+ Meer informatie

ELDERS KERKEN

13 minuten leestijd


De landelijke voorjaarsconferentie voor ambtsdragers zal bij leven en welzijn gehouden worden op zaterdag 16 april 1988 in de Ichthuskerk te Amersfoort. Aanvang: 10.00 uur.

Thema: „Verarmt de geloofsbeleving in de reformatorische kerken?

(een confrontatie met de charismatische geloofsgemeenschappen vanuit de vraag: wat hebben zij dat wij niet hebben?).

Inleider: prof.dr. W. van ’t Spijker.

De kerkeraden ontvangen over enige tijd de gebruikelijke uitnodiging met toelichting op het bovengenoemde thema.

Het comité


ELDERS KERKEN

Op drie manieren valt het bovenstaande in te vullen:

I. Iemand woont in de plaats A. waar een chr.geref. kerk staat. Hij is echter lid van de chr.geref. kerk te B.

II. Je bent lid van de chr.geref. kerk te C. Er wordt echter meer dan eens of te wel geregeld gekerkt in de zustergemeente te D.

III. Br. A. of zr. B. is christelijk gereformeerd. Men kerkt gewoonlijk in de kerk van een andere kerkgemeenschap.

Hoe moet je met dit alles nu uit de voeten?

Invulling I komt heel vaak voor. Je komt daar al achter als je in het Jaarboek de aantekening „Onder deze kerk ressorteren leden uit….” nauwkeurig bestudeert. Vele gemeentegidsen spreken een nog duidelijker taal. Te constateren valt dat verschillende leden buiten de officiële grenzen van de plaatselijke gemeente woonachtig zijn (zie artikel 38 sub 3 K.O.).

Natuurlijk kunnen voor dit elders kerken „natuurlijke” redenen voorhanden zijn. Men komt b.v. van oorsprong uit die gemeente of nagenoeg de gehele familie behoort tot haar. Voor zulke motieven zullen we alle begrip moeten kunnen opbrengen.

Anders wordt het als het om diepere redenen gaat. Men kan zich vanwege liturgische gebruiken of vanwege de doorsnee prediking in de gemeente van zijn of haar woongebied niet thuis gevoelen. Mijns inziens mag slechts de tweede reden van doorslaggevende betekenis zijn. Vertaling, zangwijze, berijming enz. zijn immers geen hoofdzaken, al kunnen ze voor de persoon in kwestie heel belangrijk zijn. Wie echter psychisch volwassen is en met name tot de volwassenheid van het geloof gekomen is, weet naar beide kanten - dergelijke zaken te relativeren.

Anders wordt het wanneer men na grondige kennisneming tot de conclusie moet komen dat in de gemeente van A. de Schriften niet naar behoren geopend worden en schriftuurlijke geestelijke leiding wordt onthouden, waardoor je - menselijk bekeken -niet verder komt in de kennis ten dienste van het geloof en in de geloofsopwas. In zulke situaties kan ik erin komen als bij een gemeente uit een andere plaats aansluiting wordt gezocht.

Uiteraard dienen de bezwaren eerst eerlijk, grondig en in geestelijke openheid besproken te worden. En dat niet één keer maar meer dan eens. Waarom? Omdat er geweldige zaken op het spel staan ! Want ergens zet je de eenheid van het kerkverband onder zware druk en wat meer is: je plaatst bij het kerkvergaderend en -onderhoudend werk van de Here Jezus in de niet begeerde gemeente te A. grote vraagtekens! Daarom mag de kerkeraad van B. de desbetreffende broeder of zuster nooit zo maar inschrijven. Tenzij het een keuzegebied is of er al afspraken liggen, wijze men op grond van de kerkelijke verbondenheid naar de kerk te A. Slechts met haar medeweten en toestemming kan er in B. tot acceptatie worden overgegaan.

Heel goed realiseer ik mij dat mensen (inclusief kerkeraden) geen turven zijn en dat de kerkelijke praktijk het bijbelse ideaal lang niet dekt. Naar mijn gedachten kunnen we echter wel eens te soepel en te snel met onze interne kerkelijke problematiek omgaan. Het is niet best als we het broederlijke, indringende en confronterende gesprek als kerkeraden van A. en B. uit de weg gaan.

Ook visitatoren hebben in dezen een taak. Zij kunnen de materie aansnijden bij de behandeling van het gedeelte „Breder kerkelijk leven”.

