+ Meer informatie

Jouw vragen

15 minuten leestijd

Veel mensen zijn altijd aan het redeneren; en heus niet alleen jongeren. Je moet je bekeren en je kunt je niet bekeren. Je moet God aanroepen en je wilt en kunt Hem niet in waarheid aanroepen. Wie zoekt zal vinden, maar we kunnen niet zoeken. Je moet kiezen en je kunt niet kiezen. Want God heeft toch gekozen? Zit je echt met deze vragen? Stop dan met redeneren en neem de tijd om deze antwoorden te lezen.

Het geloof is een gave Gods, en toch is het je eigen schuld als je verloren gaat. Maar je kunt toch zelf niet voor Jezus kiezen?

1. Waarom is Jezus niet voor alle mensen gestorven ? Er staat dat Hij geen lust heeft in de dood van goddelozen maar wil dat iedereen tot bekering komt en leeft. Is dat niet tegenstrijdig ook met de uitverkiezing?
2. Nog iets: Het geloof is een gave Gods, de bekering werkt God. Toch is het je eigen schuld als je verloren gaat. Ik vind dit zo moeilijk te rijmen, vooral omdat God wil dat iedereen tot bekering komt. Je kunt toch niet zelf voor God kiezen, zoals zovelen zeggen, of je kunt toch zelf Jezus niet aannemen ? Veel mensen zeggen ook dat God de mensen een eigen wil gegeven heeft om voor Hem te kiezen, zo kun je jezelf tot Hem bekeren. Ik weet het allemaal niet meer.

Enkele jongeren stelden vragen over de uitverkiezing en andere punten die daarmee samenhangen. Dit is geen eenvoudig vraagstuk voor ons mensen. Want wij zijn mensen die door de zonde verduisterd zijn van verstand. Wij kennen God niet recht en begrijpen Hem niet van nature. En toch willen wij zo vaak Hem wel begrijpen.

Dan zouden we op onze vragen voor ons acceptabele antwoorden willen horen. We lopen dan het gevaar dat wij de Heere gaan narekenen en Zijn beleid gaan benaderen op onze menselijke wijze en daarbij vergeten dat wij zondige en beperkte mensen zijn en God groot is. Hij is de almachtige, eeuwige God en wij zijn kleine, door de zonde verduisterde mensen.

Als wij over dit soort vragen willen gaan nadenken, moeten we heel goed luisteren naar het Woord en mogen we wel in het bijzonder vragen om het licht van de Heilige Geest.

Uit de Bijbel
1. Het antwoord op de eerste vraag moeten we maar letterlijk uit de Bijbel halen. Toen Gabriël aan Jozef opdroeg om het Kind de naam Jezus te geven, zei hij erbij: „Want Hij zal Zijn volk zaligmaken van hun zonden." (Matth. 1:21). De Heere Jezus zegt Zelf in Joh. 10:11: „Ik ben de goede Herder; de goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen." En in Joh. 17:9: „Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij mij gegeven hebt."

In het tweede deel van jouw vraag haal je, vermoed ik, iets aan uit Ezech. 33:11. Letterlijk staat daar: „Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust dat de goddeloze zich bekere en leve."

Op het eerste gezicht lijkt deze algemene oproep tot bekering strijdig met het feit dat de Heere Jezus Zijn leven stelde alleen voor de Zijnen. Willen we deze dingen een beetje 'begrijpen', dan moeten we onderscheiden tussen Gods geopenbaarde wil en Zijn verborgen wil (Deut. 29:29).

Gods besluit
Gods besluit, Zijn uitverkiezing is er. Maar wat God besloten heeft, wie Hij uitverkoren heeft en wie niet, dat is ons onbekend. Wij zullen dan ook niet geoordeeld en gestraft worden naar deze verborgen dingen, maar naar onze werken, naar onze zonden (Pred. 12:14). Wij moeten leven naar Gods geopenbaarde wil.

En die kunnen we lezen in bijv. Ezech. 33:11. De Heere maant ons oprecht de zonden te verlaten en Hem te zoeken (lees ook Jes. 55:6 en 7). In de kanttekeningen bij de Statenvertaling kunnen we bij deze tekt uit Ezechiël o.a. lezen: „Gij klaagt dat Ik belust ben om u te doden ook als gij u van uw boosheid bekeerde. Alsof het bij Mij gelijk is of ge u bekeert of niet; ge moet er toch aan (ge moet toch sterven). Het laatste zeggen goddeloze murmureerders.

Dat is de zaak, wil God zeggen, daar schort het u aan, dat gij in al uw goddeloosheid blijft en evenwel tegen plagen murmureert in plaats dat ge u moest bekeren." Dit citaat lijkt mij duidelijk. Onze voorliefde voor de zonde houdt ons bij God vandaan. En dat geldt vandaag voor ons allemaal net zo goed als dat dit vroeger voor de Joden gold. Wij zitten zo vast aan de zonde, de een op een wereldse manier, de ander op een 'godsdienstige manier'. Maar heilig en rein voor de Heere leven willen we niet en doen we niet.

