+ Meer informatie

Internationale hulpverlening: gezien vanuit kerkelijk standpunt

30 minuten leestijd

1. Het onderwerp, dat ons vanmorgen bezig houdt komt steeds meer in de belangstelling van de leden van onze kerken te staan. En niet minder in die van de ambtsdragers. Hier en daar zijn er zelfs reeds diakonieën, die financieel instanties steunen, die zich bezig houden met internationale hulpverlening. Blijkbaar kunnen deze diakonieën niet wachten op nieuwe officiële uitspraken van onze kerken t.a.v. de internationale hulpverlening. Met opzet zeg ik: „nieuwe officiële uitspraken” want onze kerken hebben immers in 1962 gezegd, dat het niet op de weg van de kerken als zodanig ligt, los van de prediking des Woords hulp te verlenen aan volken in onderontwikkelde gebieden, of die in bijzondere nood verkeren 1).

Ook onthield onze synode zich van een uitspraak als gevraagd werd in een instructie van de P.S. van het Oosten nl.: ,,de generale synode spreke uit dat ook onze christelijke gereformeerde kerken een taak der barmhartigheid hebben in de nood van deze wereld en overwege op welke wijze hulp verleend kan worden aan kerken in onderontwikkelde gebieden”. 2).

De synode was van oordeel dat „er gezien de praktijk, aan zulk een uitspraak geen behoefte bestaat” 3).

Voor het geval, dat er aanvragen van financiële of andere hulp door kerken uit het buitenland zouden komen aanvaardde de synode de algemene richtlijn dat dan het advies van deputaten voor de zending of van deputaten voor bijzondere noden zal worden gevraagd. 4).

Gelet op verschillende artikelen in onze kerkelijke pers moeten we wel tot de conclusie komen, dat velen niet gelukkig zijn met bovengenoemde uitspraken. En sommigen zijn daarom overgegaan tot het verlenen van financiële steun aan instanties, die zich met internationale hulpverlening bezighouden.

Ook bemerkt men onder de leden van onze kerken een groeiend onbehagen over de houding van onze kerken. Tal van broeders en zusters uit verschillende gemeenten staken hun ontevredenheid over de houding van onze kerken tegenover mij niet onder stoelen of banken. Voor een deel moet ik zeggen, dat het mij voorkwam, dat dit onbehagen niet ontsproot aan de gedachte: wij komen weer achteraan, maar aan werkelijk christelijke barmhartigheid, die tot de vraag leidde: hebben wij nu als kerken en als kerkleden werkelijk geen taak in de nood van deze wereld?

Merkwaardigerwijze kwam de zaak van de internationale hulpverlening eerst recht bij ons in de belangstelling toen in 1966 de grote nationale aktie werd gevoerd voor India. Dat was — en dat moeten we wel even vasthouden — een niet-kerkelijke aktie. Maar deze aktíe maakte bij onze leden iets los. Mogelijk dat daarbij mede van invloed is geweest het feit dat de gereformeerde kerken op de laatste zondag van januari hun kollekte hadden voor het werelddiaconaat. Zij deden iets en wij deden niets.

De aktie Kom over de brug deed het hare om opnieuw vragen te stellen. We waren bezig met de A.B.C.-Z aktie, maar de vraag leefde bij velen: had onze aktie niet in die van „Kom over de brug” geïncorporeerd kunnen worden?

Het wordt daarom tijd, hoogtijd zelfs, dat wij ons op de internationale hulpverlening opnieuw gaan bezinnen.

De zaak waar het omgaat kunnen we met verschillende namen aanduiden. Bekend is de term: werelddiakonaat. Niet alleen wekt deze term misverstanden maar zij is ook erg pretentieus. 5).

Mijn onderwerp draagt de titel: internationale hulpverlening, gezien vanuit kerkelijk standpunt en voor vandaag kan ik deze formulering wel aanvaarden maar de zaak zelf zou ik het liefst aanduiden met: internationale diakonale hulpverlening.

2. De betiteling: internationale diakonale hulpverlening geeft direkt aan dat het in deze zaak om een kerkelijk zaak gaat. Het is de kerk, die in de diakenen haar dienende taak wil verwezenlijken. En dan niet alleen binnen de grenzen van ons land maar ook daarbuiten.

Uiteraard kan de kerk in het volvoeren van deze dienende taak haar kerk-zijn nimmer vergeten. Zij kan zich nooit vereenzelvigen met de Staat en zij zal ook nimmer de taak van de Staat mogen willen overnemen. De Staat heeft een eigen taak ook t.a.v. de nood van de wereld.