Niet minder dienen onze classisvergaderingen attent te zijn. Het is principieel onjuist als voor de oplossing van bepaalde problematieken zomaar naar een buiten-plaatselijke gemeente verwezen wordt of als men deze onnatuurlijke, ongeestelijke en onkerkorde-lijke werkelijkheid willens en wetens laat voortsudderen. Beseft men dan nog wel wat het begrip kerkverband in concreto inhoudt?

Ik denk nu aan de tweede werkelijkheid: men kerkt gewoonlijk niet in de eigen gemeente te C. maar in de zustergemeente te D. Men blijft dus in het eigen kerkverband. Uiteraard zal men voor dit elders kerken zijn of haar diepere redenen hebben. Daarover zal op zijn minst gesproken moeten worden. Bij voorbaat dient de bezoekende ambtsdrager niet in de aanvalshouding te gaan staan. Getracht moet worden de (ware) problematiek op tafel, in beeld te krijgen.

Wanneer er bezwaren tegen de prediking worden uitgesproken, dienen we deze heel serieus te nemen, vooral als de bewuste broeder en zuster het leven met de Here deelachtig is.

In alle eerlijkheid voor Gods aangezicht moeten wij ons dan grondig afvragen of de opmerking terecht is dat onze prediking naar de normen van Schrift en belijdenis te kort schiet.

Natuurlijk kan het elders kerken niet bestendigd blijven. De dood des Heren zal niet verkondigd kunnen worden. Bovendien werkt men als belijdend lid niet mee aan de opbouw van de concrete gemeente Gods, zulks in strijd met de gegeven belijdenisbelofte. Daarnaast kan de buitengemeentelijke houding op anderen en vooral op jongeren demotiverend werken.

Na de nodige vereiste zelfkritiek zullen we als raad met klem moeten verzoeken dat men zich als een getrouw lid van de gemeente van Christus openbaart. Daarbij mag verwezen worden naar de kracht van de Heilige Geest.

Wanneer trouw aan de eigen gemeente toch onmogelijk blijkt, kan in een persoonlijk en kerkeradenoverleg tot attestering worden overgegaan. Want zó kan het niet blijven. Niemand is daarmee gediend, behalve de boze!

Ik ga nu een paar opmerkingen plaatsen over hen die zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrekken door gewoonlijk elders te kerken. Op zich is dit geen nieuw verschijnsel. Reeds op de synode van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk te Groningen in 1846 kwam deze problematiek ter sprake.

In onze tijd neemt dit elders kerken op een verontrustende wijze toe. De statistieken in het Jaarboek geven daarvan een afsluitend getuigenis.

Wat zijn van dit elders kerken zo de achtergronden? De bijzondere gevallen van een (aanstaand) gemengd kerkelijk huwelijk laat ik thans buiten beschouwing. Idem als men vanwege een aanhoudend tekort aan bijbels geestelijk voedsel elders kerkt.

Zelfs als ik aanneem dat de klacht terecht is, moet de bewandelde weg toch als onjuist worden afgewezen. Reformatie gaat altijd boven separatie uit! Er dient gepraat en nog eens gepraat te worden. Met de nodige veranderingen verwijs ik naar diverse elementen die ik zojuist in de andere deelstukjes neerschreef.

Zonder volledig te zijn wil ik nu enkele andere aanleidingen noemen.

Ik meen dat we in onze tijd behoorlijk met het verschijnsel van de ontrouw geconfronteerd worden. Op elk gebied, ook op het kerkelijke!

Vervolgens hebben we over heel de kerkelijke linie te doen met een tekort aan kennis. Er zijn verschillende niet-chr.geref. kerken die zich in de verkondiging heel sterk op de rand en op het vasthouden van wat men nog heeft, richten. De preken liggen daarom wat gemakkelijker in het gehoor, terwijl wij ons meer wenden tot de gemeente in haar totaliteit en daarom niet volstaan met „melk” en met „gemakkelijke” stof.

In de derde plaats: helaas kan niet ontkend worden dat moderne inzichten zich al meer aan onze mensen en vooral aan onze jongeren vasthaken. Ik denk vooral aan ethische zaken zoals de sexuele gemeenschap vóór het huwelijk, het samenwonen. In diverse andere kerkgemeenschappen is het zwemwater breder. Vandaar bij belanghebbenden die aantrekkingskracht en het aldaar kerken. Vaak geeft men blijk de veranderde Schriftopvattingen te hebben overgenomen.

