+ Meer informatie

TER OVERWEGING

9 minuten leestijd

Concordantie op de Bijbel in de Nieuwe Vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap. 1536 blz. f. 95,-. Uitg. Kok, Kampen 1983.

Trommius is onvervangbaar. Ik stel dat heel eerlijk voorop, als ik dit werk met grote erkentelijkheid bij de lezer introduceer. De Nieuwe Vertaling vraagt echter om een „eigen” concordantie. Die ligt hier nu zowel voor Oud als voor Nieuw Testament voor ons. Aan de publikatie van dit dikke, en goed uitgevoerde boek is een hele geschiedenis voorafgegaan. Gedeelten ervan zijn reeds gepubliceerd. Het Nieuwe Testament in 1954, tweede druk 1974; voor het Oude Testament de letters A-K, in 1965. De Woorden Vooraf van die uitgaven zijn ook hier opgenomen, aangevuld met een Woord Vooraf van de supervisor (drs. W. van der Meer) van de uitgave van Oude Testament deel II (letters L-Z). Aan dit alles gaat vooraf een Inleiding van de uitgever. Vooral de aanwijzing voor de gebruiker op blz. 11 en 12 is onmisbaar voor een nuttig gebruik van het werk.

Men vindt hier „alle zelfstandige naamwoorden, alle bijvoeglijke naamwoorden, alle zelfstandige werkwoorden, vrijwel alle bijwoorden, de voornaamste onbepaalde hoofdtelwoorden en voornaamwoorden en voorts die woorden, welke voor het zoeken van een bepaalde Schriftplaats van waarde kunnen zijn”.

Men ziet dus: wel enig verschil met Trommius. Dit is uitvoeriger en daarin meer volledig. Een verschil is ook dat de gegevens met betrekking tot het Nieuwe Testament apart vermeld zijn (blz. 11231468). Die onderscheiding geldt ook voor de vermelding van het Naamregister, helemaal achterin. Achter het samenstellen van dit boek zit een onvoorstelbare hoeveelheid werk. Men kan zich er alleen maar over verbazen dat het boek in prachtige band uitgegeven niet meer dan 95 gulden kost.

Ik heb reeds met profijt van dit boek gebruik gemaakt. In de loop van de tijd zal blijken of het zo volledig is, als redactie en uitgever het voorstellen. In elk geval is ook deze concordantie onmisbaar voor ieder die tekst met tekst wil vergelijken en parallelle teksten wil opzoeken. Iedere trouwe bijbellezer zal dat toch willen. Het is de moeite waard enkele boekenbonnen op te sparen om zich dit werk te kunnen aanschaffen. Dankbaarheid vervult me dat zulke hulpmiddelen voor bestudering van de Bijbel ter beschikking staan. Het is een aanschaf voor het leven.

Bijbels Handboek, Het Oude Testament I la, onder redactie van dr. M.J. Mulder, dr. B.J. Oosterhoff, dr. J. Reiling, dr. H.N. Ridderbos, dr. W.C. van Unnik en dr. A.S. van der Woude, hoofdredacteur. 451 blz., f. 82,50.

Dit tweede deel is even voornaam uitgegeven als het reeds besproken eerste deel. De hoogleraren Mulder (Leiden) en Van der Woude (Groningen) beschrijven „de geschiedenis van het volk Israël en zijn godsdienst tot de tijd van Alexander de Grote, een proeve” (blz. 7 - 171). Dr. Brongers (Utrecht) behandelt „de literatuur van het Oude Testament” (blz. 172 - 278).

Onder het opschrift: „De Geschriften van het Oude Testament” behandelt dr. Houtman (VU, Amsterdam) de Pentateuch (blz. 279 - 335), dr. Grosheide (Kampen, overleden) „de historische boeken” (blz. 336 - 361), onze prof. Oosterhoff „de boeken der Schriftprofeten” (blz. 362 - 427), prof. Van der Ploeg (Nijmegen) „De geschriften” (blz. 428 - 451).

Men ziet, heel het Oude Testament komt aan de orde. Zo ook de geschiedenis van het volk Israël, die daarin verhaald wordt.

