+ Meer informatie

Genesis 2 en 3 21

6 minuten leestijd

De taal der profeten.Zo luidt de volgende paragraaf van hoofdstuk VI van het boek van prof. Oosterhoff.

„De symbolische taal is met name bij de profeten heel gewoon. Ook zij maken gebruik van allerlei beelden en symbolen om hun boodschap onder woorden te brengen. Ze brachten daardoor niet slechts ideeën tot uitdrukking, maar ze tekenden werkelijkheden, feiten. En overal ontlenen ze hun beelden aan. Aan het dagelijks leven, aan de heilsgeschiedenis van God met Israël en zelfs aan de oud-oosterse mythologie.”

Zo schrijft prof. Oosterhoff en hij noemt vele voorbeelden. En dan zegt hij: „Men moet al deze profetische uitspraken niet letterlijk nemen. Dat wil zeggen: niet naar de letter. Er zijn mensen, die dat doen. Die menen dat men dan pas recht doet aan de Schrift, wanneer men haar volledig letterlijk neemt. Maar dan kon men er wel eens juist naast zijn. Betekenen de woorden in Jesaja en Zacharia, dat er in de letterlijke zin van het woord een maaltijd komt met vette spijzen en goede, oude wijnen, waaraan de volken in Jeruzalem zich zullen te goed doen? En moet dat letterlijk genomen worden, dat Jeruzalem poorten van edelstenen zal hebben en dat van onder de stad een rivier naar het oosten en het westen stromen zal? En zullen werkelijk alle volken eens met Israël het loofhuttenfeest vieren? Wie dit letterlijk neemt heeft geen oog voor de bijzondere taal van de profeten.

Maar iets anders is, dat hier geweldige werkelijkheden getekend worden. Daar mogen we niets van af doen. Deze werkelijkheden worden echter getekend in die bijzondere symbolische taal, die de prediking der profeten kenmerkt. Wie met deze taal geen rekening houdt, trekt uit de woorden der profeten verkeerde konklusies.”

De schrijver wijst ook op het N.T.:

„We ontmoeten dezelfde taal in het N.T. in het boek Openbaring. Johannes ziet het Lam, staande als geslacht, met zeven horens en zeven ogen (5 : 6). Moet men dat letterlijk nemen? Terecht zegt Greijdanus dat we hier een symbolische voorstelling ontvangen en niet moeten trachten het concreet te tekenen. Van de verlosten wordt gezegd, dat ze hun lange witte klederen hebben wit gewassen in het bloed van het Lam (7 : 14). Dat kan men ook moeilijk letterlijk nemen. En evenmin de paarlen poorten en de gouden straten van het nieuwe Jeruzalem in hoofdstuk 21. Maar niet - letterlijk is niet hetzelfde als niet-werkelijk. Er worden in een taal, die niet letterlijk genomen moet worden, geweldige werkelijkheden tot uitdrukking gebracht.”

Even verder zegt prof. Oosterhoff: „Maar dat neemt niet weg, dat het bij de profeten om feiten gaat.”

Hij wijst er op, dat Gen. 2 en 3 op meer dan één wijze aan deze taal der profeten doen denken en hij licht dit met voorbeelden toe. Dan schrijft hij: „Herhaaldelijk herinneren Gen. 2v. aan de taal en de prediking der profeten, terwijl een rechtstreekse ontlening bij de profeten aan Gen. 2 en 3 niet kan bewezen worden. Gen. 2 en 3 schijnt geheel in de sfeer der profeten te zijn ontstaan.”

Prof. Oosterhoff vermeldt de gedachten van anderen, die in dezelfde richting wijzen. Daaraan gaan we stilzwijgend voorbij.

Vervolgens schrijft prof. Oosterhoff over de vraag wie de schrijver van Gen. 2 en 3 kan zijn geweest. Dat Mozes dat is geweest staat volgens hem niet bij voorbaat vast.

„Maar” – we citeren de schrijver – „of de Schrift er zoveel grond voor biedt, dat de geschiedenis van het paradijs van Adam af via Noach tot Abraham mondeling is overgeleverd is zeer de vraag.

