+ Meer informatie

Nog eens: De Zondvloed I

9 minuten leestijd

In de vorige jaargang namen we enkele artikelen op naar aanieiding van de verschijning van het bock De Zondvloed van Prof. A. M. Rehwinkel, uitgave van Buijten en Schipperheijn te Amsterdam. Dit belangrijkc boek trok overal aandacht. In het algemeen is het goed ontvanngen. Ook Ir. J. v. d. Graaf redacteur van De Waarheidsvriend wijdt er in dit blad een paar artikelen aan. Deze heeft later in de informatieserie van de Hervormde Bond voor inwendige zending op G.G. een folder geschreven over Evolutie. Deze schrijver is tot oordelen bevoegd. Van verschillende kanten is er op aangedrongen nog eens terug te komen op het boek van Prof. Rehwinkel, ook omdat er naast waardering kritiek loskwam. We willen gaarne aan die aandrang gevolg geven en menen dat het beste te kunnen doen door aan onze lezers door te geven wat Ir. v. d. Graaf schreef.

Het boek is bepaald op niveau geschreven, bovendien ook in een rustige opbouwende betoogtrant, maar met zeggingskracht. Dat het boek dan ook in Amcrika al een tiende druk beleefde is niet zo verwonderlijk. Als zodanig zal het ook hier zijn weg wel vinden. Want het is bepaald de moeite waard om van de gedachten van Rehwinkel kennis te nemen.

Alvorens ik echter tot de bespreking van dit boek overga wil in een artikel vooraf duidelijk maken in welk discussiekader een dergelijk boek in onze tijd staat. Dat is nodig, want wat voor de een overtuigend is, is voor de ander twijfelachtig, aanvechtbaar of onaanvaardbaar. Zo zal het ook met dit boek gaan. Daarom wil ik eerst trachten de plaats van dit boek in de huidige discussies over evolutie en dergelijke enigszins doorzichtig te maken. Dan krijgt een bespreking over dit boek een duidelijker achtergrond.

Cuvier

Tot in de vorige eeuw werd in de geologie de zogenaamde catastrofe-theorie aangehangen. Allerlei wetenschappelijke gegevens omtrent de verschillende aardlagen en de daarin voorkomende fossielen werden verklaard uit grote catastrofen die op aarde hadden plaats gevonden, met name uit de zondvloed. Een van de baanbrekende geleerden op dit terrein was de bioloog en palaeontoloog (onderzoeker van fossielen) Cuvier. Cuvier was een scherp bestrijder van de evolutietheorie, met name van de theorie van Lamarck, die al lang voor Darwin een evolutionistische gedachtengang ontwikkelde.

Prof. dr. R. Hooykaas, hoogleraar in de geschiedenis der natuurwetenschappen aan de R.U. te Utrecht, zegt van Cuvier: ’Cuvier meende dat de verschillende scherp gescheiden aardlagen, elk met zijn eigen fossiele dieren, erop wijzen dat grote catastrofen (vulkanische uitbarstingen of overstromingen) in de aardgeschiedenis plaats vonden. Na elke grote omwenteling betrokken ’nieuwe’ dieren (misschien komend vanuit een klein gespaard gebleven gebied) het onbevolkte nieuwe gebied’. (Chr. Encyclopedic, 1957, deel H, pag. 339).

