+ Meer informatie

DE BLIJVENDE ACTUALITEIT VAN EEN BELANGRIJKE OPDRACHT

13 minuten leestijd

In verschillende tijden is het gebeurd dat bij diverse bijbelwoorden vraagtekens werden gezet. Van onze tijd kunnen wij zeggen dat één van de Schriftwoorden waar soms een vraagteken achter wordt gezet het zendingsbevel is, d.w.z. de opdracht van de Here Jezus Christus om het evangelie in de wereld uit te dragen. In dit artikel is het de bedoeling om in te gaan op gedachten die in onze tijd juist op dit punt te vernemen zijn. Daarmee zijn ook bedoeld de gedachten van hen die het bijbelwoord misschien niet willen bestrijden, maar op de betekenis ervan voor onze tijd toch willen afdingen.

Allerlei aarzelingen

Jezus Christus gaf aan Zijn kerk de opdracht mee om op aarde het evangelie wereldwijd aan anderen door te geven. In Matth. 28 lezen wij deze opdracht die meestal door ons wordt aangeduid als ‘het zendingsbevel’. Dat deze opdracht zowel de onmiddellijke omgeving als de hele wereld omvat mag blijken uit de wijze waarop de opdracht klinkt in Hand. 1: ‘gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem… en tot het uiterste der aarde’. De strekking van deze woorden laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Toch zijn er in onze tijd allerlei aarzelingen te vernemen op dit punt. Soms worden ze uitgesproken, soms zijn ze meer onderhuids, maar toch wel merkbaar, aanwezig.

Door de indringende confrontatie met aanhangers van allerlei godsdiensten komt meer en meer de vraag op de mensen af: hoe weet je dat één bepaalde godsdienst het bij het ware eind heeft? Hand in hand daarmee gaat de vraag: gaat het niet in alle godsdiensten uiteindelijk om dezelfde God? Er zijn vandaag theologen die op de laatste vraag uitdrukkelijk ‘ja’ zeggen. Anderen zijn minder uitgesproken in hun mening, maar ook bij hen proef je een gedachte dat elke godsdienst toch betrekkelijk moet worden geacht en uiteindelijk niet verder komt dan een zoektocht naar God.

In zo’n klimaat is er niet veel ruimte voor uitdrukkelijke, wervende en winnende uitspraken om anderen tot het christelijk geloof te brengen. Eerder is er een gedachte waarneembaar dat iedereen maar voor zichzelf moet kiezen op welke wijze hij religieus wil zijn.

Wij leven in een tijd waarin grote godsdiensten en wereldbeschouwingen steeds meer uiteen lijken te vallen. Vele mensen willen individueel bij stukken en brokken dan best wel iets eruit oppikken, maar het moet wel datgene zijn dat bij de eigen individuele behoefte aansluit. Zo zie je enerzijds een soort opleving van religieusiteit ontstaan. Die is zodanig dat men soms zelfs een vergelijking trekt met de uiterst veelvormige religieuze cultuur van de Grieks-Romeinse wereld waarin het Nieuwe Testament ontstond. Anderzijds blijkt dit verschijnsel van godsdienstige veelvormigheid ook zo volstrekt op ieders persoonlijke behoefte te zijn gericht, dat als hoogste wijsheid wordt verkondigd, dat ieder het maar voor zichzelf moet uitzoeken. En daarbij komt dan ook de gedachte dat men vooral niets aan een ander mag opleggen. Wervende en winnende uitspraken om anderen tot het christelijk geloof te bewegen, worden in dit klimaat snel als arrogant en soms zelfs als intolerant terzijde geschoven.

Het zal iedere lezer duidelijk zijn dat een belangrijke rol hierbij speelt het feit dat in onze samenleving steeds meer vertegenwoordigers van diverse culturen te vinden zijn. Ook moet niet onderschat worden dat na het einde van het koloniale tijdperk onze samenleving veel kritischer is geworden ten aanzien van datgene dat in de West-Europese cultuur door de eeuwen heen heeft geleefd (en daar zit ook een behoorlijk stuk christendom bij). In samenhang hiermee kan ook nog een soort gevoel van schaamte genoemd worden, dat bij veel vertegenwoordigers van het christendom een rol speelt. Soms krijgt die schaamte zulk een vorm dat men doet alsof wij als kerk voorlopig alleen nog maar zwijgen moeten vanwege het verleden. Zij die dit zeggen, spreken in feite uit dat Jezus’ opdracht tot getuigen voorlopig maar aan de kant moet worden gezet.