Aan de kerk is de verkondiging van het Evangelie toebetrouwd en zij zal derhalve al haar daden moeten laten beheersen door het Evangelie. Natuurlijk kan de kerk op een bepaald moment een profetisch getuigenis doen uitgaan aan de Staat over de nood in deze wereld maar wanneer zij zelf zich met deze nood gaat bemoeien en zelf deze nood wil lenigen zal zij dat slechts kunnen doen vanuit en beheerst door het Evangelie. Haar dienende taak en al haar daden zullen betrokken zijn op het Evangelie.

3. Aan de kerk is de verkondiging van het Evangelie toevertrouwd. Dat is haar taak. Een taak, die zij te verrichten heeft binnen haar eigen gemeenschap maar niet minder buiten die gemeenschap. Zij heeft de boodschap van het Evangelie waar zij kan uit te dragen.

De taak van de kerk kan ook zo omschreven worden, dat zij de gestalte van de Here Jezus Christus heeft te vertonen. Onze Heiland was profeet, priester en Koning. En nu heeft de kerk die profetische, priesterlijke koninklijke gestalte van Christus zichtbaar te maken.

Naast de diepste nood van deze wereld — het van God vervreemd zijn — botst de kerk op een geweldige nood als honger, zedelijke ontwrichting, ziekte enz. enz.

Kan de kerk en mag de kerk tegenover deze nood onverschillig staan? Heeft zij alleen voor deze wereld te bidden? En haar het Evangelie te brengen? Of moet zij ook metterdaad ingrijpen en doen wat zij kan om die nood te lenigen? Vele kerkleden zeggen: die nood wordt op de weg van de kerk geplaatst. En de kerk heeft uit werkelijk christelijke bewogenheid te doen wat zij kan om die nood weg te nemen. De kerk heeft tot taak de priesterlijke bewogenheid van Christus zichtbaar te maken in deze wereld. Is Jezus zelf ook niet steeds ingegaan op alle mogelijke noden? En zullen wij dan anders hebben te handelen?

Dat is een argumentering, die aanspreekt en die ook veel gebruikt wordt. Moet dit nu betekenen, dat de kerk maar zonder meer gelden ter beschikking stelt om overal waar dat gewenst geacht wordt hulp te bieden?

Volgens de dagbladen heeft tijdens een forumgesprek dat gehouden werd in het kader van de aktie „Kom over de Brug”, een van de forumleden gezegd: wij moeten deze mensen geld en nog eens geld geven; wat ze er mee doen moeten ze zelf weten. Wij hebben alleen te zorgen dat ze middelen hebben. Nu zullen we deze aktie niet mogen vastpinnen op deze enkele ongelukkige uitdrukking maar in deze uitdrukking komt het probleem wel levensgroot op ons af.

Want in deze woorden wordt het geld ter beschikking stellen gezien los van elke andere kerkelijke verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid heeft onze synode in 1962 uitgedrukt in de woorden: dat als er hulp geboden wordt deze niet los van de prediking van het woord kan worden gegeven. 6).

4. Wanneer we ons onderwerp een ogenblik bezien vanuit drievoudige ambt van profeet, priester en koning dan zullen we hebben vast te houden aan de gedachte dat deze drie ambten een eenheid vormen en altijd op elkander betrokken zijn.

In de loop van de tijd is t.a.v. Christus vaak de poging gedaan om Christus’ werken in te delen naar de drie ambten. De ene keer zou Hij dan als profeet, de andere keer als priester en dan weer als koning werkzaam zijn geweest.

Maar deze onderscheiding gaat niet op. Reeds H. Bavinck heeft gezegd: „Het is dan ook een atomistische beschouwing, die bepaalde werkzaamheden uit het leven van Jezus losmaakt en daarvan enkele tot het profetisch en andere tot het priesterlijk en het koninklijk ambt brengt” 7).

In Christus zal men nimmer de drie ambten van elkaar kunnen losmaken. Waar Hij als profeet werkzaam is is Hij ook als priester en koning werkzaam en omgekeerd. Wel treedt de ene keer het ene ambt meer naar voren dan het andere. Maar ze komen niet los van elkaar voor. En ze zijn atlijd op elkaar betrokken.

Dat wil niet zeggen dat er geen onderscheiding mogelijk is. Bavinck heeft er ook op gewezen dat het ene ambt niet te herleiden is tot het andere 8).

De vraag is nu: hoe moeten we deze onderscheiding zien? Prof. Berkouwer heeft er op gewezen dat het in het ambt „om een historische zaak gaat omdat het ambt direct betrekking heeft op een in de geschiedenis te volbrengen taak. Deze historische opdracht is ten volle bepaald door het doel der verlossing in de Openbaring van Gods Naam en Koninkrijk, het wegnemen van de schuld en in dit alles met het oprichten van het werkelijke koninkrijk in deze wereld” 9).

In verband hiermede -wijst Berkouwer er op, dat wij geen concurrentie in de ambten van Christus mogen invoeren. 10).

