+ Meer informatie

HET UNIEKE VAN HET CHRISTELIJK GELOOF IN DE DIALOOG OF HET GETUIGENIS NAAR ANDEREN

14 minuten leestijd

Inleiding

De vraag naar het unieke van het christelijk geloof temidden van andere godsdiensten en levensovertuigingen kan niet beantwoord worden op een algemene, theoretische manier. Altijd zal het antwoord verraden, wat de persoonlijke overtuiging is van degene die het antwoord geeft. Maar niet pas het antwoord is persoonlijk gekleurd - ook reeds de vraag. Wie naar het unieke van het christelijk geloof vraagt, kan dat doen vanuit een overtuigd christenzijn, van binnenuit dus, maar ook als ‘buitenstaander’, als afstandelijk analyserende wetenschapper. Bovendien maken we als mensen deel uit van de tijd waarin we leven, en de vraag is dus hoe de cultuur waar we deel van uitmaken tegenover de waarheidsvraag Staat. Is ‘waarheid’ iets dat wij maken of overstijgt die ons? Gaan we er van uit dat de waarheid van een religieuze overtuiging moet blijken in de kracht die zij biedt om er gestalte aan te geven? Als wij vandaag de vraag naar het eigene en unieke van het christelijk geloof stellen, doen we er goed aan ons te realiseren dat in onze contreien inmiddels de heersende stemming is dat die hele gedachte van een waarheid, die je aan anderen als volstrekt betrouwbaar en ons hele leven dragend kunt voorhouden, heeft afgedaan …

Daarmee heb ik een heel complex van vragen aangestipt. Ik stel me voor daar op de volgende manier mee om te gaan. Ik begin met enkele fundamentele trekken uit het denken over deze vragen in de laatste eeuwen aan te stippen. Vervolgens ga ik na voor welke uitdaging de huidige situatie ons plaatst. Tenslotte duid ik aan in welk opzicht het christelijk geloof zich juist vandaag onderscheidt van andere religieuze overtuigingen, en poog iets aan te reiken dat helpen kan om in de situatie van vandaag rekenschap af te leggen van de hoop die in ons is.

Geen woorden, maar daden

Ik ga om te beginnen zo’n twee en een halve eeuw terug, naar de tijd van de verlichting. Die is niet begonnen met een ondubbelzinnige afwijzing van het christelijk geloof, maar met een keuze voor een heel bepaalde meetlat, die men tegen het geloof aanlegde. De meetlat was die van de ethiek: maakt het christelijk geloof betere mensen van ons? Als die vraag niet bevestigend beantwoord kon worden, was het oordeel geveld: zo’n geloof verdient het niet aangehangen en beleden te worden. Het christelijk geloof moest er uitspringen door de hoogstaandheid van de normen - in ieder geval die van Jezus - of het zou niet kunnen bestaan voor het forum van de verlichte mensheid.

Nu kwam die nieuwe invalshoek - bij het moreel hoogstaande van het christelijk geloof - niet uit de lucht vallen. Wij kunnen ons nauwelijks meer indenken wat een onvoorstelbare crisis de godsdienstoorlogen in het West-Europa van de zestiende en de zeventiende eeuw hebben teweeggebracht. Een derde deel van de bevolking overleefde de schermutselingen niet die in naam van de drieënige God werden gevoerd! Hadden die godsdienstoorlogen niet bewezen, dat de ‘leer’ ons alleen maar hete hoofden en koude harten kan opleveren?! Kan dan niet beter het ‘leven’ vooropgaan en het criterium voor waarheid zijn?

In de achttiende eeuw schrijft de verlichte denker G.E. Lessing een toneelstuk: ‘Nathan de wijze’. Nathan is een rijke jood, die in Jeruzalem woont ten tijde van de kruistochten, als joden, christenen en moslims elkaar ontmoeten in godsdienstige strijd, die met wapens wordt uitgevochten! De sultan Salah ed Din, die in de twaalfde eeuw Jeruzalem heroverde op de kruisvaarders, speelt in het stuk ook een belangrijke rol, als de vorst Saladin. In hoeverre de naam van Nathan bewust wil herinneren aan de profeet uit de dagen van David, vermeldt Lessing niet. In ieder geval is Nathan hier niet de man, die in Gods Naam optreedt en de waarheid Gods verkondigt. Een beroep op openbaring, die met gezag spreekt, wordt in de Verlichting niet op prijs gesteld. Nathan is de wijze, die raad geeft. Dat mag wel. Een wijze is immers iemand die alles heeft gezien, en het leven kent en weet wat een goede, begaanbare weg is. Hij beroept zich niet op iets als openbaring, maar kan en wil enkel overtuigen.