De diepste verklaring daarvoor is dat wij hiertoe onbekwaam zijn omdat we tegen God gekozen hebben en telkens weer tegen Hem kiezen. Intussen zegt de Heere welmenend: „Verlaat de slechtigheden en leeft en treedt in de weg des verstands" (Spr. 9:6). En als je dat dan werkelijk niet kunt, hoe je dat ook probeert? Hij zegt ook: „Wie Mij need'rig valt te voet, zal van Mij zijn wegen leren" (Ps. 25).

Eigen schuld
Nu je tweede vraag. Je kunt zelf niet kiezen en toch ga je door eigen schuld verloren. Jij kunt dat niet rijmen. Wij mensen hebben door onze zondeval geen vrije wil ten goede meer. Lees daarover Rom. 3:9-20 maar. Ons bekeren en kiezen voor Jezus is wel onze plicht, maar er zal niets van terecht komen, want wij zijn "dood door de misdaden en de zonden" (Ef 2:1). Dat is onze schande en onze schuld.

Geloof je dat, zie je dit zo? Of vecht je eigenlijk tegen het Woord van God? Wij moeten wederomgeboren worden (Joh. 3:3). Anders komen we niet in het Koninkrijk van God, worden we niet bekeerd, zullen we nooit oprecht gaan geloven. Alleen wat de Heere werkt, dat is het goede en dat zal Hem alleen behagen. Het wonder van het genadeverbond is dat de Heere deze dingen Zelf werkt.

Door Woord en Geest worden mensen bekeerd, krijgen ze het zaligmakend geloof. Als de Heere daar niet Zelf voor zorgde naar Zijn eeuwige verkiezing werd er nooit iemand zalig. Zo diep is onze verlorenheid. Maar Zijn welbehagen gaat voort en daarom is er een Kerk en zal er een Kerk blijven. Daar staat God Zelf voor in. En wie daartoe uitverkoren zijn, weet niemand van te voren.

Wel laat de Heere Zijn Woord verkondigen en daardoor doet de Heilige Geest mensen wederomgeboren worden. Wij zijn aan deze genademiddelen gebonden. Luister dan naar het Woord, lees Het en vraag om de Heilige Geest of Hij het Woord ook voor jou wil doen zijn een zaad der wedergeboorte. De Heere wil erom gebeden zijn (Ezech. 36:37, zie ook Spr. 1:22 en 23). En Hij zegt: „Bidt en u zal gegeven worden" (Matth. 7:7).

Er moet een wonder in ons leven gebeuren. En dat kan alleen door Woord en Geest. Vraagt dan naar de Heere en Zijn sterkte. Hij zegt anderzijds ook: „Dewijl Ik geroepen heb en gij niet geantwoord heb; zo zal Ik lachen als Uw vreze komt." (Spr. 1:24, 26). Leven bij en onder het Woord van God is niet vrijblijvend.
Ds. P. Mulder

                              ------------------------------

Er is niemand die God zoekt; zoeken echt bekeerde mensen God dan ook niet?

Twee andere meisjes (uit mavo-4) stellen ook vragen over dit onderwerp. Zij hebben er op school lessen over gehad, maar er zijn vragen overgebleven. In jullie aantekeningen staat: „Was er geen uitverkiezing dan ging iedereen verloren; nu God wel verkiest, is zaligheid mogelijk." Nu stellen jullie de vraag:

„Maar er gaan toch ook veel mensen verloren, ik weet wel dat we allemaal verloren moesten gaan, maar de uitverkorenen zijn toch niet anders, beter?"
Inderdaad, de uitverkorenen zijn niet anders, niet beter, dat ze daarom door God zouden zijn uitverkoren. Het is enkel welbehagen van God. En daarom moeten (en als het goed is: zullen) ze zich ook zeer ootmoedig en dankbaar tegenover de Heere gedragen. Verder hebben jullie een vraag n.a.v. Ef. 1:3-5 over de verkiezing van voor de grondlegging der wereld.

„Maar er staat in de Bijbel dat God het erg vond dat de mens gezondigd had, en nu konden niet alle mensen meer zalig worden. Maar waarom heeft God die niet-uitverkoren mensen dan gemaakt, als Hij wist dat ze Hem niet gehoorzaam konden zijn?"
Opnieuw zeg ik, laten we eerbiedig naar het Woord van God luisteren. Want wij mensen met ons verduisterd verstand, kunnen God niet begrijpen. Wij  kunnen ook niet alles verklaren. Toch kent de Bijbel deze vragen ook wel.