M.I. is dat juist. Uiteraard heeft dit alles betekenis voor ons onderwerp.

In de litteratuur over al wat samenhangt met het z.g. werelddiakonaat wordt telkens gewezen op de persoon van Christus, die in deze wereld was als één, die dient. En nu hebben wij als christenen ook die gedaante te vertonen en derhalve zal de kerk niet achter mogen blijven wil zij werkelijk kerk van Christus zijn.

Nogmaals, dit spreekt erg aan maar we zullen het bovenstaande wel hebben te blijven bedenken.

Het is m.i. een simplificering van de Schriftgegevens wanneer gesteld wordt dat Christus tijdens Zijn leven op aarde maar zonder meer het eindeloos erbarmen met onze grote nood heeft ten toon gespreid 11).

Prof. Schippers wijst in zijn overigens zeer lezenswaardige rede „Zending en werelddiakonaat” op de opwekking van de jongeling te Nain en op de man met de verschrompelde hand (Lukas 7 en Markus 3). Hij zegt dan: „en dan is er niets van berekening, niets van verwijten, niets van uitbuiten van de situatie omdat ze nu vastgelopen zijn”. Maar o.i. hebben deze tekenen of wonderen van Jezus een diepere dimensie dan alleen maar deze mensen hun mens zijn terug te geven. Deze tekenen staan in het kader van Jezus’ prediking. Ze staan niet los daarvan. Dat blijkt ook duidelijk uit het verband en uit de rest van de Schrift zoals we straks nog zullen zien.

En nu kan men wel zeggen: „Dat is dan voor Hem geen inleiding tot iets anders, dat dan het eigenlijke zou zijn, maar in deze genezing, in dit wegnemen van de honger ontmoeten zij het heil zelf, omdat ze daarin de Heiland ontmoeten”. Maar uit de verbanden blijkt wel dat deze tekenen gelezen moeten worden in het licht van heel Jezus’ Zelfopenbaring. M.a.w. het was geen goedheid zonder meer, geen barmhartigheid, die royaal werd betoond zonder betrekking op Jezus’ gehele werk. Dat blijkt wel zeer duidelijk als we in Marcus 6:51, 52 lezen: En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld, want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen.”

Om nu nog even op het drievoudige ambt terug te komen: we zullen nimmer hebben te vergeten, dat het diakenambt uit de nood is geboren. De barmhartigheid van Christus ook t.a.v. stoffelijke noden had een plaats bij de christelijke gemeente. En een zeer belangrijke plaats. Toen bleek dat het werk voor de twaalven teveel werd werden er diakenen aangesteld juist opdat het Woord Gods, dat is de verkondiging van het Evangelie niet veronachtzaamd werd door de twaalven 12).

Dit is een uiterst belangrijk gegeven. Want het zegt ons, dat het diaken-ambt zeer nauw verbonden is met het predikambt; dat het diakenambt een aspect is van het éne ambt. Daarom zal men ook gezocht hebben naar mannen vol van Geest en wijsheid 13).

Men beroept zich voor de internationale hulpverlening, wilt u, het werelddiakonaat, ook vaak op de eenheid van Woord en Daad. En men zegt dan: het gaat niet aan om maar te prediken maar men moet ook komen met de daad. Aan woorden is er nooit gebrek geweest maar als je op de verschrikkelijke nood in deze wereld stuit heb je aan woorden niets maar moet je komen met daden.

Wat heeft een arme stakker er aan als hij met zijn nood tot u komt en u zegt: ik verkondig u Jezus en Die kan in uw grootste nood voorzien en Hij wil ook voor het andere zorgen. Nee, dan zal men als christen de daad moeten stellen.

Het is ontegenzeggelijk dat in de H. Schrift Woord en Daad één zijn. Dat vinden we reeds in het Oude Testament. Het geldt van God: Zijn spreken is scheppen en als God spreekt gebeurt er altijd iets. Hetzelfde vinden wij bij de profeten. Woord en Daad zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. En in het Nieuwe Testament is het niet anders. Het is één van de oerschriftuurlijke uitgangspunten dat Woord en Daad één zijn. En voorzover dat niet in praktijk werd gebracht, wordt er in de H. Schrift tegen getoornd. Denkt u slechts aan de brief van Jacobus.

Maar u moeten we wel oppassen, dat we Woord en Daad niet van elkaar losmaken. Men kan stellen: wij hebben het altijd veel over het Woord gehad en laten we het nu maar een poosje doen met de Daad want Woord en Daad zijn bij ons in het verleden niet in evenwicht geweest. We lopen — zo zou men kunnen zeggen — voor lopig niet de kans teveel aan de Daad te doen en te weinig aan het Woord.