Van belang is wat prof. Hooykaas dan verder over hem opmerkt: ’Cuvier was afkerig van speculatie. Hij wilde dat alles wat de ervaring toont, grondig gescheiden wordt van wat hypothetisch is. In de kwestie van het ontstaan van het leven, het wezen van het leven en het ontstaan van het embryo, liet hij liever een vraagteken staan dan een oncontroleerbare theorie op te bouwen’. ’Zijn geologische dreorie was in overeenstemming met de toenmaals bekende feiten; uit niets blijkt dat Cuvier, hoezeer ook trouw aan het Protestantisme, er door niet-wetenschappelijke argumenten toe gekomen zou zijn. Hij wordt nu dikwijls ongunstig beoordeeld, omdat men als maatstaf aanlegt de tegenwoordige gangbare evolutieleer. Maar gezien vanuit de in zijn tijd voorhanden zijnde feitenkennis moet erkend worden, dat Cuvier en niet Lamarck of Geoffroy met hun speculatieve en soms fantastischc theorieen, een sobere weergave van het feitelijk bekende heeft gegeven.’ (Geoffroy voerde in 1830 een strijd met Cuvier, waarin hij eveneens blijk gaf van een evolutionistische visie; J. v. d. G.) Hooykaas waardeert Cuvier dus met klem als geleerde, die van het gegevene uitging, en plaatst hem dan verder in de rij van grote geleerden als Bacon, Boyle en Newton, die als enige basis van de natuurwetenschap hebben aanvaard de empirie, dat wil zeggen dat wat met weten-schappelijke methoden te meten, te onderzoeken is. Onverantwoorde vooronderstellingen, die telkens de wetenschap bedreigen en haar van haar fundament aftrekken, wees hij af. Cuviers zondvloedtheorie was dan ook in overeenstemming met de feitelijke gegevens die bekend waren.

Lyell

Een van de belangrijke grondleggers van de geologie is Sir Charles Lyell, waarover ik in vorige artikelen al meer heb geschreven. Tegen de gangbare opvattingen in zijn dagen, die van de catastrofe-theorie dus, verdedigde hij het beginsel van de uniformiteit, meestal aangeduid als het actualiteitsbeginsel. Dat houdt in dat de veranderingen, die in de loop van de geschiedenis in de aardkost zijn opgetreden, van dezelfde orde zijn als die welke in de huidige tijd plaats vinden. Met andere woorden, bestudering van de processen, zoals ze zich in het heden voordoen, is de sleutel voor het verstaan van de veranderingen die zich in de aardkorst hebben voorgedaan in vroeger tijden. Geen catastrofe-theorie dus maar een geleidelijke ontwikkeling op grond van constante wetmatigheden, die de veranderingen in de aardkorst bewerkstelligen. In 1863, met de verschijning van zijn boek, waarvan de titel in het Nederlands luidt De ouderdom van het menselijk geslacht, kiest hij publiekelijk voor het evolutionisme van Darwin. Zijn theorie werd in de geologie als een grondregel voor de evolutionistische ontwikkelingen aanvaard.

Herlevende waardering voor Cuvier Het is duidelijk dat de theorieen van Cuvier en Lyell tegenover elkaar staan. In feite is de theorie van Lyell in brede kring van de geologen aanvaard, waardoor Cuvier op de achtergrond raakte, al bleven vele geologen aan zijn denkbeelden vasthouden. Thans herleeft de waardering voor Cuvier. Met name vanuit Amerika verschijnen herhaaldelijk publicaties, die opnieuw de catastrofe-theorie benadrukken. Zo verscheen in 1961 van H. M. Morris en J. C. Whitcomb een boek, getiteld The Genesis Flood, waarin de zondvloedtheorie opnieuw werd geintroduceerd. Een boek van 500 pagina’s met 28 foto’s. Als kritische reactie daarop heeft prof. dr. J. R. v. d. Fliert, hoogleraar aan de V.U. te Amsterdam, een boekje geschreven, getiteld Fundamentalisme en de basis der geologische wetenschappen. (Uitgave Buijten en Schipperheijn, 1968). Daarin bestrijdt hij de strekking en de inhoud van dit boek. Hij voert daarin een pleidooi voor de theorie van Lyell en komt tot de conclusie dat de ’sleutel van het heden’ inderdaad op het verleden past. Een uitspraak die ik als onwetenschappelijk afwijs. Zelf sprak prof. Van de Fliert, in een vroegere publicatie van zijn hand, over het onbewezen en niet te bewijzen actualiteitsbeginsel. (De ouderdom van de aarde, uitgave J. H. Kok, 1955). Thans heeft hij zijn visie kennelijk herzien. Maar ik zou in dit verband toch willen wijzen op een uitspraak van dr. C. J. Dippel, die zegt: ’Waarom zou God, de Informeerder van de natuurwerkelijkheid, niet zo hebben kunnen spelen met de constellaties, dat niemand een breuk met de wetmatigheden vermoedt?’ (Geloof en Wetenschap, deel I; uitgave Boekencentrum.)

