+ Meer informatie

Uit een brief van Dr. H. F. Kohlbrugge

5 minuten leestijd

Deze brief is van 12 maart 1844. We nemen over het gedeelte, dat we vinden in een aanhangsel achter zijn preek over Romeinen 7 : 14: Want wij weten, dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde; opgenomen in het eerste twaalftal leerredenen, thans opnieuw uitgegeven bij T. Wever te Franeker. Kohlbrugge schrijft het volgende:

„In het jaar 1826 had ik, die nooit enig idee van bekering, Gods volk of iets van die aard gehad had, in een allerdiepste weg en in benauwdheid der helle de Bijbel v6or mij; en in een punt des tijds schoot in mijn hart, dat ik niet beschrijven kan — het was sneller dan de bliksem, en de ferveur kan ik ook niet uitspreken, maar in die ferveur (gemoedsaandoening B) heb ik toen gehoord en gelezen de woorden, die gij Jes. 54 : 7-10 leest: „Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten, maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen. In een kleine toorn heb Ik Mijn aangezicht verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de Heere, uw Verlosser. Want dat zal Mij zijnals de wateren Noachs, toen Ik zwoer, dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer”. Een wolk van diepe vrede was in mij en om mij heen, en al mijn zonden waren van mij af. Ik sprak toen dadelijk zulk een spkak, dat de oudste vromen mij voor zeer oud in de genade hielden, — zo is het voortgegaan. Ik wies en nam toe boven anderen in de wet, en alien, die mij gekend hebben, zullen getuigen, dat ik hun of gelijk of te boven was, en velen namen zelfs aanstoot aan zo veel heiligheid als ik voorstond, en nog meer daaraan, dat ik ze zo konsekwent doorzette en beoefende. Dit heeft zo geduurd tot 1833; na die tijd kwam er een keer in mijn leven, en rees bij mij de vraag: „Waarom is het mij dan zo?” Ik ben toen in een weg gekomen, waarin het mij nog verwondert, dat ik niet vergaan ben. DeopenbaringenGodsenChristi vermenigvuldigden en herhaalden zich alle morgen, eer de nacht voorbij was, en tot twee malen ben ik er toen nog weer uitgekomen als bij een oorlapje uit de muil des satans. Bij de eerste keer had ik Rom. 7 : 14; bij de tweede: „gij zijt om niet verkocht, gij zult ook om niet verlost worden”.

Bij de eerste maal werd mij Gods gerechtigheid geopenbaard, bij de tweede maal leed mijn gerechtigheid totale schipbreuk......

Lang heb ik volgehouden om met de wet in eigen hand tot de volkomenheid te geraken, en ten bloede toe te strijden; maar ik zonk er daarbij steeds dicper in, en waar ik niet dieper kon, maar ver beneden de duivel verzonken lag, daar in mijn radeloosheid en verlorenheid is mij de Heere ontmoet en heeft mij gezegd: "Zo als gij zijt, zijt gij Mij heilig, niets daar af, niets daar toe!”

Dat was mij onverwacht! Dat was in mijn gedachten niet opgekomen. Ik zag een Lam ter rechterhand der Heerlijkheid. Daar heb ik afstand gedaan van wet, van heiligheid, van mijn weten van goed en kwaad, van mijn wedergeboren, bekeerd, vroom-zijn, van mijn God-kennen, God-beschouwen, van alle Godsvrucht, van alles wat vlees heeft, geeft en werkt, en nu is mijn enig heil in de hoogte en in de diepte: „Met ons God”. Dat is mijn eeuwige vreugde, vrede, leven, gelukzaligheid, evangelie, wet en gebed, al het andere achtik, gelijk mijzelf, stof en niets. Die gelofte heb ik aan de Heere gedaan, dat, zo Hij er mij uithaalde, ik alien, die het horen willen, zou leren en verkondigen, dat Hij goddelozen rechtvaardigt en dat Jezus de enige Gezalfde, de in vlees Gekomene is. Die gelofte heb ik betaald en zal ze betalen, zo lang ik in deze tabernakel wezen zal, maar zij hebben mij met hopen tegengestaan, zodra ik begonnen ben Gods wet te bewaren. Dat had mij toch dronken gemaakt van troost, dat toenikvanwege mijn ongerechtigheden niet zien kon, toen zij meer waren dan de haren mijns hoofds en mijn hart mij verlaten had, toen mijn melaatsheid met haar plaag tot op het hoogste gestegen was, de Heere tot mij zeide: „Gij melaatse zijt rein, gij hebt de oude mens afgelegd, uw oude mens is medegekruisigd, gij hebt de nieuwe mens aangedaan!” En wie was ik, dat ik niet geloven zou wat de Heere mij zeide? Ja, of ook de duivel, opnieuw met alle macht mij telkens uit dat woord zocht te verdringen, zo is toch dat woord, waaraan ik in al mijn verklagen ben blijven hangen, sterker geweest dan alles wat tegen mij was, en dat woord is mijn stok en mijn staf en een lamp voor mijn voet. Wat ik u mededeel, deel ik mede tot voorbeeld, niet om wat van mijzelf te vertellen, want toen ik mijn weg verloren heb, heb ik des Heeren Woord blijvende in der eeuwigheid bevonden”.

De levenservaring van Kohlbrugge heeft een stempel gezet op zijn prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.