Kern van het toneelstuk is de ‘fabel van de drie ringen’. Kort gezegd komt die er op neer, dat een vader één ring heeft met een steen erin, die de sleutel is tot een goed leven, maar hij heeft drie zoons. Aan wie van de drie zoons zal hij die ring geven? Ze zijn hem immers even dierbaar?! Het is niet moeilijk te raden, waarop deze fabel betrekking heeft. De vader is God, de drie zonen zijn jodendom, Christendom en islam, en de ring is de ware godsdienst.

Wat zal de oplossing zijn die de vader kiest? Hij laat er twee ringen bij maken, en geeft alle drie zonen ieder een ring. Welke is de ware ring, de sleutel tot een moreel hoogstaand leven, tot een humane, rechtvaardige samenleving? Lessing geeft zelf het antwoord niet. Het zal in de praktijk moeten blijken. Welke ring de ware is, zul je nooit weten als je er niet mee werkt. Wat de meest hoogstaande religie zal moeten blijken in de ‘van alle vooroordelen vrije liefde’ die zij in haar aanhangers bewerkt, en dàt zal dan de ware religie zijn … De mogelijkheid bestaat echter - aldus het toneelstuk - dat géén van de ringen de ware is. Als de grote wereldgodsdiensten er alleen maar toe leiden dat de aanhangers ervan met zichzelf bezig zijn, en zichzelf liefhebben, dan moeten we vrezen dat de echte ring verloren is gegaan en zijn de aanhangers van de grote wereldreligies zelf stuk voor stuk ‘bedrogen bedriegers’!

Dat toneelstuk verscheen goed twee eeuwen geleden (1779). Heel openlijk wordt aan het christelijk geloof een maatstaf opgelegd, die bijbelse elementen bevat, maar in de kern de boodschap van de rechtvaardiging van de zondaar alleen uit genade weerspreekt. Maar de bijbelse elementen erin maken het de christenen knap lastig! Is het niet zonder meer waar dat een christen-zijn, dat niet uitkomt in heiliging van het leven, - met de woorden van de apostel Jacobus - waardeloos is? Legt men in de Verlichting niet terecht de vinger bij een laksheid van de christenheid, die de heiliging op een laag pitje zet? Ook de geschiedenis spreekt duchtig mee in Lessings toneelstuk: Vormen de kruistochten niet een zwarte bladzijde in de geschiedenis van het Christendom?

Hoe zeer de heiliging ook een bijbels element is - we zullen er ernst mee moeten maken! - toch is het kader waarin de Verlichting erover dacht een Saulsharnas, waarin de bijbelse boodschap zich niet kan ontplooien … Dàt hebben de eeuwen die erop volgden ook wel laten zien. Een christenheid die de eigen morele inzichten en mogelijkheden centraal stelde, moest door schade en schande erkennen dat zij voor een buitenstaander niet de ‘ware ring’ bezat. En de geschiedenis van deze eeuw heeft laten zien hoe in naam van het ‘echte leven’ met grote felheid ook de laatste resten van het bijbelse ethos uitgeloogd moesten worden!

Wat is waarheid?

Inmiddels zijn we in een heel andere situatie beland. De vraag is niet langer aan de orde welke ring de ware is, maar óf er wel een ‘ware ring’ is. We zagen al, dat die mogelijkheid nadrukkelijk werd opengehouden in het toneelstuk van Lessing. Vandaag gaat men er in brede kring zonder meer van uit, dat geen van de wereldgodsdiensten er aanspraak op kan maken de ‘ware godsdienst’ te zijn.

Een ander beeld dan dat van de drie ringen dringt zich op. Nu zien velen de verschillende wereldreligies als evenzovele vertakkingen vanuit één bron, die ook weer uitmonden in één grote zee. Maar ze lopen naast elkaar, en de bedding en de oevers verschillen soms sterk van elkaar. Dat moet je vooral respecteren, en je doet er goed aan je erin te verdiepen, want dat kan alleen maar verrijkend zijn. Zo’n vijftien jaar geleden verscheen een geruchtmakend boek van Paul F. Knitter: ‘Geen andere Naam?’; de ondertitel beloofde een kritische bespreking van de christelijke omgang met de wereldreligies. We moeten volgens Knitter afzien van aanspraken op exclusiviteit, zoals die in de Schrift te horen zijn. Daarmee bedoelt hij teksten als Johannes 14,6 en Handelingen 4,12, die aangeven dat er alleen door het geloof in Christus behoud is. We moeten zulke teksten volgens Knitter anders interpreteren: de kleine christenheid van de eerste eeuw heeft inderdaad gesteld dat God exclusief in Christus gehandeld had, maar ze moest dat wel zeggen om tenminste vast te kunnen houden dat God wèrkelijk in Christus heil had bereid. Wij weten volgens Knitter inmiddels dat er wel degelijk andere ‘namen’ -godsdiensten - zijn, waarin mensen behoud kunnen vinden!

