+ Meer informatie

Het getuigenis van 1953 niet verouderd

7 minuten leestijd

Na de beëindiging van de laatste wereldoorlog klonk overal de roep om vernieuwing. De politiek moest vernieuwd worden. Het economisch leven moest vernieuwd. Het onderwijs moest veranderd worden. Alles was verouderd. Ook op het terrein van het kerkelijk leven werd deze roep gehoord. En er is sinds 1945 reeds veel veranderd. Een vloedgolf van veranderingen, van vernieuwingen is er gekomen over ons volk. Ook wat de prediking betreft zijn er verschillende veranderingen gekomen. De preek werd korter. Een kerkdienst van anderhalf uur is veel te lang. Een uurdienst is lang genoeg. De kerkgangers kunnen een dienst van anderhalf uur niet meer verwerken. Aan de liturgie werd ook aandacht besteed. Verschillende vernieuwingen werden aangebracht. De vorm van de prediking werd ook danig veranderd. Want de oude vorm spreekt de mens van heden niet meer aan. Ook de prediking zelf werd danig veranderd. Het bevindelijke element in de prediking is een overbodige zaak. In het verleden werd daar veel te veel de nadruk op gelegd. Er werd gesproken over zielsonderzoek. Over twijfel. Over zelfbedrog. Over kenmerken van het geestelijke leven. Over schenking en deelachtig making. Over roeping, wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardigmaking, heiligmaking. Over het plaatsmakende werk des Heiligen Geestes voor Christus in het hart. Over het komen tot Christus. Over een toevluchtnemend geloof. Over het wezen en het welwezen des geloofs. Over verbondsinwilliging en verbondsbeleving. Alles was gericht op de mens en ging over de mens en zijn beleving. Voor andere zaken had men geen oog. De mens in ziin wereld. De mens tegenover zijn medemens. Het ging uitsluitend over het vertikale. Over het horizontale werd schier niet gesproken. Voor dat horizontale zijn onze ogen nu open gegaan. Het christen-zijn in de samenleving mocht heden onze volle aandacht hebben. We moeten het niet meer hebben over onze nood, maar over de nood van onze naaste. De nood van de wereld van vandaag. De prediking moet daarom afgestemd zijn op de moderne mens. We moeten ons niet bekommeren over de vele zaken, die de kerkmensen in het verleden bezig hielden. Men verheerlijkte de dogmatiek en verwaarloosde de ethiek. Men had een geloofssysteem. Men sprak veel over de ellende van de mens. Men zei wel iets van de verlossing, maar praktisch niets van de dankbaarheid. Nu is het gelukkig op vele plaatsen anders. In vele kerken wordt een ander geluid gehoord. Nu wordt gelukkig gehoord, dat we allen onder weg zijn. Dat we allen op weg zijn. Nu is er een prediking, waar tenminste blijdschap van uit straalt. Nu komt de dankbaarheid tot haar recht. Nu gaat het niet meer over de toeëigening des heils, maar over het bezit van het heil. Nu wordt niet meer gesteld, wat er gebeuren moet, maar wordt verklaard en benadrukt, dat alles gebeurd is. Nu wordt gezegd dat we moeten geloven, dat we ons moeten toeeigenen, alles wat er in het Woord staat. Jezus Christus is voor ons allen gestorven en wanneer we dit maar geloven, dan is het in orde met ons en onze kinderen. Er behoeft niets meer in ons leven te gebeuren. We gaan nu als dankbare mensen door de wereld. Voor al deze gedachten, voor een prediking, waarin deze gedachten naar voren komen, geeft het getuigenis van 1953 geen grond. In het getuigenis wordt een kernzaak gesteld. Een kernzaak, die niet ontleend is aan menselijke theorieën, maar aan Schrift en Belijdenis. In het getuigenis werd vastgelegd, wat Gods Woord aangeeft en onze vaderen als waarheid naar Gods Woord beleden hebben. Verschillende prediking vandaag wijkt daarvan af. En die afwijking houdt in een breuk met het verleden. In het gedenkboek, „’k Zal gedenken” lezen we terecht: „Het behoeft geen betoog, dat in onze Afgescheiden Kerken een bevindelijke, geestelijke prediking eis is. Niet omdat wij daarin iets aparts nastreven of omdat „onze mensen” dat willen, maar omdat wij van overtuiging zijn, dat dit volle eis van Schrift en Belijdenis is. Het Woord dient vertolkt en daarin dient ten volle uit te komen de heilsbediening van de Drieënige God in Zijn Kerk en in de enkele gelovige”. Er mag niet anders gepreekt worden dan in het verleden. De zakelijke inhoud moet gelijk zijn als in het verleden. Terecht wordt in het getuigenis van de kerkeraad van Alphen aan den Rijn gezegd, dat er door de niet honorering van deze zaak er in gemeenten spanningen, botsingen en zelfs verwijderingen ontstaan. Wijlen Prof. v. d. Meiden heeft een boekje geschreven: „Wat is bevinding?”.