Toch zou ik deze zaken van meet af aan juist willen stellen en in de juiste verhouding willen zien. Want het gevaar is niet denkbeeldig, dat we ongemerkt de schriftuurlijke verhoudingen uit het oog verliezen. Dat wordt bewezen door de emotionele reakties van sommigen onder ons op de aktie voor India. Deze aktie was — zoals reeds gezegd werd helemaal geen kerkelijke aktie. Toevallig hielden de gereformeerde kerken in dezelfde week hun kol-lekte voor het werelddiakonaat maar die had in feite niets met deze aktie uit te staan. Toch stelden verschillende broeders dat het bij ons nu ook anders moest en dat wij als kerk ook iets moesten doen voor India. Maar hier werden de zaken metterdaad verward.

Wij zullen de Daad niet los van het Woord mogen stellen althans niet als kerken. Uiteraard is het mogelijk dat op een bepaald moment de Daad primair gesteld moet worden terwijl het Woord de Daad later begeleid maar we zullen vast moeten houden aan de gedachte van eenheid van Woord en Daad. Het Woord zal de Daad altijd moeten verklaren.

Dat is een schriftuurlijke gedachte, die we gaarne willen toelichten. En we komen daarmee meteen bij de volgende stelling.

5. We zullen daartoe iets dieper moeten ingaan op de verhouding van Woord en Daad. We grijpen daartoe naar de brieven van Paulus. En we achten het buitengemeen gelukkig dat bij Paulus over deze verhouding een en ander gezegd wordt, althans dat uit Paulus’ uitspraken het een en ander valt af te leiden.

Dat is in twee opzichten van belang. Ten eerste stonden de gemeenten aan wie Paulus zijn brieven schreef in een voluit heidense omgeving. Het is daarom van belang te zien hoe die gemeenten in deze omgeving stonden tegenover de wereld en hoe Paulus als geïnspireerd schrijver over die houding van de gemeenteleden oordeelde.

Ten tweede hebben we in deze brieven m.b.t. de verhouding woord-daad een bepaald voordeel. Ik bedoel daarmede dit: als we de daden van Christus lezen komt onmiddellijk de vraag naar voren welke betekenis moeten we aan deze daden hechten. Moeten we ze exemplarisch verstaan, d.i. kunnen we ze zonder meer overbrengen; of hebben ze een heilshistorische betekenis? Als Jezus b.v. doden opwekt wat wil Hij daarmee dan zeggen? Is dat het wegnemen van een stuk intens verdriet? Of zit er meer in. O.i. veel meer. En o.i. moet in dit teken of wonder het eschatologische sterk benadrukt worden. En wie nu de exegetische lektuur nagaat komt tot de conclusie dat men het over deze dingen lang niet eens is. Duidelijk wordt dat b.v. bij A. G. Honig, die voortdurend polemiseert tegen andere gereformeerde exegeten, die z.i. op het eschatologisch karakter van verschillende wonderen te veel de nadruk leggen. Deze kwestie behoeft hier niet verder behandeld te worden maar deze kwestieligt er bij Paulus niet.

Wat zegt Paulus nu over de verhouding Woord en daad.

In de eerste plaats vinden we bij hem natuurlijk ook de uitspraken over de liefde tot de naaste zoals we die in de Evange-lieën tegenkomen. Van belang hierbij is dat Paulus soms zeer duidelijk de liefde tot de naaste, buiten de kerk benadrukt.

Zo vinden wij bij Paulus de uitspraak: Laten wij dus, daar wij de gelegenheid hebben, doen wat goed is voor allen, maar inzonderheid voor onze geloofsgenoten Gal. 6 : 10. Hier wordt het goeddoen aan niet geloofsgenoten dus zonder meer gesteld.

Iets dergelijks lezen we in 1 Tim. 4 : 10 waar Paulus zegt, dat God een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen.

Tenslotte inoemen we (er zijn meerdere teksten) 2 Petrus 1 : 7 waar gezegd wordt: maar schraagt om dez’ reden met betoon van alle ijver door uw geloof de deugd, door de deugd de kennis . . . door de godsvrucht de broederliefde en door de broederliefde de liefde jegens allen. Is er nu iets meer te zeggen over de verhouding woord en daad? Het antwoord kan bevestigend luiden.

Paulus stelt woord en daad nogal eens naast elkaar 2 Thess. 2:7: en Hij make ze (n.l. uw harten) sterk in alle goed werk en woord.

Rom. 15 : 18: want ik zal het niet wagen van iets anders te spreken dan van hetgeen Christus door mij bewerkt heeft, om heidenen tot gehoorzaamheid te brengen door woord en daad . . .

Opvallend is bij deze tekst, dat bij alle, zelfs buitengewone werkingen, die de prediking mogen vergezellen, toch het woord vóórop wordt genoemd. De buitengewone dingen dragen zelfs het karakter van tekenen en wonderen, dus van bevestiging en heenwijzing naar het woord 14).