Jozua zegt duidelijk, dat de familie, waaruit Abraham vandaan kwam, ook heidenen waren en andere goden dienden (Joz. 24 : 2). Van een heilige linie waaruit Abraham sproot is geen sprake. Dat maakt de kans op een mondelinge overlevering van wat eens in het paradijs gebeurd is wel heel erg gering. Een zuivere overlevering is, zoals ook Ridderbos en Gispen erkennen, wel zeer onwaarschijnlijk, maar van een verbasterde overlevering weten we ook niets.”

Even later schrijft de hoogleraar: „Er is voor een veronderstelling van een mondelinge overlevering van het bijbels paradijsverhaal van Adam tot Abraham of Mozes niet de minste grond. En evenmin weten we iets van een schriftelijke fixatie vóór de zondvloed of vóór Mozes.

Natuurlijk kan aan de schriftelijke fixatie van Gen 2 en 3, zoals we die in de bijbel hebben een mondelinge overlevering zijn voorafgegaan, maar dat er een rechtstreekse keten teruggaat tot op Adam is zeer onwaarschijnlijk.

We zullen daarom moeten denken aan een latere openbaring en die kan dan zijn tot stand gekomen op de wijze, waarop ook profeten de woorden Gods ontvingen. Dan hebben we in Gen. 2 en 3 inderdaad te doen met een stuk profetische openbaring.

Wie de profeet is geweest, door wie God deze openbaring gegeven heeft, weten we niet, evenmin de tijd, waarin deze openbaring plaats had. Dit weten we wel, dat de profetische openbaring niet mechanisch plaats had, maar, zoals we gewoon zijn te zeggen, organisch en dat houdt in, dat ze onder de leiding van de Heilige Geest op echt menselijke wijze tot stand kwam. Bavinck zegt, dat de Heilige Geest bij het beschrijven van het Woord Gods niets menselijks heeft versmaad om tot orgaan te dienen van het goddelijke. En tot dat menselijke behoort ook heel de voorstellingswereld die de profeet ten dienste staat. Een profeet geeft de werkelijkheid anders weer dan een historieschrijver. Hij geeft geen exakte beschrijvingen, maar tekent de werkelijkheid met allerlei beelden, die ontleend zijn aan de leef- en voorstellingswereld van zijn tijd.

Zo wordt ook de werkelijkheid in Gen. 2 en 3 beschreven met beelden aan de bekende voorstellingswereld ontleend. De levensboom, de slang en de cherubs waren voor de mens in de tijd, waarin het paradijsverhaal geschreven werd, zaken uit hun denk- en voorstellingswereld.

Wanneer de tijd was dat Gen. 2 en 3 geschreven werden, weten we dus niet. Of Mozes de profetische schrijver van deze hoofdstukken is geweest, is niet bekend. Wel zijn er enige trekken in het paradijsverhaal, die naar een oude tijd zouden kunnen heenwijzen.”

Dit is een lang citaat, maar we achten dit nodig om goed naar prof. Oosterhoff te kunnen luisteren.

Alles moet als bewijsmateriaal voor de schrijver dienen om zijn standpunt te verdedigen. Hij spreekt uit, dat we in Gen. 2 en 3 te maken hebben met een latere, met een stuk profetische openbaring. Hier vinden we weer de gedachte dat de bijbelschrijver bij het te boek stellen van de boodschap rekening heeft gehouden met het oud-oosterse milieu.

Laten we een ogenblik aannemen, dat de openbaring van de schepping af niet in een heilige linie overgegaan is van geslacht op geslacht, maar dat de Heere dat later opnieuw heeft bekendgemaakt, hoe zit het dan met Abraham en zijn nakomelingen tot die tijd van de bijbelschrijver van Gen. 2 en 3? Heeft Abraham in dit opzicht in onkunde geleefd? En Melchizedek? En Job en zijn vrienden? Hebben zij geen kennis van de waarheid gehad? Zo ja, hebben Abraham en zijn nakomelingen die zuivere openbaring dan niet zuiver overgeleverd? Of hebben zij ook op een symbolische wijze de werkelijkheid weergegeven?

Prof. Oosterhoff geeft geen antwoord op deze en dergelijke vragen. Zijn betoog, dat we bij Gen. 2 en 3 aan latere profetische openbaring moeten denken, mist daarom een goede grond.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.