De traan zal dan ook in de liturgie niet ontbreken. Een liturgie van enkel jubel is onwezenlijk en onwerkelijk. De klacht, de smart over de zonde hoort er ook in. Daarnaast ook de begeerte en de verwachting. Dit weten zal ons de liturgie niet doen overdrijven noch overschatten. En dit zal tegelijk het sober karakter moeten bepalen. In de liturgie vieren we geen overwinningsroes — elke roes is gevaarlijk zie Efeze 5:18 — de werkelijkheid valt ons buiten de kerk dan te rauw op het dak. Wij staan immers midden in de strijd onder het „doet dit totdat Hij komt.” En in deze strijd mag de liturgie, het gezamenlijk dienen van God, ons wel sterken maar zij verlost er ons niet van. Zij geeft wel een „blik in de hemel” maar zet ons daar niet in. Een ander accent is dat van de gemeenschap. Wie God met een levendig hart in zijn gemeente dient, weet zich verbonden, met allen die eenzelfde dierbaar geloof deelachtig werden en beleden. Hij weet zich verbonden met Abraham en Paulus, met Toradja’s, Eskimo’s en Brazillianen, die God vrezen. Dit is de ware oecumene, waarin ook opgenomen is de kerk in den hemel. Hier is de gemeenschap der heiligen en gaat er iets leven van het: Door heel uw kerk wordt steeds, daar boven, hier beneden, in strijd en zegepraal, Uw groten Naam beleden.

Een accent dat ook nimmer vergeten mag worden in de liturgie is dat van de herinnering. Woord en sacrament brengen immer in gedachten dat er slechts één grond is, waarop de kerk kan staan en leven, het is die van het wonder der genade. Gods grote daden zijn haar levensgeheim in heilsverwerving en heilsbediening. En het is de rijkdom der gemeente wanneer ze al dieper verstaat wat ze heeft in de Drieenige God, Vader, Zoon en Heilige Geest en al wat Hij aan haar in haar armoede en verlorenheid wil schenken en doen.

Zo klinkt in de liturgie dóór het antwoord van de gemeente op Gods openbaring aan haar, in al de veelzijdigheid, waarin dit uit haar opkomt.

Verstaat zij dit dan zal zij met vreugd’ in ’t huis des HEEREN gaan.

Wat zij daar dan doet? Daarover verder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.