+ Meer informatie

„Maar een commissie”

5 minuten leestijd

„Laat er maar een commissie komen!” Lang heeft de vergadering geduurd. Zwaar is er gedelibereerd over de belangrijke, maar zo uiterst moeilijke of gevoelige zaak. Ieder voelt: we komen er nu niet uit: Of: we durven de beslissing (nog) niet aan. Tot er één is die 't verlossende woord spreekt: „Laten we een commissie benoemen!” Een zucht van verlichting gaat op. „Dat is het! Nu komt het in orde! Maar een commissie! Dat is de uitkomst!"

Het kan verstandig zijn de beslissing in een moeilijke en delicate aangelegenheid in kleine kring voor te bereiden door een commissie.

Het kan ook nuttig zijn de beslissing uit te stellen tot de gemoederen wat gekalmeerd zijn en men met wat meer nuchterheid tegen de zaak aan ziet. „Maar een commissie"!

Er zijn echter ook gevallen dat men de zaak wil af schuiven, eigen handen er niet aan vuil wil maken. ”Laat een ander het maar opknappen!” Dan is 't een uitvlucht! Kerkelijke vergaderingen werken ook graag met commissies. We mogen natuurlijk nooit denken dat deze zioh schuldig maken aan „afschuiven”! Dat zou „der kerken onwaar-dig” zijn, om een bij sommigen geliefde term te gebruiken.

We zouden twee soorten van commissies kunnen onderscheiden: tijdelijke en permanente. Een tijdelijke commissie wordt voor incidenteel geval ingesteld met een opdracht van tijdelijke aard; wanneer deze opdracht voltooid is, wordt de commissie opgeheven. Een permanente commissie wordt ingesteld voor een taak die eigenlijk permanent de aandacht van de kerkeraad (om ons daartoe te beperken) moest hebben, maar dan de „productiviteit” van de kerkeraad in andere opzichten zou schaden. Deze permanente taak wordt door de kerkeraad „toever-trouwd” (het latijnse woord waarvan „com-missie” is afgeleid, betekent o.a. „toever-trouwen”) aan enkele leden van de ge-meente.

Blijkens de ervaring dreigen dergelijke permanente commissies soms een min of meer zelfstandig leven te gaan lijden, praktisch los van de kerkeraad. De „schuld' ligt doorgaans — zoals meestal in 't leven — bij beide partijen. Als de kerkeraad werkelijk het „afschuifsysteem” toepast en zich dus verder niet bekommert over de taak die eigenlijk op zijn eigen schouders rust, dan is het natuurlijk geen wonder dat een commissie dan een eigen zelfstandig leven gaat leiden. Maar als een commissie de kerke-raad met of zonder opzet buiten de zaak laat, geen enkel contact onderhoudt bij de vervulling van haar taak, maar haar eigen gang gaat, dan „lijdt” zij inderdaad een zelfstandig leven. Het geheel evenwel lijdt eronder!

Als een permanente taak die aan een com-missie wordt „toevertrouwd", wordt onder ons meestal beschouwd: de zending, de evangelisatie, de evangelieverkondiging onder Israel, de zondagsschool, de financiꬮ1)

Hier en daar noemt men een dergelijke commissie nog vereniging. Soms is er geen commissie, maar fungeert een correspondent om de taak die er in de plaatselijke kerk ligt voor een bepaalde tak van arbeid te behartigen. Als de zaak maar duidelijk wordt gezien én goed wordt uitgevoerd doet de naam er minder toe en als ꨮéén het „„af” kan, dan kan 't dienstig zijn niet meer mensen in te schakelen. Wie ons Jaarboek raadpleegt, zal constateren dat de voorkeur over het algemeen uitgaat naar commissies. Zal het goed zijn dan dient men zich rekenschap te geven van de relatie tussen de kerkeraad en de commissie. Dit geldt natuurlijk vooral in die gevallen waarin niet-kerkeraadsleden lid van zo'n commissie zijn. In wezen ligt deze relatie verankerd in de kerkelijke taak die aan de commissie is gegeven. De vraag is echter op welke wijze die relatie gerealiseerd wordt, 'k Zou drie punten willen noemen die hierbij de aandacht moeten hebben.

In de eerste plaats: de vertegenwoordiging. In de commissie behoort een lid van de kerkeraad zitting te hebben om het contact te bewaren, eventueel meer leden. Het is principieel èn praktisch onjuist te achten wanneer geen kerkeraadslid zitting in de commissie heeft. Zo nodig stelle men hem vrij van het commissiewerk, als hij de vergaderingen maar bijwoont!

In de tweede plaats: een reglement of instructie. Natuurlijk gaat het ook zonder zo'n papier wel. Maar beter is van te voren afspraken te maken betreffende opdracht, werkwijze, benoeming (voordracht), aftreding enz. dan te wachten tot er moeilijkheden zijn.

Tenslotte: verslag. Elke commissie brenge minstens eens per jaar verslag uit aan de kerkeraad, liefst schriftelijk. Een schriftelijk verslag worde in elk geval ingediend wanneer er gelden te verantwoorden zijn! (En dan behoort de kerkeraad natuurlijk een dergelijk verslag — net als zijn eigen financiële verslag — ter kennis van de gemeente te brengen!)

Wanneer deze summiere wenken ter harte genomen worden dan zal niemand kunnen zeggen: „Maar een commissie!” als zou het commissiewerk minder belangrijk zijn en er maar een beetje „bij hangen", goed genoeg om van minder noodzakelijk geacht kèrkewerk af te komen, terwijl het ,„belangrijke” werk voor de kerkeraad zelf gereserveerd blijft — wat is in de dienst van Koning Jezus belangrijk en minder- of onbelangrijk?

„„Maar een commissie” — geen uitvlucht, maar uitkomst om het werk nog beter te doen in het midden van Zijn gemeente!

1) Zie ook A.C. blz. 772.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.