In tegenstelling met vroeger weten velen niet wat christelijk gereformeerd is. De verschillen in de verbondsleer, die uitrollen op het strand van de prediking, worden niet gekend, laat staan herkend. Het gevaar is lang niet denkbeeldig dat onze bestrijding van de huidige optimistische mensbeschouwing en van de Jezus-religie zonder de levende kennis aan Hem als de Middelaar en Borg als zeer irritant overkomt en de biezen doet pakken.

Een ander argument dat meer dan eens gehoord wordt, is die van de verstarring. Men vindt het in ons kerkelijk leven te benauwd. Waarom mogen er bij ons b.v. geen schriftuurlijke gezangen gezongen worden? Waarom steeds dat hameren op de tweemaal zondagse kerkgang?

Ook een brede samenwerking in evangelisatiearbeid kan soms een hoge tol eisen, vooral als de eigen mensen in het gereformeerde denken weinig gevormd zijn. De warmte, kleinschaligheid enz. kunnen daardoor meer dan normaal gaan aanspreken.

Tenslotte kunnen heel andersoortige factoren het elders kerken bewerken. Men gevoelt zich b.v. door een hogere functie of opleiding onder ons „gewone” kerkvolk niet meer thuis. Huwelijksconflicten kunnen idem een rol spelen. Men vindt elkaar als partners op het punt van de anti-opstelling tegenover het eigen kerkelijke leven. Mogelijk kerkt men in een ander kerkverband om tegenover de buitenwacht met een schone lei te beginnen. Het is eveneens denkbaar dat men met de kinderen grote moeite heeft. Men meent als ouders via een andere kerkgemeenschap de kinderen nog bij het geloof te kunnen behouden.

Welke taak hebben de kerkeraden nu te volbrengen?

Ik citeer eerst iets uit de oude Kerkorde van Dordrecht (editie 1894): Wanneer leden zonder wettige reden de openbare godsdienstoefening verzuimen en daarin volharden, in weerwil van de opwekking en vermaning des Kerkeraads, zullen zij na één jaar vervallen worden verklaard van hun lidmaatschap. Doch zoo zij ergerlijk zijn in leer of leven, zal men met hen de gewone orde der Kerk volgen (Synode 1846, 1854, 1857). Volgens de Handelingen en Verslagen van de algemene synoden van de Christelijk Afgescheidene Gereformeerde Kerk dacht men in eerste instantie aan die leden die zich afzonderden van de Chr. Afgescheiden Kerk en bij de gemeente van Ledeboer of Smit hebben aangesloten of op zich zelve houden. De synode van 1891 wekte de kerkeraden op om van de vervallenverklaring van het lidmaatschap geen verkeerd gebruik te maken. De desbetreffende leden dienen eerst lankmoedig gedragen en vermaand te worden.

In onze nieuwe Kerkorde van 1947 leest u onder artikel 77 een nieuwe synodale bepaling: Wanneer leden zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrekken, hetzij door onverschilligheid of door gewoonlijk elders te kerken, zullen de dienaren des Woords en de ouderlingen hen herhaaldelijk met lankmoedigheid vermanen en eindelijk bij volharding in hun ongehoorzaamheid de kerkelijke censuur toepassen. Op de synodetafel van Haarlem-Santpoort 1962 lag een instructie van de particuliere synode van het Westen ter wijziging en aanvulling van de synodale bepaling onder artikel 77. Men vond - en terecht! - het onbevredigend dat „onverschilligheid” en „elders kerken” als gelijkwaardige censurabele zonden naast elkaar werden geplaatst.

Men stelde dan ook allereerst een wijziging van artikel 77 sub 1 voor. Deze wijziging werd aanvaard: Wanneer leden zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkver band door onverschilligheid onttrekken, zal de kerkeraad hen herhaaldelijk en met lankmoedigheid vermanen en uiteindelijk bij volharding in hun ongehoorzaamheid de kerkelijke censuur toepassen.