Voorts valt hierbij op te merken, dat het goede werk (2 Thess. 2 : 17) nooit geheel zonder woord een prediking kan zijn. Want de daden der gemeente, hoe mooi op zichzelf, kunnen toch slechts doorzichtig worden als voortspruitend uit Christus’ genade, wanneer zij althans van tijd tot tijd worden geëxpliceert door het Woord, dat van deze genade spreekt en zo de bron verraadt 15).

Dit wordt bevestigd door Petrus. 1 Petrus 4:11: spreekt iemand laten het woorden zijn als van God; dient iemand laat het zijn uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus.

Hierin blijkt wel hoe nauw werk en Woord met elkander samengaan. En ook dat het werk nooit het Woord geheel kan ontberen. De daden van de Christenen moeten de heidenen wijzen naar God, wat altijd (zij het nog zo elementair) uitleg, een voorafgaande of begeleidende of erop volgende verklaring dus, woordprediking, nodig maakt. Als de heiden niet een en ander weet van wat er achter schuilt, kan hij nooit tot het beslissende „nader” toezien komen 16).

Zelfs in 1 Petrus 3:1: „evenzo gij, vrouwen, weest uw mannen onderdanig, opdat ook indien sommigen aan het woord niet ongehoorzaam zijn, zij door den wandel hunner vrouwen, zonder woorden gewonnen worden”, is het woord primair.

Slechts omdat en voorzover blijkt, dat het woord geen gehoor vindt, treedt de missionaire activiteit zonder woord, subsidiair er voor in de plaats.

Alleen in zeer bepaalde gevallen, kan het woord tijdelijk moeten terugtreden om plaats te maken voor het teken maar dat is dan ook in zeer bepaalde gevallen, n.l. wanneer er volslagen ongehoorzaamheid is aan het woord 17).

Tenslotte is het van belang er op te wijzen dat de Schrift nergens de prediking van het Woord devalueert. We bedoelen dit: vaak wordt enigszins smalend gesproken over „het Woord bij de werken” en dan moet nog even gezegd worden van wie het komt. Bij Paulus is de verkondiging van het Woord steeds een kracht Gods, Rom. 1 : 16 en Christus bewerkt door het Woord gehoorzaamheid, Rom. 15 : 18.

Hetzelfde geldt van de werken. Het is niet zo dat het deugdzame of aantrekkelijke leven op zichzelf van de gelovigen iets betekent voor het koninkrijk Gods, maar steeds het specifieke werk en woord, gekwalificeerd door de genade van Christus, die er de krachten toe geeft. En vandaar dat in Rom. 15 : 18 Paulus zegt: hetgeen Christusdoor mij bewerkt heeft. Het blijft een werk van Christus 18).

Dit zegt ons dus dat wij niet geringschattend over de verkondiging van het Woord bij het werk mogen spreken en dat onze werken alleen zin hebben wanneer ze gedragen worden door Christus. Het gaat dus maar niet om wat te doen maar om iets te doen door Christus.

En het gaat bij dit alles om de verheerlijking van God zoals o.m. Petrus zegt in 1 Petrus 2 : 12.

Dit alles is voor ons onderwerp van de grootste betekenis. Want het zegt ons welke de plaats is van het werk en welk karakter het heeft te dragen. En we komen tot de conclusie, dat het werk geen zelfstandige plaats heeft naast het woord maar dat woord en werk bijeen horen. Zelfs wanneer bij Paulus het werk voorop staat, zoals b.v. in Thess. 2 : 16: „En Hij onze Here Jezus Christus en God onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten en make ze sterk in alle goed werk en woord”, mag het woord niet ontbreken. „En ook blijft de prediking-met-de-daad het karakter dragen van teken bij het Woord; het gedrag van de gemeenteleden moet uit de genade, die eeuwige troost brengt voortvloeien en daardoor verklaard en toegelicht worden. Het Woord is het primaire middel des Heils, het heeft prioriteit in tijd en rangorde maar het kan ook nadat het eenmaal heeft weerklonken tijdelijk terug moeten treden om plaats te maken voor het teken van het werk” 19).

Wij zijn op grond van dit alles van oordeel dat de uitspraak van onze synode dat het niet op de weg van de kerken als zodanig ligt, los van de prediking des Woords, hulp te verlenen aan volken in onderontwikkelde gebieden, of die in bijzondere nood verkeren, juist is.

