+ Meer informatie

40. Niet stilstaan, maar vluchten naar het gebergte

Lot, de neef van Abraham

5 minuten leestijd

Ds. G. van Reenen zegt dat iemand die een nieuw hart ontvangt, een droefheid naar God krijgt, een haat en walg van alle zonden heeft, alle paden van de zonde mijdt en zijn schuld en zonden oprecht aan de Heere belijdt. (Verklaring zondag 13 H.C.). Jullie geloven toch ook wel dat als zulke mensen uit het Sódom van de zonde worden gehaald, zij de minste behoefte niet meer hebben om naar Sódom terug te keren of om zelfs nog even om te kijken! Ja, zij keuren die zondestad geen blik meer waard. Paulus schrijft: Zullen wij in de zonde blijven? Dat zij verre! (Rom. 6). Lot en de zijnen moesten onvoorwaardelijk Sódom verlaten. Zij moesten alles vaarwel zeggen en mochten niet meer omkijken. Er was voor altijd een scheiding gevallen.

Toen Leen Potappel in zijn jonge jaren bekeerd werd, brachten zijn vrienden hem eens heimelijk via een omweg naar de plaatselijke kermis. Daar aangekomen, bleef hij ineens stokstijf staan en sprak: ”Dat nooit meer!” Hij keerde zich om en maakte zich vlug uit de voeten.
Verder mochten Lot en de zijnen ook niet op de vlakte blijven staan. Dat heeft ook te maken met het achterom kijken. Wie naar een schuilkelder vlucht, kijkt niet achterom. Achterom kijken tijdens een vlucht zou je vaart verminderen en je zou ook kunnen struikelen. Lot moest zich echter haasten. Hij werd aangespoord tot een heilige haast. Ook daarom mocht hij niet achterom kijken.
Maar waarom mocht hij niet even rusten op de vlakte? Opdat hij goed zou beseffen dat hij wel uit Sódom was gehaald, maar nog geen toevluchtsplaats had bereikt. Iemand die op weg is naar een schuilkelder, is er nog niet in. Er zijn tijdens de oorlog heel wat mensen omgekomen die vluchtend op weg waren naar een schuilkelder. Een schipper kan de veilige haven zien liggen, maar hij is pas veilig als hij de haven heeft bereikt. Lot en de zijnen hadden nog geen veilige schuilplaats gevonden en daarom klonk het bevel: ”Sta niet op deze vlakte.”
Waarheen moesten Lot en de zijnen vluchten? De HEERE sprak: Behoud u naar het gebergte heen. De bergen zijn een teken van sterkte en van vastigheid. Denk maar aan het bekende vers uit Psalm 121:1: Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar mijn hulp komen zal. In Psalm 87:1 staat: Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid. Hier wordt verwezen naar de berg Sion en uiteindelijk wijst het alles op de Heere Jezus.

Misschien herinneren jullie je nog de vrijsteden. Een niet-moedwillige doodslager haastte zich over de aangegeven vluchtwegen naar de dichtstbijzijnde vrijstad. Onderweg kwam hij borden tegen met de woorden: ”Vlucht! Vlucht!” Hij gunde zichzelf geen rust, want de bloedwreker zat hem achterop. Waar was hij veilig? Alleen in de vrijstad. Die vrijsteden waren een beeld van de Heere Jezus, de Ark der behoudenis, de Rots der eeuwen, de ware en enige Schuilplaats.
Zo ook moesten Lot en de zijnen vluchten naar het gebergte, waar ze een veilige schuilplaats konden vinden. Zo wordt ook ons in de prediking telkens toegeroepen om de dienst van het Sódom van de zonde te verlaten en zonder uitstel te vluchten naar de Heere Jezus, want Die Man zal zijn als een verberging tegen den wind en een schuilplaats tegen den vloed, en de ogen dergenen die zien, zullen niet terugzien (Jes. 32:2, 3). Dat wil zeggen dat Gods kinderen veilig zijn bij, en blij zijn met de Heere Jezus en dat Hij alles voor hen betekent. In leven en in sterven.
De HEERE had tot Lot gezegd: Zie niet achter u om, sta niet stil op de vlakte en behoud u naar het gebergte. Lot hoorde dat bevel aan en we zouden denken dat hij het meteen op een lopen had gezet. Maar we lezen in de Bijbel iets anders. Hij had de opdracht van de HEERE ontvangen, maar nu geeft hij aan de HEERE en aan de engelen zijn bezwaar te kennen. Daarom lezen we: En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere. Lot vertrok niet. Hij haastte zich niet naar het gebergte. Waarom deed hij dat niet? Waarom luisterde hij niet? Lot sprak: Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve en ik sterve.
De kanttekening merkt op: ’Lot is bezorgd dat het gebergte te ver zal zijn, en dat hij onderweg van dat verderf zou mogen overvallen worden’ (kanttek. 37). Lot was dus bezorgd en bevreesd. Hij dacht dat hij tijdens de reis door het oordeel zou worden overvallen en dat hij het leven tijdens de vlucht zou verliezen. Zoals je weleens door een plotselinge onweersbui kunt worden overvallen, zo was Lot bang tijdens de vlucht door het oordeel van God getroffen te worden.

Dat was geen goede gedachte van Lot. Want hij zou niet omkomen! De HEERE had hem duidelijk een plaats van behoudenis aangewezen. Hij had gezegd: ’Lot, vlucht naar het gebergte, daar bent u veilig.’ En nu werpt Lot tegen: ’Heere, ik zal onderweg omkomen. Nog vóór ik het gebergte heb bereikt, zal ik door het oordeel worden getroffen!’ Daarom zegt Matthew Henry dat hij dit bezwaar uit zwakheid deed. De HEERE had hem uit Sódom gehaald en zou hem zeker in de veilige bergen brengen!

Behoud, o HEER’, wil bijstand zenden,
Verlos, bewaar, verschoon;
Die Koning hoor’, als w’ in ellenden
Aanbidden voor Zijn troon
(Ps. 20:5)

(Volgende keer D.V.: 41. Is zij niet klein?)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.