Hierin schrijft hij: „Het is een aanklacht tegen iedere prediker als in zijn preek het bevindelijke element wordt gemist. Bevinding is niet iets bij de prediking van het Woord bij de Woordbediening, maar zuivere bediening van het Woord is zuiver bevindelijk preken. Wie het Woord recht bedient, preekt altijd bevindelijk, naar de Schrift. Het is onmogelijk om goed te preken b.v. over Ps. 51 en Rom. 7 en niet bevindelijk te preken. Wie het Woord recht bedient, zal doen uitkomen wat de Schrift zegt van de bijzondere omstandigheden en gevaren der ziel. Onder zulk een bediening van het Woord wordt beluisterd de klacht van de bedrukten, de belijdenis van de boeteling, het snikken van de schuldige, het hulpgeroep van de gelovige, de jubel van hem, die Jezus vindt, het danken van de verloste, in één woord: gehoord wordt wat bevindelijk leven is. Bevindelijk preken is uit de Schrift vertolken en van wat in de harten der gelovigen omgaat, van wat Gods Geest in die harten werkt, van wat de ziel doorleeft en gevoelt, als de Heilige Geest zijn licht over zijn werk in het hart laat schijnen en wat de ziel mist en lijdt in duisternis en onder twijfel doormaakt in verachting op de weg des levens en onder geestelijke verlating. De prediker, die over deze dingen zwijgt, bedient het Woord niet ten volle en is zelf oorzaak er van wanneer Gods volk onder zijn prediking niet meer komt, maar troost zoekt bij anderen, desnoods bij hen, die wel geen ambtelijke titel dragen, maar toch de noden der ziel recht verstaan. Er zijn predikers, die bijna nooit de vraag bespreken hoe de waarheid Gods in de gelovigen werkt; vooral niet onderscheidenlijk de verschillende toestanden, leeftijden en graden van geestelijke ontwikkeling. De waarheid en het werk Gods moet èn in zijn zelfgenoegzaamheid en innerlijke rijkdom ten toon gesteld, èn in zijn werking en toepassing op de persoon toegelicht. Wie deze dingen verwaarloost, wie de waarheid Gods als een buiten ons liggend voorwerp wil preken, graaft een kloof tussen Gods Woord en zijn volk. Zulk een prediker is niet een bedienaar, maar een verknoeier van het Woord; zijn prediking is niet een opening, maar een bedekking van Gods getuigenis. Ware prediking is het brengen van Gods eigen, klare, zuivere boodschap omtrent al de geestelijke dingen en het geestelijk gebeuren; Gods eigen boodschap omtrent zonde en berouw, ons geloof en onze bekering, onze strijd en ons gebed, onze moedeloosheid en onze kracht, onze achteruitgang en onze bloei in het geloof”.

Deze woorden dringe door tot predikers en gemeenten. Naar deze woorden worde geluisterd. Zo worde gepreekt. Dan worden de gemeenten gebouwd in de bijbelse zin van het Woord. Dan worden de gemeenten geleid en onder Gods zegen bearbeid tot zaligheid. Dan zal de polarisatie, die er nu is, gaan verdwijnen en een eenheid zich openbaren. Een eenheid in hartelijke verbondenheid aan Gods Woord en de bevinding der heiligen. We zullen dan ook gezamenlijk strijden voor het geloof, dat eenmaal de heiligen overgeleverd is. Judas 1 : 3. Dan zien we het getuigenis van 1953 ook niet als een verouderd stuk. Maar als een stuk, dat ook heden in 1973 hoogst actueel is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.