Met de motivering van deze uitspraak in het rapport van de commissie van 1962 ben ik minder gelukkig. De Ie motivering is dat de Schrift geen z.g. wereld-diakonaat van de kerk kent. Het is de vraag wat hiermede bedoeld wordt. Bedoelt men dat de Schrift geen rechtstreekse uitspraken geeft over het z.g. werelddiakonaat dan is dat juist. Bedoelt men, dat werelddiakonaat betekent: geld en goederen ter beschikking stellen zonder meer, dus zonder de prediking van het woord, dan gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat deze opvatting van het werelddiakonaat veel te generaliserend is. Het is niet waar (al zijn er wel uitzonderingen) dat b.v. de gereformeerde kerken maar geld ter beschikking stellen zonder de prediking van het Evangelie. De synodale uitspraken van deze kerken zijn te duidelijk om in dit opzicht misverstaan te worden. En ook de praktijk bewijst dat men de hulp meestal via kerken in de betrokken landen laat lopen.

Principieel gezien kan ik mij voorstellen dat wanneer er in bepaalde gebieden een grote nood is en de hulp kan op verantwoorde wijze gegeven worden zodat aan de boven geschetste uitgangspunten geen geweld aangedaan wordt, wij als kerken hulp bieden, ook al kunnen wij zelf het Evangelie daar niet brengen. Waarom zouden we wanneer we overtuigd zijn van de zuiverheid van de prediking van het Evangelie in een bepaald gebied niet via anderen, dus andere kerkgemeenschappen helpen? We moeten in dat opzicht niet te eng zijn.

Een andere vraag is of dat praktisch gewenst is. Daarover straks nog iets.

In stelling 5 heb ik gezegd, dat de uitspraak van onze synode in zoverre onvolledig is dat in de H. Schrift wel rechtstreeks sprake is van interkerkelijke internationale hulpverlening. In 2 Corinthe 8 en 9 roept Paulus de griekse gemeente in Macedonië en Griekenland op om de gemeente te Jeruzalem royaal te steunen. Nu gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat onze synode van 1962 in haar uitspraak niet helemaal aan deze internationale interkerkelijke hulp is voorbij gegaan. We lezen immers in de 3e uitspraak: als algemene richtlijn te aanvaarden dat bij aanvragen van financiële of andere hulp door kerken in het buitenland het advies van deputaten voor de zending of van depu taten voor bijzondere noden zal worden gevraagd 20).

Dat is mij eigenlijk iets te sober gezegd. En dat sobere vind ik ook terug in de 2e uitspraak waar we lezen: zich te onthouden van een uitspraak als gevraagd wordt in de instructie van de P. S. v. h. Oosten, daar er gezien de praktijk, aan zulk een uitspraak geen behoefte bestaat 21).

Het ware beter geweest en het had meer blijk van barmhartigheidsbesef gegeven als de synode op de instruktie van het Oosten „de generale synode spreke uit dat ook onze christelijke gereformeerde kerken een taak der barmhartigheid hebben in de nood van deze wereld en overwege op welke wijze hulp verleend kan worden aan kerken in onderontwikkelde gebieden”, positief had geantwoord.

Een kenmerk van het diakonale werk is immers: het spontane. Dit spontane ontbreekt in deze uitspraken m.i. te veel. Bovendien wordt er in de derde uitspraak gesproken over hulp, die aangevraagd wordt. Ik vraag mij af of het niet mogelijk zou zijn dat we stuiten op een stuk nood en zeggen: hier moet iets gedaan worden. De commissie zegt in haar rapport over de akties, die er geweest zijn in het verleden voor Toradja’s, Venda’s enz. „Ongetwijfeld is het een verheugend verschijnsel, dat hier een ontwaken blijkt van het besef dat niet ieder heeft te letten op het zijne, maar ook op hetgeen der anderen is” 22).

Juist van een synode zou men mogen verwachten dat zij de kerken bij dat ontwaken enigszins hielp en positief op haar verantwoordelijkheid wees. Ik meen echter, dat onze synode als ze vandaag een uitspraak zou moeten doen positiever zou spreken.

6. Over stelling 6 behoef ik niet zo veel meer te zeggen: Het moet toegegeven worden dat de zaak van de internationale hulpverlening wat tijdsorde betreft samenviel met het spreken over het „social gospel”. En uiteraard geloven we niet in een social gospel. Maar dat mag ons niet verleiden tot het afzien van diakonale hulpverlening samen met het Woord van God. Ik laat in het midden of de uitspraak geheel juist is dat het z.g. werelddiakonaat zijn achtergronden heeft in de z.g. oecumenische theologie maar de vraag moet wel gesteld of het misschien ook zo is dat wij dank zij deze theologie toch gewezen worden op schriftuurlijke elementen, die wij teveel verwaarloosd hebben. Dat kan.

Onze vaderen hebben zich sterk verzet tegen de roomse leer van de goede werken, desniettegenstaande zijn zij niet in de fout vervallen om de goede werken in de belijdenis geen plaats te geven. Integendeel. Ze hebben er duidelijk en juist over gesproken.

Voorts is het toch zo, dat wanneer we internationale diakonale (dus kerkelijke) hulp gaan verlenen wij daar zelf nog bij zijn en dus ook projekten kunnen beoordelen.