Als tweede toevoeging werd door de particuliere synode voorgesteld: Wanneer leden van een plaatselijke kerk zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrekken door gewoonlijk elders te kerken, zal de kerkeraad herhaaldelijk met lankmoedigheid vermanen. Bij volharding in hun ongehoorzaamheid kan de kerkeraad na het stellen van een proeftijd van een half jaar, hun schriftelijk berichten met leedwezen te moeten constateren dat zij zich door hun gedrag aan het opzicht der kerk en het kerkverband onttrokken hebben. Deze berichtgeving zal niet eerder plaatshebben dan twee jaar na de eerste vermaning.

De commissie van rapport was met de particuliere synode van oordeel „dat het „elders kerken” van eigen leden, hoezeer ook te laken als een gevolg van de gebrokenheid der kerk en als een bewijs van de afzwakking van eigen kerkelijk beginsel, niet zonder meer censurabel geacht kan worden in de zin van artikel 77, welke artikel immers eigenlijk spreekt van de ban.” Toch tekende zij tegen het voorgestelde bezwaren aan. Het zou neerkomen op een royement. En dit is in strijd met het karakter van de kerk. Zij is immers geen vereniging maar lichaam van Christus! Al onttrekt men zich feitelijk door het elders kerken aan het opzicht van de kerkeraad, dat geeft nog niet het recht om tot royeren over te gaan.

In De Wekker valt van de bespreking het volgende te lezen: „Het moest in Christus’ kerk die voortkomt niet uit een wilsdaad van de mens maar uit de wilsdaad van God niet nodig zijn allerlei bepalingen te maken. We leven in een zondige praktijk. Er is een kwaad onder de zon dat niet te keren is: het elders kerken. Leden der kerk, die zich in het plechtigste uur van hun leven met een heilig „Ja” verbonden hebben aan de gemeenschap der kerk, gaan, om allerlei redenen, die kerk voorbij en kerken bij voortduring elders, terwijl ze lid wensen te blijven van eigen kerk.”

De synode komt tot de volgende uitspraak: „Wanneer leden zich geregeld aan de dienst des Woords in eigen kerkverband onttrekken door persoonlijk elders te kerken, zal de kerkeraad herhaaldelijk met lankmoedigheid vermanen en bij volharding in hun ongehoorzaamheid kan de kerkeraad naar bevind van zaken handelen op de grondslag van de Kerkorde.” Je zou ook kunnen spreken over: volgens de Kerkorde.

Wat is duidelijk? We moeten hen die de gewoonte hebben in een kerk van een ander kerkverband te kerken, opzoeken en het onjuiste van hun doen onder ogen brengen. In zo’n gesprek moet o.a. beklemtoond worden waarmee de kerk staat of valt: met de leer al of niet naar de Schrift. Gewezen mag worden op de afgelegde beloften bij belijdenis (overgang) en doop. Niet minder mag je in alle duidelijkheid de afbraakhouding in het licht stellen, de niet-aanvaarding van de verantwoordelijkheid voor het geheel en de grote onsolidariteit. Tenslotte mag gerefereerd worden aan de belofte zich gewillig te onderwerpen aan hét herderlijk opzicht en de tucht van de kerk.

Helaas gebeurt het in onze tijd meer dan eens dat men van een gesprek verschoond wil blijven. Men wenst met rust en vrij gelaten te worden. De moderne ik-gerichtheid komt ook in dezen openbaar. Idem het dalend ambtsrespect. Laten we echter anderzijds voor onszelf goed door een geweigerd gesprek heen prikken: het is bovenal een uiting van innerlijke zwakte, van gebrek aan echte argumentatie.

Tenzij men zich onttrekt, zullen we kerkelijk veel geduld moeten opbrengen en voortdurend in liefde vermanen: herhaaldelijk en met lankmoedigheid.

Inderdaad, op den duur kan het moment aanbreken dat je als kerkeraad de indringende vraag stelt of men zich nog beschouwt of blijft beschouwen als leden der gemeente. „Dan zult u dit, waarde broeder en zuster, wel moeten waarmaken. Anders zullen we met leedwezen moeten vaststellen dat u zich blijkens de lange tijd van elders kerken aan de gemeenschap onzer kerk hebt onttrokken.”

Deze weg lijkt mij wijzer dan die van de censuur. Je moet dan eventueel door durven gaan naar de afsnijding.

Krachtens ons kerkelijk beginsel lijkt het mij eveneens niet juist zelf tot onttrekking te bewegen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.