In Rom. 9 kunnen we er over lezen. „Zo ontfermt Hij Zich dan diens Hij wil, en verhardt dien Hij wil. Gij zult dan tot mij zeggen: Wat klaagt Hij dan nog? Want wie heeft Zijn wil wederstaan?" En dan geeft Paulus een eerbiedig antwoord dat past bij een nietig mens tegenover zijn grote Schepper; dat past bij een gevallen zondaar tegenover de heilige, goedertieren Majesteit.

„Maar toch o mens, wie zijt gij die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel zeggen tot degene, die het gemaakt heeft: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene een vat ter ere en het andere ter onere?" (Rom. 9:18-21). Dat wil zeggen: God is soeverein; de Almachtige is zo groot en hoog verheven; wij begrijpen het niet. Hij is aan ons geen verantwoording schuldig.

Wij wel aan Hem, want Hij heeft ons goed geschapen en wat maken we ervan?

Tevreden zijn
De Ned. Geloofsbelijdenis geeft een wijze raad als we met dit soort vragen zitten. „En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip van ons menselijk verstand, dat willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan." Wat wijs opgemerkt! Zul je ernaar luisteren? Vraag maar aan de Heere of Hij je geve tevreden te zijn met de maat van Zijn Woord.

Die weg wijst ons ook de Ned. Geloofsbelijdenis (art. 13). „Maar wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige oordelen Gods, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn Woord."

Een mens die al te zeer zich in dit soort vragen blijft verdiepen, loopt groot gevaar te verdwalen. De juiste weg is die van de moordenaar aan het kruis. „Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan" (Luk. 21:41).

God heeft Zijn enige, zo zeer geliefde Zoon gegeven, en het heeft Hem Zijn leven gekost om de uitverkorenen zalig te maken. Denk daar niet licht over. Maar vraag maar of je de les van de moordenaar leren mag. En zijn gebed „Heere gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn" werd verhoord. Daartoe is de Zoon van God de dood ingegaan, om zulke slechten zalig te maken.

Ben jij ook zo'n slechte? Of voel je je eigenlijk toch wel beter dan deze moordenaar? Wij moeten niet God voor de rechtbank van ons denken plaatsen. Trouwens, dat kunnen we natuurlijk ook helemaal niet. Maar wanneer we onze gedachten te zeer in die richting laten gaan, doen we dat alleen tot onze schade. Wij moeten ons houden aan wat Mozes zei (Deut. 29:29): „De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, maar de geopenbaarde voor ons en onze kinderen."

Aanroepen
Vervolgens komt de vraag:

„Er staat in Rom. 10 dat al wie de Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden. Het staat er zo gewoon, maar ook niet-uitverkorenen kunnen Hem toch aanroepen ? En als u dan zegt: ze menen het niet, dan kunnen ze dat toch niet helpen?"
En als laatste is er nog de vraag:

„In Rom. 3 staat over de toestand van de mens na de zondeval: er is niemand die God zoekt. Maar er staat; zoekt en gij zult vinden. En „niemand die God zoekt", staat hier! En de echte bekeerde mensen dan, zoeken zij dan God ook niet?"
De Heere zegt in zijn Woord dat al wie Hem zal aanroepen, zalig zal worden. Dit is vast waar. Tegelijk is het onomstotelijk waar dat er sinds en door onze zondeval niemand is die God zoekt. Dan weet je het niet meer en loop je vast. Ik hoop en bid dat dat werkelijk gaat gebeuren in je leven. Niet dat je er dogmatisch mee vastloopt, maar dat je met je hart voor de Heere er niet meer uitkomt.

Dat je ervaring wordt: ik moet me bekeren en ik kan me niet bekeren; ik moet naar God zoeken, dat is Hij waard en dat is de enige weg om zalig te worden en ik kan niet naar God zoeken, want ik ben onbekeerlijk en zondig en ken de Heere helemaal niet. Als dit werkelijkheid wordt, zul je toch de Heere niet kunnen loslaten, dan zul je toch naar Hem gaan roepen, hoewel je niet weet hoe je Hem vinden moet.

Want onze zonden staan in de weg en dat zul je dan wel gaan ontdekken door het licht van de Heilige Geest. Maar het wonder is nu juist dat er Een gekomen is om Middelaar te zijn tussen de Heere en zulk een zondaar. Om de zonde weg te nemen en de kloof te overbruggen. Om als onwaardigen en vloekwaardigen Hem te leren kennen door het geloof, daartoe is het onderwijs van de Heilige Geest ook weer nodig en dat geeft Hij door middel van het Woord.

Waar de Heere deze dingen in het hart gaat werken, daar gaan wij met al onze zonden, die we gaan zien in het licht van Gods wet, en met al onze onwaardigheid, toch Hem aanroepen. Dan gaan we leren dat we vroeger nog nooit (echt) gebeden hebben; dat we met onze daden duidelijk gemaakt hebben, dat we Hem niet zochten.