7. Gelukkig hebben onze kerken in het verleden meer dan eens internationale hulp verleend. Terecht is gewezen op kleding-akties voor Toradja’s en Venda’s; aan ak-ties voor slachtoffers van de aardbeving in Chili, voor bepaalde behoeften in Korea.

Dit alles is verheugend. Alleen we zullen meer moeten doen. En we kunnen ook meer doen. We moeten dus deze hulp uitbreiden. Ook moeten we niet steeds een afwachtende houding aannemen. En onze kerken moeten duidelijker spreken dan in 1962. Onder 5 heb ik daar reeds iets van gezegd. In dit opzicht zouden we een koninklijker, een royaler houding willen. Ik voor mij krijg uit de synodale uitspraken uit 1962 meer een afwijzende dan stimulerende indruk. En als ik verschillende stemmen beluister heb ik het gevoel dat meerderen dat met mij eens zijn. En als de kerk positiever spreekt kunnen we aan het werk gaan op basis van Woord en Daad.

Dat legt ons natuurlijk beperking op. Want dat betekent, dat we niet voor elke wereld nood iets kunnen doen. Omdat we als kerken moeten vasthouden aan Woord en Daad of ook Daad en Woord.

In dit verband zouden de kerken ook duidelijker kunnen spreken t.a.v. organisaties en organen, die in de wereldnood trachten te voorzien. Door de commissie is in 1962 gezegd: tot het geven van deze steun kan in de bearbeiding van de gemeente opgewekt worden. Maar de synode zelf heeft in haar officiële uitspraak dit punt niet aangeroerd. Bovendien is het „kan” van de commissie wat zwak. Het ware ons liever geweest als de commissie gesproken had over „dient” opgewekt te worden.

Wanneer men nu vraagt hoe kunnen we meer gaan doen en op welke projecten moeten we ons werpen dan zou ik willen wijzen op kleine noodlijdende kerken in bepaalde gebieden en op de zending. Op het terrein van de zending is er ontzaglijk veel te doen. Met name in Indonesië. De A.B.C-Z. aktie is in deze duidelijk. Het lijkt me daarom niet nodig hier breedvoerig op in te gaan. Men moet echter beseffen, dat de mensen in heidenlanden, die christen worden niet klaar zijn met het horen van de prediking van het Evangelie. Want dat Evangelie betekent een omwenteling in heel het levenspatroon. Christus grijpt de gehele mens aan.

Prof. Schippers zegt in zijn meergenoemde referaat Zending en werelddiakonaat: „Het is niet waar, dat zendelingen scholen en ziekenhuizen oprichtten om de mensen te strikken voor de Evangelieverkondiging. Daarom verzetten zij zich ook terecht tegen het schema hoofddienst — wat dan de prediking zou zijn — en nevendiensten, die dan op de opheffing uit allerlei ellende zou bestaan. Maar als wij werkelijk dat schema prijs willen geven — en dat willen wij — dan moeten we ook duidelijk laten zien, dat het gevecht tegen de ellende voor ons maar geen middel tot evangelisatie is, maar één van de gestalten, waarin het Koninkrijk openbaar wordt” 23). We kunnen het hier mee eens zijn. Trouwens de orde voor de Evangelieverkondiging onder Israël spreekt in art. 2: De diensten zijn tweeërlei: de kerndienst zijnde de ambtelijke dienst des Woords, sacramentsbediening, zielszorg en catechese en de nevendiensten zijn de beoefening van de christelijke barmhartigheid, opvoeding en onderwijs”. Hier is het schema van hoofddienst en nevendienst losgelaten. Gelukkig. En juist op het terrein van barmhartigheid, opvoeding en onderwijs is er ontzaglijk veel te doen. Hier kan prachtig hulp verleend worden.

En waarom zouden we kleine noodlijdende kerken, die er overal in de wereld zijn niet helpen? Dat is interkerkelijke internationale hulpverlening.

8. Nu moeten we bij dit alles wel bedenken dat we zeer kleine kerken zijn. Ik heb soms het vermoeden dat we dit teveel vergeten. Men kan wel grote woorden gebruiken maar daarmee zijn we nog niet tot daden gekomen. Laten we beseffen dat we klein zijn. Dat is echt geen schande. Als we maar doen wat we kunnen doen. De Here vraagt van ons niet het onmogelijke maar wel dat we ook in dit opzicht leven naar Zijn Woord. Daarom moeten we onze krachten niet versnipperen. Hier wat en daar wat en met elkaar niets. Als we maar iets doen en wat we doen goed doen. Dat is van veel meer betekenis dan veel te doen.

