+ Meer informatie

Naar de CATECHISATIE

7 minuten leestijd

13

HET SABBATSGEBOD.

De vraag naar de betekenis van het sabbatsgebod is ook niet nieuw. Denk aan de strijd tussen de Voetianen en de Coccejanen. Maar hoe er heden ten dage over wordt gedacht en geschreven, is toch wel bedroevend en ernstig, wat voor onze jongeren verwarrend werkt, ja, dat hen al meer afbrengt van de rechte zin der sabbatsheiliging.

Daarbij zijn de laatste tijd vraagstukken aan de orde, die al meer afvoeren van de heiliging van Gods dag. We denken hierbij aan de z.g. „glijdende werkweek”, de noodzakelijkheid van zondagsarbeid door arbeid in continu-verband bij de grote concerns.

Men zoekt een gepaste oplossing voor de christen-arbeiders, die in gedrang komen met hun principes. Men zoekt een uitweg.

Is het niet een allerbedroevendst verschijnsel, dat men vandaag oplossingen zoekt in deze zin: hoever kunnen we met de normen van de moderne levensbeschouwing meegaan en toch christen zijn?

Wat in de bloeitijd van de kerk door godzalige leraars opgrond van Gods Woord werd beleden en beleefd, wordt nu ais met één handslag van de hand gedaan als ouderwets en waardeloos.

Men stelt thans het arbeiden op zondag (niet noodzakelijke arbeid) disputabel. De dagelijkse arbeid was alleen verboden voor Israel, omdat de wet der tien geboden ook alleen gold voor Israel. Wie dan ook nu nog naar de letter der wet leeft is een „wetticist”. Zeer zeker is de wet der tien geboden ook door Christus vervuld door Zijn dadelijke gehoor zaamheid. Door de uiterlijke onderhouding der wet kan ook niemand gerechtvaardigd worden. Gods kind leert in die zin sterven aan de wet, d.w.z. om er door gerechtvaardigd te worden. Maar betekent dit nu, dat Gods kinderen niets meer met de wettemaken hebben? Volstrekt niet. Die wet wordt een liefdewet. En het is de lust van de wedergeborene om zich in die liefde-wet tevermaken, naar Ps. 119. Dit is geen wetticisme, wel „wettelijk” leven Goede werken zijn werken, die „uit een waar geloof, naar de Wet Gods, alleen Hem ter ere geschieden”, zo zegt de Heidelb. Catechismus het in zondag 33.

„De wet vervuld” wil niet zeggen, dat de wet daarmede nu „weg” is, afgeschaft.

In verband nu met de gedachte, dat alle nietnoodzakelijke arbeid alleen voor Israel verboden was, kwam de vraag aan de orde of het sabbatsgebod aangaande de zevende dag wel waarlijk terug is te brengen tot de schepping en dat God ook voor de MENS de zevende dag als rustdag heeft ingesteld. Men zegt: dit is niet te lezen uit Gen. 2 : 2 en 3. Daarom meent men, dat de sabbat eerst is ingesteld bij Mozes. Wel stemt men toe, dat God de zevende dag ook heeft willen maken tot een schone en goede dag voor de mens. Maar dit houdt niet in, dat de mens geen arbeid mag verrichten.

Er is nog iets, wat betreft de RUST Gods. Men zegt, dat de rust Gods vanwege de vloek der zonde is gebroken, zodat God Zich niet meer kan verlustigen in de werken Zijner handen. De gangbare mening van oudere en nieuwe theologen, dat de rust Gods, Zijn verlustiging in de werken Zijner handen, voortduurt tot het komen van de nieuwe hemel en aarde, betwist men sterk. Daar nu door de zonde een eind kwam aan de rust Gods, verloor nu ook de zevende dag zijn karakter als rustdag Gods, zo beweert men. Nu heeft God echter Zijn rust weer hersteld door het verlossingswerk van Christus en daarom moeten wij ervan uitgaan, dat de instelling van de sabbat alleen daarmede verband houdt.

