+ Meer informatie

III. De Deugden Gods (f.)

Gods alomtegenwoordigheid.

4 minuten leestijd

Drie onmededeelbare eigenschappen Gods zijn reeds het onderwerp van onze bespreking geweest, nl, Gods onafhankelijkheid, Gods eenvoudigheid, en Gods eeuwigheid. Thans vraagt een vierde eigenschap, betreffende Gods alomtegenwoordigheid onze aandacht.

Kan God door geen t ij d worden besloten krachtens Zijn eeuwigheid, evenmin kan God door enige ruimte worden ingesloten krachtens Zijn alomtegenwoordigheid. De vromen van de oude dag hebben deze deugd Gods reeds geleerd en in hun geloof beleden. Hoor slechts naar het woord van Salomo bij de inwijding van de tempel te Jeruzalem: Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden U niet begrijpen (= bevatten), hoeveel te min dit huis, dat ik gebouwd heb!" (1 Kon. 8 : 27)

En David zong er reeds van in Psalm 139 : 7, 8: Waar zou ik heengaan voor Uwen Geest, en waar zoude ik heenvlieden voor Uw aangezicht? Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.

Evenals de tijd is ook de ruimte eerst met de schepping geworden. God, de Schepper, is daar echter hoog boven verheven. Hij is ook van de geschapene dingen door geen ruimte of afstand gescheiden. Hij is van het een niet verder dan van het andere af.

Hoe God alomtegenwoordig is, kan geen schepsel begrijpen. Wij, mensen, zijn maar al te zeer aan de ruimtevoorstelling gebonden. Al wat wij dan ook hierover denken en zeggen, kan in het allerminst niet uitdrukken, hoe het in werkelijkheid met de alomtegenwoordigheid Gods gesteld is. Het allerbeste kunnen we ons dan ook maar houden aan hetgeen de Schrift ons hieromtrent leert. Zij noemt het een vervullen door Gods tegenwoordigheid. Bijv. in Jer. 23 : 23 en 24: Ben Ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet een God van verre? Vervul Ik niet de hemel en de aarde? " Op een voor ons geheel onbegrijpelijke wijze vervult Hij alles met Zijn enig en onverdeeld Wezen zodat Hij overal is, met alles medebestaat en toch wezenlijk van al het bestaande onderscheiden Is.

Behalve zijn alomtegenwoordigheid in algemene zin, is er ook nog sprake van een bijzondere tegenwoordigheid Gods bij Zijn schepselen.

Oudtijds was de Heere in zeer bijzondere zin tegenwoordig boven het verzoendeksel van de Ark des Verbonds. In dezelfde bijzondere zin is Hij persoonlijk daar, waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn, zodat in zulk gezelschap dikwijls getuigd mag worden: et was ons goed hier te zijn, want de Heere was in ons midden! Ook is Hij bijzonder tegenwoordig met Zijn genade en gaven in het midden van Zijn volk, Zijn kerk en gemeente, die door Hem met de erenaam van Tempel des levenden Gods genoemd wordt. Ja, meer, de Heere woont, naar luid van Zijn Woord en naar de bevinding der heiligen, bij degene, die van een verbroken en verslagen geest is, en die voor Zijn Woord beeft, Jes. 66 : 2. En in Jesaja 57 : 15 getuigt de profeet:

„Alzo zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en Wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelde en nederige geest is; opdat Ik levend make de geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden."

Zo mag al Gods volk wel eens „eenzaam, met God gemeenzaam" zijn, en dan wordt de deugd van Gods alomtegenwoordigheid door het mensenkind van haar schoonste zijde ervaren.

Hier tegenover staat echter ook, dat er evengoed een bijzondere afwezigheid des Heeren is voor Gods kind. Niet, dat God ergens naar Zijn Wezen en werken niet tegenwoordig zou zijn, maar met Zijn gunst en goedheid wijkt de Heere wel eens van zekere personen en plaatsen. Zo zegt de Heere in Jes. 54 : 7: Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen." Hij laat niet varen het werk Zijner handen, want als Zijn volk zich schuldig mag leren kennen, zal God haar wederom genadig zijn. Daarom zij de bede van het naar God dorstend hart:

Keer weer, o God der legermachten, Tot ons, die op Uw bijstand wachten; Verlos ons, toon ons 't lieflijk licht Van Uw vertroostend aangezicht. (Ps. 80 : 9 en 11, gedeeltelijk.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.