Dr. A. C. Honig zegt in zijn dissertatie: „Het gaat er niet om voor het gehele volk onderwijs te verschaffen of medische verzorging, voor het hele volk op sociaal economisch gebied voorzieningen te treffen. Het doel is, qualitatief in school, hospitaal enz. iets te laten zien. Beter één hospitaal, dat werkelijk het evangelielicht laat stralen onder het volk, dan tien goed geoutilleerde hospitalen met een excellente wetenschappelijke staf, maar waarvan geen verkondiging uitgaat. Het doel mag niet zijn de kerstening van de maatschappij in de zin van christianisering. Doel is en blijft alleen de mensen te stellen voor Christus en hen zo te bewegen tot het geloof 24).

9. Het is duidelijk, dat wanneer wij als kerken meer gaan doen aan internationale hulpverlening zoals deze boven is omschre ven er bezinning moet zijn op de organisatie van deze hulpverlening. Op het moment is het allemaal wat verward.

Verschillende diakonieën zenden gelden naar acties soortgelijk als „Kom over de Brug” zonder enige medezeggenschap. Komen er aanvragen van financiële of andere hulp door kerken in het buitenland dan moet het advies van deputaten voor de zending of van deputaten voor bijzondere noden worden gevraagd.

Dit laatste is wel heel erg merkwaardig. Dit deputaatschap is ontstaan uit het deputaatschap Evacuatie en oorlogschade; als ik het goed begrepen heb is dit deputaatschap er in bijzonder voor binnenlandse rampen en calamiteiten. Een reglement heeft dit deputaatschap niet maar het moet nu ook mede aanvragen voor buitenlandse hulp beoordelen.

We hebben deputaten Adma maar het is meer een bezinningsdeputaatschap dan een doe-deputaatschap.

De A.B.C.-Z. aktie wordt gerund door de Jeugdbonden, prachtig natuurlijk maar het gaat ook hier in feite om diakonale zaken. De kerken hebben de diakenen een plaats gegeven op alle bredere vergaderingen. Maar de zaken rondom diakonale internationale hulpverlening zijn sinds 1962 op de generale synode niet aan de orde gesteld. Het is mij een grote eer voor uw comité te mogen spreken en uitgerekend u stelt het huidige onderwerp aan de orde maar uw comité heeft geen officiële kerkelijke status.

Het is mij niet bekend of er onderling overleg is geweest of gaande is tussen de verschillende instanties, die ik zo juist noemde maar ik vermoed dat het onderlinge contact uiterst gering is.

Als ik het wel heb zal de zaak waar wij ons vandaag mee bezig houden in september op de generale synode opnieuw dienen. Het is te hopen dat er dan wat orde geschapen wordt in de verwarring.

Wel is het van groot belang dat de organisatorische zijde van meet af aan goed be keken wordt. Andere kerken hebben daar leergeld mee betaald.

Ook zullen wanneer we metterdaad tot hulpverlening overgaan ons er op moeten bezinnen hoe we in de gemeenten deze zaak organiseren en doen leven.

Het is, mannenbroeders enigszins verdrietig dat ik deze inleiding wat de organisatorische zijde betreft wat in mineur moet beeindigen. Evenwel het is nog niet te laat om wat te gaan doen. Daar is het nooit te laat voor in het Koninkrijk Gods. Wanneer de liefde van Christus ons dringt dan komen alle andere vragen ook op organisatorisch terrein voor elkaar.

Van harte hoop ik dat wij allen hartelijk amen zeggen op het woord van Paulus: „En Hij, onze Here Jezus Christus en God onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten en make ze sterk in alle goed werk en woord.

1) Acta generale synode Haarlem-Santpoort 1962, art. 114 sub 1.

2) idem, art. 114.

3) idem, art. 114 sub 2.

4) idem, art. 114 sub 3.

5) vgl. Tijden en taken, blz. 137, aant. 1.

6) Zie aantekening 1.

7) H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, III blz. 351, 4e druk.

8) idem blz. 352.

9) G. C. Berkouwer, Het werk van Christus, blz. 75, 76.

10) idem, blz. 76.

11) vgl. b.v. R. Schippers, Zending en werelddiakonaat, blz. 6 en 7.

12) Handelingen 6 en met name vers 2.

13) Handelingen 6 : 3.

14) vgl. D. van Swiggen „Het missionair karakter van de christelijke gemeente”, blz. 164 e.v.

15) idem, blz. 165.

16) idem, blz. 167.

17) idem, blz. 167, 168.

18) idem, blz. 165.

18) idem, blz. 166.

20) Acta generale synode Haarlem-Santpoort 1962, ait. 114 sub 3.

21) idem, art. 114 sub 2.

22) idem, blz. 205.

23) R. Schippers, Zending en Werelddiakonaat, blz. 9.

24) A. G. Honig, Bijdrage tot het onderzoek naar de fundering van de zendingsmethode der comprehensive approach in het Nieuwe Testament, blz. 91.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.