Het feit dat hoofdstuk I de ondertitel krijgt van een proeve, betekent dat er niet zo heel veel vaststaat. Er wordt weinig zekerheid gevonden met betrekking tot de historische overlevering. Dat hangt er mee samen dat de oudtestamentische geschriften als geloofsgetuigenissen van het volk Israël gezien worden. Opvallend dat wel van de geschiedenis van Israels godsdienst gesproken wordt, maar niet van de geschiedenis der Godsopenbaring. Deze notie lijkt mij in de eerste twee hoofdstukken te ontbreken! Dr. Houtman geeft een samenvatting van een door hem eerder gepubliceerd omvangrijk boek. Prof. Oosterhoff noemt Jesaja 7 : 14 (de Immanuel profetie) „later messiaans geinterpreteerd” (blz. 371); ook al slaat deze tekst allereerst op een gebeurtenis in de tijd van het Oude Testament, is dan de messiaanse meerwaarde uitgesloten? We stuiten hier opeen lang bestaand en veelbesproken probleem.

De literatuuropgaven zijn breed, behalve in de laatste bijdrage. De vergelijking van die bij Prediker met literatuur die prof. Rothuizen in zijn pas verschenen boek noemt, valt ten gunste van de laatste uit, ofschoon hij geen oudtestamenticus is.

Het hoofdstuk van dr. Brongers is doortrokken van termen als mythen, sagen en legenden.

Het boek biedt veel informatie over standpunten van onderzoekers. Lang niet altijd wordt door de scribent een keus gedaan. Ik denk aan de vier mogelijkheden om het boek Jona te verstaan. De lezer moet dan zelf maar zien hoe hij er uit komt. Wie het eerste hoofdstuk in al zijn onzekerheid voor juist houdt, zou de moed verliezen om over verschillende historische gedeelten van het Oude Testament te preken. Duidelijk is dat er tussen de auteurs van dit boek onderling tamelijk grote verschillen zijn. Vanwege het schriftkritische standpunt in de eerste hoofdstukken, heb ik met dit boek nogal wat moeite. Het geeft een schat van informatie, maar de juiste maatstaf om deze informatie te beoordelen ontbreekt, met name bij de stukken van Mulder en Brongers. Dat betreur ik bij een zo voornaam boek als dit in zijn verschijnvorm blijkt te zijn. Zou het wel aan het doel beantwoorden, namelijk studenten en belangstellenden duidelijk een weg te wijzen? Dat is toch wat van een handboek verwacht mag worden !

J. Douma, Euthanasie. 72 blz., f. 12,75, 3e druk. Uitg. De Vuurbaak, Groningen.

Met genoegen kondig ik de derde druk van deze oorspronkelijk als rectorale rede gepubliceerde studie aan. De inhoud is in principe dezelfde als die van de eerste druk. Door bewerking is de opzet anders geworden. Er staan nu veel meer noten in, terwijl de tekst zelf niet meer door grote stukken in kleine letters wordt onderbroken. Deze opzet acht ik een verbetering. Wel moet gezegd worden dat in de literatuurlijst geen publikaties van na 1973 zijn opgenomen. Uit de noten krijgt men evenmin de indruk dat er recente literatuur is toegevoegd. Er zijn wel enkele zakelijke aanvullingen gegeven. Douma neemt een weloverwogen en evenwichtig standpunt in, waarin ik mij kan vinden. Men name de afwijzing van het gebruik van de term passieve euthanasie en de opmerkingen daaromheen acht ik belangrijk. De uitgave ziet er fris uit.

B.J. Zijl, Kanttekeningen bij de reageerbuisbaby, met een vraaggesprek met ds. A. Bac. 31 blz., f. 4,80. Uitgeverij Stark, Texel.

Dit is een kleine brochure van de voorlichter van de Vereniging tot Bescherming van het Ongeboren Kind. Hij schrijft voor eigen verantwoordelijkheid over het in de titel gestelde probleem. We krijgen de indruk dat het boekje wat snel is samengesteld. Het is alleen voorzien van kopjes, die niet in een overzicht zijn terug te vinden. Al bladerend moet men dus maar zien wat aan de orde komt.

