+ Meer informatie

Kerkgeschiedenis

5 minuten leestijd

Luther in de jaren 1511/12. Deze tijd is voor Luther — en wij mogen er bij voegen ook voor de Reformatie — van grote betekenis geworden.

Toen werd de grond gelegd voor zijn „gerechtigheid-Gods-beschouwing", het kardinale punt in de reformatorische theologie.

Deze beschouwing ging samen met eigen zielservaring, zodat het niet louter een zaak van speculatie (bespiegeling) was, maar van theoretisch-practische godgeleerdheid aan de hand der Heilige Schrift.

In 1511 vertrok Luther, op last van zijn vicaris (overste) Joh. von Staupitz, hoofd van de kloosters der Augustijner orde, voorgoed naar Wittenberg.

Von Staupitz drong er bij Luther sterk op aan, dat hij moest promoveren tot theol. doctor. Veel zin had hij er niet in, maar toch, in 1512 promoveerde hij.

Dezelfde vicaris zorgde er ook voor, dat hij een professoraat kreeg aan de hogeschool ter plaatse, om onderwijs te geven in de uitlegging der Heilige Schrift. Aan deze arbeid bleef hij verbonden en achtereenvolgens behandelde hij de Psalmen, de Romeinenbrief, de Galatenbrief en die aan de Hebreen.

Behalve dit werk moest hij ook nog preken in het klooster en de stadskerk; daarnaast werd hij onderprior van zijn klooster (1512) en in 1515 districtsvicaris van 11 saksische en thüringse kloosters zijner orde.

Inmiddels zien wij in Luthers leven een geestelijke wasdom, waarop wij nog een weinig nader dienen in te gaan.

Reeds in ons vorig artikel hebben wij iets van zijn strijd gezegd: Hoe krijg ik een genadige God?

In de weg der zgn. goede werken, dat gevoelde Luther wel, ging het niet. Een veroordelende conscientie, aanvechtingen, maakten hem het leven zwaar. Zijn ordebroeders, vonden, dat hij veel te zwaartillend was.

Het is vooral de meergenoemde Von Staupitz geweest, die getracht heeft Luther in zijn zielenood bij te staan. Maar de welmenende man begreep Luther aanvankelijk niet, omdat hij, persoonlijk zulke zielsworstelingen niet kende.

Het enigste wat hij deed was, Luther te wijzen op de genade in Christus. Berkhof wijst er op, dat al de ti'oostwoorden gesproken werden binnen het kader der sacraments-genade en goede werken. Die weg moet het niet op. Luther was bezig een eigengerechtigheid op te richten en deze werd — gelukkig kunnen wij zeggen — tot de grond afgebroken.

Geen wonder, dat hij God begon te haten, omdat deze zijn „offers" niet wilde aannemen.

God eist een volmaakte gerechtigheid.

Over deze allergewichtigste zaak heeft de Heere in Zijn erbarmende liefde voor de man het licht doen opgaan.

In zijn Tischreden (Tafelgesprekken no. 393) vertelt Luther daarover het volgende.

„Toen ik allereerst de psalmen las en zong: ed mij door Uw gerechtigheid (Ps. 71 : 2), zo schrok ik telkens en was die woorden vijandig gezind.

Moet Hij nu nog door Zijn strenge gerechtigheid redden, zo ware ik voor eeuwig verloren.

Maar barmhartigheid, bijstand Gods, die woorden hoorde ik liever."

Men ziet, dat Luther het begrip, gerechtigheid Gods

opvatte als de wrekende gerechtigheid, die de schuldige geenszins onschuldig houdt; die men met eigengerechtigheid tegemoet moet treden, wat natuurlijk onmogelijk is.

Een andei'e gerechtigheid was er niet.

In de torenkamer van zijn klooster is hem van 's Heeren wege het licht opgegaan over Rom. 1 : 17: aar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

Die woorden begreep hij aanvankelijk niet.

Hij werd nu door een brandend verlangen aangegrepen om Paulus' brief aan de Romeinen te leren kennen. IJverig dacht hij na over de in het evangelie geopenbaarde gerechtigheid Gods. En toen ontdekte hij, dat er nog een andere gerechtigheid was, nl. de gerechtigheid van Christus; die van God uit genade geschonken en door het geloof aangenomen, ons waarlijk rechtvaardig voor God doet zijn.

, , Lang zocht ik" schrijft hij, „Godlof, nu verstond ik de zaak en wist ik, dat de rechtvaardigheid Gods betekent de gerechtigheid, door welke Hij ons rechtvaardigt, door de geschonken gerechtigheid in Christus Jezus.

Toen verstond ik de grammatica en smaakte me eerst de psalm."

Niet een eigengerechtigheid, maar een geschonken gerechtigheid in Christus van Godswege, stelt ons rechtvaardig voor God.

Hoe leerde hij in dezen ook de eenheid van Oude en Nieuw-Testament!

Nieuw-Testament! Door Luther kwam nu aan de hogeschool de bestudering van Augustinus' werken op de voorgrond.

Bij deze kerkvader vond hij veel terug, van wat hij zelf ervaren had.

Trouw werd hij bijgestaan door zijn geestverwante collega's Karlstadt en von Ansdoi'P-

Opmerkelijk is ook, dat hij zich in deze tijd zeer aangetrokken voelde tot de werken van de bekende mysticus Tauler, voorheen reeds behandeld.

Ook tot het mystisch werkje „theologia deutsch". afkomstig van een onbekende frankforter monnik. Dit kan men misschien wel hieruit verklaren, dat hij altijd in de dorre Scholastiek had verkeerd en wat meer innigheid zocht.

Hij. zal later bij vermeerderd inzicht wel gemerkt hebben, dat geloof en mysticisme niet hetzelfde zijn. Minder begrijpelijk is, dat hij de „theologia deutsch" uitgaf. Het ding zou al lang vergeten zijn, als Luthers naam er niet aan verbonden was.

Wijlen prof. Hoekstra maakte eens de snedige opmerking: voor hem die dorst heeft, is ook troebel water lekker! Van de Scholastiek, ook van Aristoteles keerde hij zich af. Luther heeft aanvankelijk de omkerende kracht die er in zijn ontdekking sluimerde niet gemerkt. Hij gevoelde het ontdekte als de echte bijbelleer tegenover de nieuweren en dacht op dit moment absoluut niet aan reformatie.

Hij was conservatief en wilde bij het oude blijven. „Tegen zijn eigen wil werd Luther tot dit werk geroepen." (B.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.