Zo leren we persoonlijk de waarheid: er is niemand die God zoekt. En als de Heere in je leven komt door Zijn Geest en Woord, kom je er wel achter dat dit niet alleen in je vroegere leven de waarheid was, maar dat dit ook nu maar al te waar is. Iemand die door de Heere bekeerd wordt, komt er met smart achter: ik ben geen Godzoeker, wel een wegloper. Zo iemand leert dat het alleen door de Heilige Geest is als iemand naar God vraagt.

Maar dat werkt de Heilige Geest dan ook. Dat is een van de kenmerken van het zaligmakende werk van Woord en Geest: Hem zoeken. Hem niet los kunnen laten. Hem nodig hebben. Zo wordt ook het woord waar: die zullen Hem vinden, die zullen zalig worden. Het is vanwege onze doodstaat maar al te waar, dat niemand oprecht naar de Heere zoekt, tenzij hij door de Heere Zelf zoekende gemaakt is. En zulken zullen zeker vinden.

Niet redeneren
Anderzijds ontslaat ons dit niet van onze plicht. Want God heeft ons goed geschapen. Toen konden wij Hem liefhebben, maar door de zonde(val) niet meer. Toch blijft Zijn eis dat we Hem dienen zullen. En deze roepstem komt door het Evangelie nog indringerder tot ons.

Een mens van nature bidt niet oprecht. Dat is waar. En toch wijst de Heere juist onbekeerde mensen op hun plicht. Lees maar wat de Heere zegt tegen Kaïn (Gen. 4:7), of tegen Simon de tovenaar (Hand. 8:22), en tegen ons allen (Jes. 55:6, 7, Spr. 9 enz.). We moeten bij deze vragen niet zoveel redeneren.

Er is enerzijds de Goddelijke verkiezing en anderzijds de verantwoordelijkheid van de mens. Het zijn twee lijnen die wij niet bij elkaar kunnen brengen. Pas in de eeuwigheid zullen Gods kinderen ook dit verstaan. Lees in verband met deze dingen maar eens de Dordtse Leerregels, bij voorbeeld hoofdstuk II, de paragrafen 5 tot en met 8.

Het gaat er niet om dat de leer van de kerk, de dogmatiek klopt met ons verstand, maar de leer moet overeenkomen met de Bijbel. Het gaat er niet om dat wij deze dingen begrijpen, maar het gaat erom dat wij ze geloven.

Zo spreekt de Heere
Wij hebben geen begripsleer, maar een geloofsleer. Het gaat er niet om wat mensen ervan zeggen, ook niet of de mens van 1992 het er mee eens kan zijn: het gaat erom wat de Bijbel ervan zegt. Daar hebben we naar te luisteren.

Daarom moet je niet ten laatste zeggen: dat begrijp ik niet of: dat klopt toch niet of: ja maar daar staat weer iets wat in tegenspraak lijkt. We moeten ten laatste zeggen: zo staat het in de Bijbel; zo spreekt de Heere. Als de Heere in ons leven komt, worden onze vragen zo anders. Dan krijgt Hij het voor het zeggen, en gaan wij naar Hem vragen: „Heere, onderricht Gij mij."

Weegt ook voor jullie reeds de vraag: „Mijn ziel doorziet ge wel uw lot, hoe zult ge rechtvaardig verschijnen voor God?" Op de jongste dag zal de vraag niet zijn: heb je het begrepen, maar: heb je het geloofd. Het zal erover gaan: hoe was je leven; heb je de zonde gezocht en vastgehouden, jezelf gehandhaafd, of heb je de zonde leren zien en verlaten.

Want als we niet gewild zullen hebben dat Hij Koning over ons zou zijn, zal de straf vreselijk zijn.

Post scriptum
P.S. a) Ik hoop dat jullie niet zeggen: dit is geen antwoord op de vraag, maar slechts een toepasselijke verklaring. We mogen namelijk èn in onze vraagstelling èn in onze antwoorden niet de mens en het ongeloof het laatste woord geven, maar de Bijbel. Want niet de vragende mens regeert over het Woord, maar het Woord regeert over de vragende, zelfs over de ongelovige mens.
b) Over bepaalde vragen kun je beter niet te zeer doordenken. Bij voorbeeld nadenken over de vraag: „Mag je wel gaan trouwen? Want misschien verongeluk je een van beiden wel na een halfjaar." Zo'n vraag onder ogen zien heeft maar vanuit één oogpunt zin: Ben ik dan bereid?

Maar vanwege zo'n vraag moet je je huwelijk niet laten! Hopelijk voel je het doel van dit voorbeeld aan, ook in verband met bovengenoemde punten. Vragen moeten eigenlijk een positief doel dienen, en dat geldt zeker van de antwoorden.
Ds. P. Mulder

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.