Zijl gaat in op het bewust ongehuwd ouderschap (zowel van vrouwen als van mannen). De schrijver zegt hier neen tegen. Hij verwijt de voorstanders een narcistische levenshouding: Ze denken alleen aan zichzelf, niet aan hun kind. Zo staan er nog wel meer boute uitspraken in dit boekje. De methode Craft, waarbij een eicel uit het ovarium wordt gehaald en voor bevruchting in de baarmoederholte wordt gebracht, wijst de schrijver eveneens af. Het is voor mij de vraag of deze afwijzing terecht is. Men kan deze „methode” niet zonder meer gelijkstellen met een bevruchting in een reageerbuis. Hier blijft de moederschoot de plaats waar de conceptie plaats vindt. Het gesprek met ds. Bac draagt een pastoraal karakter. Er zitten in dit boekje punten die de overweging verdienen. Niettemin ware het beter geweest de stof wat te laten rijpen om dan in een wat uitgebreider publikatie een wat meer afgewogen en ook breder onderbouwd standpunt op papier te zetten. Ik wil niet negatief eindigen. Wie een eerste oriëntatie wil verrichten, vindt hier het een en ander bij elkaar gebracht dat van betekenis blijft.

Dr. J.C. Schreuder, De strenge, bittere dood. Overwegingen over pastoraal omgaan met mensen in de schaduw van ziekte, dood en verdriet. 128 blz., f. 17,90, nr. 49 in de serie Praktisch Theologische Handboeken. Uitg. Boekencentrum, ’s-Gravenhage 1983.

Laat ik voorop stellen dat de prijs voor dit instruerend boek(je) niet hoog is. Het verschijnt in een serie „Handboeken”. Deze titel kan aan tal van publikaties uit de reeks, en ook aan dit deel, niet gegeven worden. Een handboek doet meer verwachten dan de schrijfster zelf in alle bescheidenheid over haar eigen boek zegt. Twee hoofdstukken zijn in andere vorm elders reeds gepubliceerd, namelijk II „Notities over pastoraat in een verpleeghuis” en III „Pastoraal omgaan met stervenden”. Daarnaast treffen we de volgende hoofdstukken aan: I „Over ziek zijn”. IV „Kanttekeningen over verdriet en rouw”. V „De vraag naar het waarom? Een eenzijdige kijk op het lijden”. VI „De vertolking van de hoop”. VII „Wat beleeft de pastor zelf in dit pastoraat?” VIII „Verantwoording”, een kort hoofdstuk waarin de theologische verantwoording, die zij in haar openbare les in 1973 gaf, in nauwe aansluiting bij de theologie van Moltmann, wordt herhaald. Dit is een sympathiek boek. In elk hoofdstuk worden voorbeelden uitvoerig beschreven. Dat maakt het levensecht en brengt de lezer dicht bij de mensen die in de ondertitel worden genoemd. Plezierig is ook het niet voorschrijven van allerlei wetten en regels. De pastor moet op de situatie inventief en existentieel reageren. Predikanten, studenten, pastorale werkers kunnen veel uit dit pastoraal getoonzette boek leren. Toch kunnen we het niet bij deze waardering laten. De theologische basis van het boek roept bij ons nogal wat weerstand op. Ik heb moeite met de uitspraak dat het voornaamste geschenk dat de pastor te bieden heeft, zijn toenemende beschikbaarheid is (blz. 46). We zouden op noodzaak en zegen van die beschikbaarheid niet willen afdingen. Tegelijk zeggen we: De pastor moet meer bieden en heeft meer te bieden dan zijn eigen beschikbaarheid. Pastoraat is naar onze overtuiging een (zeer specifieke) vorm van dienst aan het Woord. Daarin ligt de kracht en de zegen van de pastor! Evenveel moeite hebben we met het feit dat de schrijfster instemming betuigt met de uitspraak van Rothuizen, dat de dood een schandaal is, evenzo het lijden als voorloper van de dood (blz. 42). Wat verbeeldt de mens zich dat hij dit zo maar even tegen God zegt. Zit mijn moeite vast op mijn Godsbeeld, of op mijn bezwaar tegen het mensbeeld van de schrijfster? Zij doet mij de eer aan opeen van mijn publikaties in te gaan. Zij situeert mij „gevaarlijk in de buurt van dat bedenkelijke Godsbeeld, dat „nauwelijks stuk te krijgen is”. - Misschien ook niet in ons zelf?” (blz. 72). Mijn moeite geldt haar inzet bij het mensbeeld, waarnaar zij zich haar Godsbeeld vormt. Hier sluit ik af. Een boek dat ik stellig meermalen ter hand zal nemen, zij het met „gemengde” gevoelens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.