De bewuste of onbewuste doorwerking van het bovenstaande moet niet worden onderschat. Het levensgevoel van onze tijd legt een zware druk op de gemeente van Christus. Het valt mij op dat redelijk goed geïnteresseerde catechisanten toch vrij snel de gedachte verkondigen dat iedereen het toch voor zichzelf moet uitmaken hoe hij zijn godsdienst beleeft. En (in samenhang daarmee) dat uiteindelijk niemand kan uitmaken wat nu precies waar is. En dankzij mijn catechisanten word ik steeds eraan herinnerd dat de kans groot zou zijn, wanneer ik in Arabië geboren was, dat ik een moslim zou zijn geweest. Dit laatste is een uitspraak die ik wel begrijp, maar die tegelijk een bepaalde geest verraadt, vooral wanneer het steeds nadrukkelijk herhaald wordt.

Blijvende opdracht

Is er in onze tijd, zoals ik die hierboven heb geschetst, ruimte voor een zo duidelijke en absolute opdracht als die welke de Here Jezus Christus ons voor zijn heengaan heeft meegegeven? Wie toegeeft aan het denken van vandaag zal met Zijn laatste opdracht moeilijk uit de voeten kunnen. Wie afstemt op het hedendaags levensgevoel komt niet verder dan de gedachte ieder binnen zijn eigen kring zijn eigen religieusiteit te gunnen. Zelfs christenen die beter kunnen weten lijken soms aan deze gedachte niet te ontkomen.

Wanneer men op dit punt meegaat met het hedendaags levensgevoel moet echter in alle duidelijkheid worden gezegd dat aan het wezen van het christen-zijn tekort wordt gedaan. De opdracht tot evangelieverkondiging (zowel dichtbij als ver weg) is niet een bijkomstig element dat min of meer losjes met het christelijk geloof is verbonden. Het moet zelfs tot de wezenskenmerken van het christelijk geloof worden gerekend dat de boodschap wordt uitgedragen en doorgegeven. In een interessante dissertatie heeft D. van Swigchem in 1955 onder meer naar voren gebracht dat het evangeliserend getuigenis niet als een bijkomstigheid, maar heel diep met het wezen van de gemeente is verbonden 1). In zijn boek maakt Van Swigchem met allerlei gegevens uit de bijbel duidelijk dat dit getuigenis bij de eerste christenen heel diep was geworteld. Opvallend is daarbij dat ondanks de vele zinspelingen op het bestaande getuigenis en missionaire werk een uitdrukkelijk gebod tot evangelisatie in de apostolische brieven verhoudingsgewijs niet eens zo erg vaak voorkomt. De conclusie van Van Swigchem is dat dit kennelijk niet nodig was, omdat het besef van de noodzaak tot evangeliseren bij de eerste gemeente heel diep leefde en haar op het hart gebonden was. Wie deze missionaire taak loslaat, geeft niet een bijkomstigheid, maar een wezenskenmerk van het christendom op.

De woorden van de opdracht van Jezus laten ook beslist niet toe dat wij de reikwijdte ervan inperken. Het gaat in het slot van Matth. 28 over ‘alle macht’, ‘alle volken’ en ‘alle dagen’. Deze woorden omspannen alle tijden en alle volkeren, ook de samenleving van onze tijd met haar vele vormen van religie.

Iemand die zelf geen christen is zei eens tegen mij dat hij een christen zonder Matth. 28 geen echte christen vindt. Met ‘Matth. 28’ bedoelde hij de zendingsopdracht; het was voor hem karakteristiek voor het christendom dat dit tracht een boodschap op anderen over te dragen. Hij zag kennelijk als buitenstaander heel scherp iets dat vele christenen lang niet altijd scherp zien.