Een christen wetenschapsbeoefenaar mag wel terdege rekening houden met de mogelijkheid dat God ingrijpt in zijn Schepping. Zijn gedachten zijn hoger dan de onze. Een geloof in een onbewezen en niet te bewijzen hypothese als het actualiteitsbeginsel is dan ook wel op heel zwakke gronden gebaseerd en geeft het wetenschappelijk bouwsel, dat erop wordt opgetrokken, een dubieuze basis. -

Dit als kritische noot op de brochure van dr. v. d. Fliert. Maar in een opzicht is zijn kritiek op Morris terecht. Morris wil namelijk wetenschappelijke bewijzen aandragen om de juistheid van de Schrift aan te tonen. Dat is op zich een hachelijke zaak. Gesteld dat die bewijzen er niet zijn, maar het tegendeel zou blijken, vervalt daarmee dan de hechte basis van de Schrift? Dr. v.d. Fliert schrijft: ’Het is mijn diepe overtuiging dat het een fundamentele en uiterst gevaarlijke vergissing is te menen dat ons geloof in het betrouwbare Woord Gods ooit gebaseerd zou kunnen zijn op, of versterkt zou kunnen worden door zogenaamde wetenschappelijke redeneringen. Elke poging om de historische geologie van vandaag in overeenstem ming te brengen met het verhaal uit de eerste hoofdstukken van Genesis getuigt van een enorme overschatting van de wetenschap, die even groot is als die, waarvan de geleerden blijk geven die God als Schepper vollcdig verwerpen. Wanneer we de wetenschap zo overschatten verliezen we de strijd voor deze begonnen is’ (a.w. pag. 3).

In dit opzicht zijn er bepaald grondige bezwaren tegen de opvattingen van Morris in te brengen. Daarop heb ik al eerder gewezen toen ik zijn boekje De evolutieleer, een theorie op haar retour besprak. We behoeven geen natuurwetenschappelijk bewijs materiaal voor de juistheid van de Schrift. De Schrift komt als Godsopenbaring met uniek gezag tot ons. De Schrift is van eigen uitlegging en gaat uit boven wetenschappelijke denkkaders. Daarom is het ook minstens zo bedenkelijk, wat momenteel allerwege geconstateerd kan worden, namelijk dat met (vermeende) resultaten van de wetenschap wordt gewerkt orn de inhoud van de Schrift te ontzenuwen. Dat getuigt van een overschatting van de natuurwetenschap. Dan worden de grenzen van de wetenschap overschreden. De enige hechte natuurwetenschappelijke basis, namelijk het gegevene, het meetbare, dat wat te onderzoeken is, wordt dan losgelaten.

Tot schade van de wetenschap zelf, maar ook tot schade van het geloof. Aan dit gevaar is dr. v. d. Fliert, blijkens wat hij verder in gcnoemde brochure zegt, mi. ook nict ontkomen. Blijft tenslotte echter het punt dat Galilei gezegd heeft dat de werken van Gods mond (Zijn Woord) en de werken van Gods vinger (Zijn schepping) elkaar niet kunnen tegenspreken. Wanneer we de liistoriciteit van de Schrift aanvaarden, ook bij voorbeeld wat betreft het verhaal over de zondvloed, dan kan dit toch ook niet losstaan van dat wat in de wetenschap gevonden wordt. Daar moet toch crgens een harmonie zijn tussen de historische gegevens van de Schrift en datgene wat de wetenschap in haar blikveld krijgt bij haar onderzoekingen van de levende en de dode natuur. Daarover dan in het volgende nummer, naar aanleiding van Rehwinkels bock De Zondvloed.

Hier eindigt het eerste artikel van Ir. v. d. Graaf. Er volgt nog een tweede artikel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.