Ugevoelt wel, waar men heen wil: de instelling van de sabbat moet loskomen van de instelling ervan bij de schepping. Geen arbeid verrichten behoorde tot de schaduwachtige betekenis van de Joodse sabbat. Maar die is nu vervuld, dus... ook het: geen werk doen. Letterlijk schrijft een theoloog: „Maar het schaduwachtige lag ook in de bepaling: geen werk doen, absoluut geen werk doen”. De kerk en -de meeste van-God-geleerde theologen, o.m. Calvijn, Brakel en zovelen meer, hebben geleerd, dat het sabbatsgebod gegrond ligt in Gen. 2 : 2 en 3 („en God heeft de zevende dag gezegend en die geheiligd, OMDAT Hij op dezelve gerust heeft van al Zijn werk’)

Neen, we gaan er niet van uit, dat die oude godgeleerden „feilloze” mensen zijn geweest. De bekende Gomarus, die ook op de grote „Dordtse synode van 1618-19” actief werkzaam is geweest in de strijd tegen Arminius, verdedigde de voorstelling, dat de oorsprong van de sabbat dagtekende uit de woestijn Sin en niet van de schepping. Moeten we nu, omdat Gomarus deze voorstelling had van de oorsprong van de sabbat, het stanpunt van alle andere godgeleerden, die de oorsprong van het sabbatsgebod stellen bij de schepping, als onjuist verwerpen? Bovendien was Gomarus toch een streng onderhouder vande heiliging van Gods dag. Zijn bedoeling was toch stellig niet om het werken op zondag goed te praten.

Men beroept zich ook op de verklaring van de Catechismus, zondag 38. De catechismus spreekt heel niet van „geen dagelijkse arbeid verrichten”, maar heeft het alleen over „het naarstiglijk komen tot de gemeente Gods, om Gods Woord te horen, de sacramenten te gebruiken, enz.’

Maar is dit een bewijs, dat de Heidelberger is uitgegaan van het standpunt.dat dagelijkse arbeid op zondag wel geoorloofd is, omdat hij er niet van spreekt? De catechismus wijst in haar antwoord heel duidelijk op de ware „heiliging” van de sabbat. De „kerkedienst” staat hierin centraal. En waarom gaat het in de „kerkedienst’? Om eventjes naar een preek te horen en dan maar weer rustig het gewone dagelijkse werk te doen? Is niet het karakter van de sabbat het bijzonder bezigzijn en de verlustiging in de dingen van Gods Koninkrijk? Zegt men: ja, maar dat geldt ook van de dagen der week? Goed, en daarop wijst ook onze Heidelberger: „dat ik al de dagen mijns levens van mijnboze werken ruste”, maar de sabbat is toch bedoeld als een speciale dag hiervoor: „inzonderheid op de rustdag”. Zo is het b.v. ook in het gebedsleven van Gods kinderen. Zij kennen een biddend leven. Maar dit neemt niet weg, dat er toch bepaalde ogenblikken zijn, waarop zij zich tot het gebed afzonderen. Dit geldt ook van heel het dagelijkse leven. Gods kind is geen „zondagschristen”. Ook de dagelijkse arbeid in de week is „godsdienst”. Het „christenzijn” moet te alien tijde uitkomen, zal het wel zijn. Maar de sabbat is toch de speciale afzonderlijke dag, die gewijd moet zijn aan de dienst des Heeren, waarin, zo merkten we op, de kerkedienst centraal gesteld is.

Zeer terecht wijst de bekende Dr. A. Kuyper Sr. in zijn „E Voto” op de roeping van Gods kinderen: „navolgers Gods te zijn als geliefde kinderen” naar het woord van de apostel. Het leven van Gods kind moet een afspiegeling zijn van het leven Gods naar de vaste regel van het vierde gebod: „zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen”, „want in zes dagen heeft de Heere de hemel ende aarde gemaakt en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere de sabbatdag en heiligde dezelve”. De mens is naar GODS BEELD geschapen en daarom moet dus de geaardheid van het Goddelijk leven re gel zijn voor het menselijk leven. (Deel IV, hfd. II.)

In een volgende les willen we nader ingaan op het standpunt: het sabbatsgebod ligt gegrond in Gen. 2 : 2,3.

R’dam-West

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.