Het unieke van het christelijk geloof

Het is goed om op dit punt nog iets concreter te worden. Het kan zijn dat gesprekken over de noodzaak van het evangeliseren in onze tijd nogal eens cirkelen rond de vraag van het bijzondere van het christelijke geloof. Is het echt anders? Wat is dan het andere? Waarom zou het nu juist de boodschap van het christendom zijn die anderen moeten weten? Die anderen denken toch ook een goed geloof te hebben?

Op de achtergrond speelt dan de vraag naar het unieke van het christelijk geloof. Het is goed om daarbij voor ogen te hebben dat dit unieke niet zozeer bestaat uit enkele unieke ideeën die bij òns te vinden zouden zijn, maar dat het unieke er allereerst is vanwege de unieke God, de unieke Verlosser, de ene Here en Meester die aanspraak maakt op ons leven en op de hele wereld. Er zijn vele personen en machten die claimen om Heer te zijn en verlossing beloven, maar deze pretentie niet waar kunnen maken. In de confrontatie met Jezus Christus blijken ze ondergeschikt te zijn aan Hem en bovendien geen vrijheid, maar vaak nieuwe slavernij te brengen. Dat er maar één verlosser en Koning is, dàt is het unieke van het christelijke geloof.

Het christelijk geloof wordt tot in zijn kern bepaald door de gedachte dat er maar één God, één Heer en één Verlosser voor de mensen is. Daarin ligt juist de bevrijdende kracht van dat geloof. Denk aan de zendingsterreinen waar juist de boodschap van deze ene Koning bevrijdend werkte voor hen die leefden in de benauwende angst voor zoveel geesten van voorouders. Ook van onze samenleving geldt dat het Woord van deze ene Heer de enige bevrijding voor mensen betekent.

Het is vanuit deze overtuiging dat wij vasthouden aan de noodzaak om Zijn opdracht tot verbreiding van het evangelie te blijven volbrengen. Er is voor de wereld geen andere Verlosser, geen andere Meester en ook geen betere Meester dan de gekruisigde en opgestane Christus. Er is onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden (Hand. 4:12).

Wie deze overtuiging kent zal niet anders kunnen dan met Zijn Woord in de samenleving staan om anderen voor Hem te winnen. Het was voor de eerste christenen zeer kenmerkend dat ze niet anders konden en wilden. De overtuiging aangaande de ene Here en Verlosser dreef hen met een diepe innerlijke motivatie er toe om van Hem te getuigen.

Juist deze eerste christenen stonden daarbij in een samenleving die gekenmerkt werd door een veelvoud van religies en religieuze stromingen. Indien er ooit een tijd was die aanleiding kon geven om te denken: ‘laat ieder maar op zijn eigen wijze een geloof hebben’, dan zou het wel die tijd kunnen zijn. Maar juist midden in die tijd met vele goden en heren wisten de christenen zich gegrepen door die Ene, die werkelijk alle macht heeft en wiens heerlijke, reddende heerschappij zij wilden uitdragen. De beslissende vraag, waar het ook vandaag op aan komt, is of Zijn kerk nog net zo sterk als toen zich verlost en geregeerd weet door deze Ene aan Wie alle macht is. Wanneer dit meer zou leven, zou de blijvende actualiteit van Jezus’ opdracht geen vraag zijn.

Een opdracht ook voor deze tijd

Het zal duidelijk zijn dat ik de vraag of Jezus’ laatste opdracht een blijvende opdracht voor vandaag is, zonder meer positief beantwoord. Ook vandaag worden wij geroepen om Zijn getuigen te zijn. Dat gaat duidelijk in tegen het voortschrijdend godsdienstig relativisme van onze tijd. Voor de waarheidspretentie zoals het christelijk geloof die kent zullen wij ons niet mogen schamen.