Bij een dergelijke benadering verdwijnt de hartstocht uit de discussie over de waarheid van de religies. Toen de vraag nog die naar de hoogste zedelijke normen was, kon en moest er een onderlinge strijd geleverd worden. Maar als de verschillende grote godsdiensten toch parallelle stromen met een gemeenschappelijke oorsprong en doel zijn -wat zul je je dan opwinden? Opvallend is overigens wel dat men ineens fel wordt als jij toch opkomt voor de waarheid van de bijbelse boodschap, dat alleen in Christus heil is…

De vraag naar beleving

Deze benadering van de waarheidsvraag tussen de grote godsdiensten en levensovertuigingen heeft een brede uitstraling, en is een uiting van wat in onze cultuur speelt. De vraag naar de ervaring, de beleving staat nu centraal. Misschien - of zelfs waarschijnlijk -is er geen waarheid, en wat dan rest is ofwel uit het leven te halen wat erin zit - genieten dus waar je kunt -, ofwel zoeken naar zin. In beide gevallen neemt men radicaal afstand van de bevlogen idealen van vorige generaties. Nee, ‘waarheid’ is hooguit jouw waarheid. ‘Fijn voor u, dat u dat kunt geloven.’ ‘Ik hoop, dat u er wat aan hebt!’ Alle geloof wordt daarmee teruggebracht tot ‘wat je eraan hebt’.

Dit alles gaat aan de kerk niet voorbij. We moeten op ervaringen inspelen, in de preek minstens een paar ervaringsverhalen stoppen, en vooral niet meer de vraag stellen of een bepaalde diepe of grootse ervaring ook een doodlopend slop kan zijn. Hoe zou je durven - zo uit de zoektocht van de mens naar echtheid, authenticiteit weg te springen? Wie ben jij eigenlijk? Wat verbeeld je je wel?

Ondanks alles ontwaar ik ook hier een bijbels element, maar het is weer losgemaakt uit de verbanden waarin het in de Schrift functioneert. De vraag naar ‘beleving’ heeft recht van spreken. Een mens leeft niet van ethiek alleen - je wordt er doodmoe van, en bovendien moet je voortdurend ontkennen wat niet te ontkennen valt: dat je zo hoogstaand niet bent als je jezelf voorspiegelt. De mens, die niet meer heeft dan zijn geloof in zichzelf, ontdekt dat hij zichzelf een wet heeft opgelegd, doe hem voortjaagt en afmat. Hij gaat verlangen naar rust, hij wil nu eerst tot zichzelf komen, hij wil mogen zijn wie hij is. Zo gaat hij voort in het spoor, dat de Verlichting heeft uitgezet: zonder Hern, die van Godswege ons is geworden tot wijsheid, rechtvaardiging, heiliging en verlossing.

Het bijbelse element in de moderne geestelijke situatie mag ons er niet de ogen voor doen sluiten dat het geheel getoonzet is in een stelselmatige ontkenning van het recht de waarheidsvraag te stellen. ‘Het is mijn beleving - waag het niet er iets van te zeggen!’ En toch. Zelfs daar zit een waarheidselement in. Gaat God niet met ieder mens zijn eigen weg? Maakt de belijdenis van de rechtvaardiging in Christus alleen ons niet bescheiden? We hebben de waarheid toch niet in pacht?! Zeker, maar de ootmoed van het leven van Gods genade is van een gans andere orde als een religieus relativisme!

De uitdaging

Er zit in de huidige situatie dus een geweidige uitdaging. Nee, er zit van zichzelf niet een spier openheid naar het hart van het christelijk geloof in. Maar de nieuwe manier van in het leven staan stelt voor vragen, brengt de mens van vandaag uit balans, aan het denken, in een crisis misschien - en die nieuwe situatie biedt een mogelijkheid de kracht en waarheid van het christelijk geloof ter sprake te brengen.

Hoe? Nu, we moeten niet komen met een benadering van gisteren. Als Paulus op de Areopagus staat, is hij geïnteresseerd in de mensen die hij voor zich heeft. Hij valt niet terug op een theorie, hij spreekt de mensen die hij vóór zich ziet aan. Wie de Bijbel leest ontdekt dat het Woord van God werkelijk ingaat op wat er speelt in de levens van de mensen die de eerst-aangesprokenen zijn.

