+ Meer informatie

OP DE WACHTTOREN

6 minuten leestijd

Een blik op de kerk 2

’t Centrale punt waar heel de wereldgeschiedenis zich op toespitst, dat is de kerk. Al de lijnen van de vrije soevereine wilsbeschikking Gods spitsen zich toe op de kerk. De kerk moet worden verlost; De kerk moet worden saamvergaderd uit de vier windstreken der wereld. In en door de kerk moet het Koninkrijk Gods komen: heel de aarde moet met de vreze des Heeren worden vervuld. Daarom bidt dan ook de kerk: Uw Koninkrijk kome d.w.z. „Regeer ons alzo door Uw Woord en Geest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen; bewaar en vemeerder Uw kerk; verstoor de werken des duivels en alle heerschappij, welke zich tegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen Uw heilig Woord bedacht worden, totdat de volkomenheid Uws rijks kome, waarin Gij alles zult zijn in allen”.

Zo staat de kerk te midden van de worsteling, de branding van dit leven, als het grote uitroepteken van Gods verkiezende liefde, dat ondanks alles de grote toekomst van het nieuwe Jeruzalem, de grote toekomst van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komt! Dit alles in Christus!

De kerk wordt daarom wel genoemd: het lichaam van Christus!

Al wat de kerk is, dat is de kerk in Christus! Zo dient de heerlijkheid van Christus dan ook in de kerk te worden gezien. In haar leden; in haar ambten; in haar bedieningen; in haar eredienst; in haar leer; in haar leven; in haar openbaring naar buiten.

Spreekt de Schrift niet over een stad op een berg, over een licht op de kandelaar?

Christus’ kerk, kortom moet in héél haar levensopenbaring tonen van Christus! en niet van de wereld te zijn! Hij kocht haar met Zijn bloed, Hij verloste haar door Zijn Geest, Hij heeft haar in deze weg van koping en verlossing Zich tot een eigendomgemaakt! verlossing Zich tot een eigendom genaakt! Wanneer wij nu vanaf de wachttoren een blik werpen op de kerk, zouden wij dan niet uit moeten roepen met de profeet Jeremia: „Hoe is het goud zo verdonkerd, het goede fijne goud zo veranderd. Hoe zijn de stenen des heiligdoms vooraan op alle straten verworpen. De kostelijke kinderen Slons, tegen fijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk gerekend aan de aarden flessen, het werk van de handen eens pottenbakkers”.

Zien wij eens opde leden van de kerk.

Kan de wereld het zien, dat de leden van de kerk ook lidmaten van Christus zijn? Christus toebehoren; met Zijn bloed zijn gekocht; uit de heerschappij des duivels zijn verlost? Wel in de wereld, maar niet van de wereld? Ach wat moet beschaamdheid het aangezicht bedekken.

Leden van de kerk zien wij, zowel aan de Avondmaalstafel als in de danszalen. ’t Kleed van tweeërlei stof, van de wereld en van een kerkelijke belijdenis, wordt allerwegen gedragen, maar ..... het witte kleed van Jezus’ gerechtigheid, het „uniform der heiligen” wordt gemist.

Zien wij eens op de ambten in de kerk. De grote Ambtsdrager Christus Jezus, wil in de kerk Zijn heerlijkheid laten zien, ook door middel van de ambten.

Als profeet wil Hij Zichzelf laten zien in het Leeraars ambt.

Als priester in het Diakenambt.

Als Koning in het Ouderlingenambt.

Hoe straalt deze heerlijkheid van Christus thans uit?

Zien wij het fijne goud ook hier niet verdonkerd?

Denk eens aan de strijd over de vrouw in het ambt. De Schrift noemt de man het hoofd van de vrouw, gelijk Christus is het Hoofd van de kerk, maar nu zien wij de vrouw het hoofd van de man! De man onder de kansel en de vrouw op de kansel!

Zou Christus Zijn ambtelijke heerlijkheid, als Hoofd van de kerk, dan willen leggen op het hoofd van de vrouw?

Hoe dient de wachter op Sions muren hier met de bazuin te blazen. Met een helder geluid!

Niet met een gebroken geklank, maar duidelijk, positief wijzen op de grote Ambtsdrager der kerk. Die als Man en Hoofd van de kerk, Zijn heerlijkheid in de ambten wil laten zien.

Zien wij vervolgens op de kerk in haar bedieningen, in haar eredienst, in haar leer, in haar leven, in haar openbaring naar buiten, hoe noodzakelijk, dat de wachter op de wachttoren steeds maar weer op de bazuin blijft blazen.

Wat een vervlakking in de leer.

Wat een opvoering van de uiterlijke vorm. ’t Allernieuwste wordt weer vervangen door het alleroudste.

Calvijn en oudvaders worden zo nodig te hulp geroepen, om nieuwe kerkelijke liturgieën goed te praten. Beat en Jazzmuziek in de kerk, met dansgroepen tevens, ’t wekt hoegenaamd geen verontwaardiging meer in het leven van de kerk. Van ’t voetbalveld naar de Avondsmaalstafel, ’t werd zelfs door de predikant als de mooiste vorm van het godsdienstig, geestelijk leven gepropageerd ...... Zou er dan geen reden zijn om op de bazuin te blazen bij een blik op de kerk? „Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen, zo zou ik dag en en nacht bewenen, de verslagenen van de dochter mijns volks”.

Het dode lichaam enverslindende roofvogels.

Werpen wij zó een blik op de kerk dan moeten wij wel constateren, daar ontbreekt wat aan haar leven!

’t Lichaam van de kerk is er wel daar is voldoende activiteit op de terreinen van zending, evangelisatie, diakonale zorg, ga zo maar voort, maar hoe is het met haar leven.

De kerk dankt haar leven aan Christus, maar leeft zij nu ook uit Christus, zó dat het beeld van Christus in heel haar openbaring wordt gezien?

Buiten dat leven immers is het lichaam dood, en als het lichaam dood is daar komt het gericht.

Lees in dit verband maar eens wat er staat in Luc. 17

Daar wordt ook gesproken over het gericht, en dan wordt in het laatste vers gezegd: „waar het lichaam (n. l. het dode lichaam) is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.

Daar komen dus de verschillende roofogels.

Arenden en gieren zijn verslinde roofvogels.

Zij komen daar waar dode lichamen zijn. Zij vallen als regel geen levende mensen aan, maar lijken, het levenloze, het aas, dat is hun begeerlijke prooi.

En dan zie ik de roofvogels van het Romanisme, van het oud en nieuw Modernisme, van het verfijnde Remonstrantisme. De roofvogels van allerlei pseudo religies, van allerlei secten en geestelijke stromingen, tot zelfs in het verobjectiveerde bevindelijke leven toe! En dan hoor ik de stem van het gericht Gods in dit woord; „Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volk vet, en maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met zijn ogen, nog met zijn oren hore, noch met zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het geneze”.

Is er dan geen toekomst voor de kerk?

Ja! Luister slechts: „doch nog een tiende deel zal daarin zijn, en het zal wederkeren, en zijn om af te weiden; maar gelijk de eik en gelijk de haageik, der bladeren nog steunsel is, alzo zal het helige zaad het steunsel daarvan zijn”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.