+ Meer informatie

Dwergautootjes maakten mensen na de oorlog mobiel

5 minuten leestijd

Ze gelden nu als de kruimeltjes van de autowereld, de autootjes met de namen Messerschmitt, Goggomobil, Heinkel en BMW Isetta. Eigenlijk neemt niemand ze meer serieus. Ze zijn ook zo klein. Bij omstanders roepen ze vertedering op, gevolgd door een licht medelijden met degenen die daar veertig jaar geleden mee moesten rijden. Maar wie in de jaren na de Tweede Wereldoorlog zo'n klein hummeltje bezat, was er maar wat blij mee.

Wat had je nu vlak na de oorlog eigenlijk voor vervoermiddelen? Er was niet veel. Natuurlijk waren er nog wel wat auto's van voor de oorlog overgebleven en begonnen hier en daar wat autofabrieken al weer te produceren, maar die auto's waren zo duur, dat alleen de dokter en de notaris zich er een konden veroorloven. Maar toen waren daar ineens de zogenaamde scootmobielen. De geschiedenis van deze voertuigjes begon in 1946 in het Duitse plaatsje Rosenheim. Daar woonde ingenieur Fritz Fend, die zich tot doel had gesteld een vervoermiddel te ontwerpen voor de vele oorlogsinvaliden die er in Duitsland waren. Hij bouwde een eenvoudig driewielig voertuigje, wat in feite niets meer was dan een overdekte bromfiets met een 50-ccmotortje. Een onooglijk geval. Maar de mensen die de Fend "Flitzer" zagen, waren verkocht. Die wilden ook zo'n voertuigje, zelfs al waren ze niet invalide. Omdat Fend zelf niet de mogelijkheden had zoveel auto's te maken, nam hij contact op met Messerschmitt, de bekende vliegtuigfabrikant. Messerschmitt was door de geallieerden onder curatele gesteld en mocht tien jaar lang geen vliegtuigen meer bouwen. Maar de fabrieksruimte had hij nog wel: het idee om kleine autootjes te gaan maken, werd dan ook met open armen ontvangen.

Jachtvliegtuig
Op initiatief van Messerschmitt werd er een wat grotere motor van 175 cc ontworpen en werd ook het uiterlijk wat aangepast. Onder andere werd er een koepel gemaakt die veel weg had van de cockpit van een vliegtuig. Messerschmitt heeft altijd ontkend dat er invloeden van een jachtvliegtuig in het autootje aan te wijzen zouden zijn. Feit is dat het wagentje eruitzag als een vliegtuig zonder vleugels. Het driewielertje kreeg de naam "Kabinenroller" Er was reusachtig veel belangstelling voor het driewielige voertuigje. Ook al was het als auto een raar geval. Zo had het geen portieren: om in te stappen moest je de hele koepel openklappen. Ook de manier van zitten was opmerkelijk: de twee inzittenden zaten achter elkaar. En sturen deed je met een soort fietsstuur. De auto had geen achteruitversnelling. Toch kon je ermee achteruit rijden. Dat ging als volgt: je zette de motor af en startte hem dan weer andersom, zodat de motor de andere kant op draaide. Een eventuele passagier kon men in de hoogste graad van verbazing brengen door achteruit rijdend nog vier keer te schakelen.

Rijdend ei
In een mum van tijd verschenen er tientallen soorten scootmobielen op de weg. Er zijn honderden verschillende merken geweest: Lloyd, Trojan, Gutbrod, Zündapp, Kleinschnittger, Heinkel, Dornier, Fulda, Goliath, Maico, om er maar een paar te noemen. In ieder land stonden wel enkele fabriekjes waar dwergautootjes werden gemaakt. Maar de meeste kleine autootjes kwamen toch uit Duitsland. BMW, de autofabrikant die tegenwoordig om zijn prestigieuze auto's bekendstaat, maakte zelfs een van de kleinste: de BMW Isetta. Een ei op wieltjes. Het wagentje had maar één deur: aan de voorkant van de auto. Het kleine autootje dat er nog het meest uitzag als een echte auto was de Goggomobil. Misschien doordat het wagentje vier heuse wieltjes had. Waarschijnlijk is dat ook de reden geweest dat er zoveel van zijn verkocht: in totaal kwamen er 280.000 Goggomobils op de weg. Klein was de 'Goggo' zeker: 3,03 meter lang, 1,37 meter breed en 1,24 meter hoog. Onder het minuscule motorkapje (aan de achterkant) had het wagentje een 300 cc, 17 pk sterk tweetaktmotortje. Al snel werd een coupéversie ontwikkeld, en ook een vrachtwagenachtige (nou ja) uitvoering, die in grote aantallen door de Duitse PTT werd gebruikt.

Reisauto
Door de hevige concurrentie probeerden de fabrikanten elkaar te overtroeven in hun reclamemateriaal. De fabrikant van de Goggomobil prees zijn voertuig aan als eersteklasreisauto. „Ook in de vakantie is het een volwaardige wagen", stond er in de folder. „De Goggo is voor geen berg bang en brengt u waar u heen wilt. Het meenemen van bagage is geen probleem, die kan desnoods op het dak". De kleine wagentjes wekken nu bij velen de lachlust op. Ook in de jaren vijftig waren ze trouwens het voorwerp van veel spot. Maar de bezitters trokken zich daar weinig van aan. Was het niet zo dat het kleine autootje als het moest tot een topsnelheid van 85 km/u in staat was? En bracht het wagentje zijn inzittenden niet door weer en wind op de plaats van bestemming? Nou dan.

Einde
Zo snel als de kleine scootmobielen waren opgekomen, zo snel verdwenen ze ook weer van het toneel. Toen de mensen wat meer geld begonnen te verdienen, kozen ze toch liever voor een echte auto als de Volkswagen Kever, de Morris Minor of de Renault 4 CV. Een zeer nadelig punt voor de kleine autootjes was ook dat de prijsverschillen met de 'echte' auto's steeds kleiner werden. De VW Kever kostte in 1946 6720 gulden; tien jaar later was de prijs gedaald tot 4575 gulden. Toen de Messerschmitts, BMW Isetta's en Goggomobils in prijs vrijwel op hetzelfde niveau lagen als de grotere Volkswagens, Opeis en Fords, was het pleit beslecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.