De vraag naar de uniciteit van het christelijk geloof - dat is de uitdaging van vandaag -kan niet beargumenteerd worden vanuit een gedeelde overtuiging in onze cultuur. De basis voor een dergelijke onderneming is weggevaagd. Ik zie nog geen tekenen dat die in een nieuwe vorm terugkeert.

Een gemeenschappelijk vertrekpunt mag er dan niet zijn, maar de problematiek van onze tijd is herkenbaar. Het is iets wat we in de bijbel ook tegenkomen - de moreel hoogstaande farizeeërs die vastlopen, die zich verkijken op zichzelf, maar die dan ook volgens Handelingen in niet geringe getale zich laten vinden door de levende Christus. Het is ook een Augustinus, de schuinsmarcheerder en zoeker, die belijdt dat ons hart onrustig blijft tot het rust vindt in God.

Wie de bijbel met een gelovig hart leest, herkent de ontwikkeling van de laatste eeuwen. Nee, niet vanuit een zelfverzekerdheid, maar met mededogen en schaamte. Schaamte, omdat de christenheid er - ook in onze eeuw! - aan heeft bijgedragen, dat mensen voor ‘leer’ niet veel respect hebben. Mededogen, als je zelf weet - uit openbaring en ervaring - hoe wanhopig het leven is, als je niet in de ontmoeting met Christus door de Heilige Geest een mens wordt die zich niet langer verstopf voor God en zichzelf maar wat voorspiegelt.

Zo doet de wereld van de godsdiensten zich aan ons voor als een markt vol mogelijkheden. Argumenten overtuigen niet, de ‘grote verhalen’ hebben afgedaan. Er zijn alleen maar kleine brokken waarheid …

Het unieke van het christelijk geloof

Tenslotte de vraag waar het om gaat: Waarin onderscheidt het christelijk geloof zich vandaag van andere religieuze overtuigingen? Nu, er is veel dat de wereldreligies gemeenschappelijk hebben, en er is ook het nodige dat hen scheidt. Ik zie niet veel in een balansopname, waarin de dingen op een rij gezet worden en sterke en zwakke punten naast elkaar worden gezet. Daarvoor moet men immers onbevooroordeeld zijn - en wie is dat? Men heeft wel een parallel aangewezen tussen het protestantse sola gratia en de amida-boeddha-cultus of het zen-boeddhisme. Ook daar gaat het om genade en geloof. Is dat niet opvallend?

Zeker, maar het unieke van het christelijk geloof zit niet in de overtuigingen en geloofsinhouden als zodanig, maar in de werkelijkheid van Gods handelen waarop het geloof zich rieht. Dat handelen is uniek. Het wordt gekenmerkt door genadige verkiezing, en door een rijkdom aan barmhartigheid die zijn weerga niet heeft.

Het christelijk geloof heeft het westerse denken diep be?nvloed en gevormd. Maar het is niet allereerst een geheel van geloofsinzichten, maar een werkelijkheid: Christus werkt door zijn Geest. Het christelijk geloof is in zijn kern de boodschap dat God in Christus van buiten af de ervaringswereld van mensen is binnengekomen, om hen te doen delen in wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen: wat Hij in Christus heeft bereid voor wie Hern liefhebben.

Een christelijk geloof dat we onszelf en anderen aanpraten - wint misschien een concurrentieslag, maar verliest de oorlog. Zo’n Christendom gaat aan de kern voorbij: dat niet wij Gód vasthouden, maar Hij òns zoekt, aanspreekt, troost, vermaant, oordeelt, terechtbrengt.

Op een oud boekje van prof. Verkuyl over het christelijk geloof temidden van de wereldgodsdiensten Staat een tekening op de omslag. Er wijzen allemaal pijlen uit diverse hoeken omhoog. Ze staan model voor het zoeken van de mens in de verschillende godsdiensten. Maar er loopt één pijl van boven naar beneden. Dat is niet het Christendom, als godsdienst, maar de beweging van Gods ontferming in Christus.

Met die boodschap is Paulus in Athene de Areopagus - het centrum van de wereld van de denkers van zijn tijd - opgegaan, en met die boodschap durfde hij ook in Rome aan te komen. Als hij in gedachten daar op de markt staat en ziet wat zich allemaal als godsdienst, verlossingsleer, levensbeschouwing en dergelijke aandient, schaamt hij zich niet voor het Evangelie. Want alleen Gods komen in Christus, en vandaag in Woord en Geest, is een kracht tot behoud. Toen - en anno 2000 is het niet anders.

Het unieke van het christelijk geloof is dat het over een waarheid gaat, die leeft, die Christus heet, en daarom niet alleen waarheid, maar ook weg en leven is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.