Wij weten dat zo’n waarheidsclaim niet erg populair is in deze tijd, maar we moeten ons daardoor niet laten afschrikken. Zeer terecht wijst de theoloog Benno van den Toren in de bundel ‘Over de brug komen’ erop dat onze cultuur in het afwijzen van waarheidsclaims heel selectief te werk gaat2). Wanneer een mens zijn christelijke overtuiging uitdraagt, wordt hij al snel beschuldigd van arrogantie en intolerantie. Tegelijk wordt het diezelfde mens niet kwalijk genomen wanneer hij uitgesproken meningen heeft over werkloosheid en andere sociale problemen. Sterker nog: éénmaal per vier jaar word ik geacht een hokje rood te kleuren, waarmee ik een uitgesproken visie moet weergeven ten aanzien van datgene dat goed is voor heel de samenleving en ook voor mijzelf. Niemand beschuldigt mij daarbij van hoogmoedige verwatenheid of iets dergelijks. Waarom zou een waarheidsclaim met betrekking tot het geloof dat ik belijd dan wel als zodanig mogen worden getypeerd? Met dit geloof meen ik immers ook het beste voor mijn medemens te bedoelen? En dit beste is oneindig veel meer dan de oplossing van andere problemen.

Het zou bij dieper doorvragen trouwens nog wel eens kunnen blijken dat bij vele mensen ergens toch heel diep het besef zit dat het eindeloze relativisme (de gedachte dat ieder ergens wel een beetje gelijk heeft) toch geen begaanbare weg is. Er leeft toch een diepe hunkering naar dat wat echte waarheid is.

Moet je daarbij niet zeggen dat het juist verwaten en arrogant is om als mens te menen dat deze waarheid van ons zelf uit op te sporen is, zodat iedereen op eigen wijze godsdienstig kan proberen te zijn? De echte nederigheid zit daar waar mensen buigen voor de waarheidsaanspraak van een God die, onafhankelijk van al onze religieuze overwegingen, zich in genade tot ons wendt en zo Zijn claim op ons leven laat gelden.

Blijvende opdracht; maar ook consequenties voor onszelf

Het is wel zaak dat wij in dit verband duidelijk maken dat de waarheidsaanspraken die wij als christenen aan anderen doorgeven ook aanspraken zijn die onszelf evengoed raken en waar wij zelf ook onder moeten buigen. Waar kerk of christenen dat niet hebben gedaan of daar niet naar hebben geleefd, zal ootmoedig schuld moeten worden beleden. Dat moet ook gebeuren in het getuigend gesprek met een medemens die het falen van kerk of christenen terecht bekritiseert.

Wij weten dat de kritiek van buitenstaanders soms terecht en soms ten onrechte wordt geleverd. Maar waar deze kritiek soms terecht is, wordt dat nooit een reden om het getuigenis achterwege te laten. Onze opdracht is een getuigenis dat altijd door moet gaan. Wel zal het een getuigenis moeten zijn waarbij wij ook onszelf onder kritiek stellen en proberen aan te geven dat ook christenen zondaren zijn en voordurend tot bekering worden geroepen.

Uit de brieven van de apostelen krijgen wij de indruk dat wij daar te maken hebben met een kerk die veel lek en gebrek kende, maar ondanks dat alles leefde met een diepe gedrevenheid om van haar Here te getuigen.

De gebrekkigheid van het praktisch christen-zijn is nooit een excuus om het evangeliseren achterwege te laten. Wel ligt hier een reden om elkaar en onszelf steeds opnieuw tot bekering op te roepen en ons te buigen voor Hem die wij verkondigen.

‘Met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering’

De woorden boven dit laatste stukje zijn de slotwoorden van het boek Handelingen. Ze geven aan hoe Paulus werkte in Rome, een stad die vol was van vele vormen van godsdienstigheid. Daar predikte hij toch zeer vrijmoedig, dat wil zeggen met grote openheid, gedragen door de overtuiging dat een Ander hem de autoriteit tot het spreken verleende. Ondanks zijn positie als gevangene bleek dat het evangelie daarbij toch doorwerkte. In deze doorwerking, die Gods Geest ons geven wil, geloven wij ook voor onze tijd.

Drs. W.P. de Groot is predikant van de gemeente ’s-Gravenhage-Centrum. Hij is verbonden aan onze Theologische Universiteit als docent apologetiek en evangelistiek.

1) D. van Swigchem, Het missionair karakter van de christelijke gemeente volgens de brieven van Paulus en Petrus, Kampen 1955.

2) Zie de bijdrage van Benno van den Toren in de bundel ‘Over de brug komen’, Zoetermeer 1996, p. 78. Van hetgeen hij in deze publicatie schreef, nam ik meerdere gedachten voor dit artikel over.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.