+ Meer informatie

Een brief van Bradford

5 minuten leestijd

Een andere brief van Bradford aan een vrouw, die zeer vertroostend is om te lezen voor allen, die verbroken en verslagen zijn van hart vanwege hunne zonden, laten wij hier nog gedeeltelijk volgen:
|God, onze goede Vader, vertrooste u door zijne genade in Christus met zijne eeuwige vertroosting, gelijk ik zelve door hem in mijn hoogsten nood begeer vertroost te zijn, mijne waarde zuster! Ja, Hij zal u vertroosten, alleenlijk, werp uwe zorgen op hem en Hij kan of wil u niet verzaken, want zijne roeping en gaven zijn onberouwelijk. Dien Hij bemint, bemint Hij ten einde toe; geen zijner uitverkorenen kan vergaan en ik weet, dat gij tot hun getal behoort, mijn hartelijk geliefde zuster! God vermeerdere het geloof daarvan dagelijks in u. Hij geve, dat gij u geheel aan hem en aan zijne voorzienigheid en bewaring moogt overgeven.
Want, wie zoo onder Gods bijzondere bescherming en hulpe woont, die mag zeer gerust zijn voor altijd. Ik zeg, wie daar woont, niet wie er vandaan trekt, gelijk Loth van Zoar, waar God bescherming had beloofd, indien hij er altijd ware gebleven.
Anders vertrekken wij tot ons eigen oordeel, gelijk Lot naar de bergen. Woon daar derhalve, lieve zuster! dat is: vertrouw ten einde toe, en gij zult als de berg Sion zijn.
Gelijk de bergen rondom Jeruzalem, zoo is de Heere rondom zijn volk. Hoe kan Hij u dan vergeten, daar gij hem, om zijns Zoons wille, als de appel zijner oogen zijt. Ach, dat ik nu maar een half uur bij u ware, om u een Simon te zijn, en uw kruis mee te dragen! Moge u de Heere eenen goeden Simon zenden en u helpen.
Gij klaagt in uwe brieven over de blindheid uws verstands en over de verduisteringen, die gij gevoelt. Hartelijk beminde zuster, God geve u dankbaar te zijn voor hetgeen Hij u gegeven heeft. Hij opene uwe oogen om te zien, welke en hoe groote weldaden gij ontvangen hebt. Zoo zult gij minder begeeren óf, om beter te zeggen, minder ongeduldig zijn, want ik vreeze, dat dit de eigenlijke naam is.
Hebt gij niet van zijne handen ontvangen het gezicht, om uwe blindheid te zien? en daarenboven een begeerig en zoekend hart om te zien waar Hij legert in den middag, gelijk zijn beminde Bruid spreekt in het Hooglied?
O vreugde, o vreugde, welk eene gift is dit. Velen hebben er eenig gezicht van, maar zeker niemand dat zuchten en zoeken, dat gij hebt, dan zoodanigen, die Hij zich in genade heeft toevertrouwd. Gij zijt niet tevreden zijne voeten te kussen gelijk Magdalena, maar gij wilt zelf gekust zijn met de kussen zijns monds. Gij wil met Mozes zijn aangezicht zien, daar Hij niet kan worden gezien dan bedektelijk, ja soms, onder datgene, hetwelk gij zoudt zeggen Gode gansch tegenstrijdig te zijn, zoo dat zijne genade wordt gezien in zijn toorn.
Waar Hij ons brengt ter helle, ziet het geloof, dat Hij ons brengt ten hemel. In duisternis ziet het geloof licht, in bedekking van zijn aangezicht voor ons, ziet het zijn liefelijk gelaat.
Hoe zag Job God anders dan (gelijk gij zeggen zult) onder het voorkomen van satan! Want, wie wierp het "uur van den hemel over zijn goed? Wie deed zijn huis ineenstorten en dreef de menschen aan, om zijn vee te rooven, dan satan?
En toch dringt Job door dit alles heen en ziet Gods werk zeggende: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd.
Hoe dikwijls ziet gij in de Psalmen, dat David de zoete liefde Gods ziet onder de schaduw des doods? En alzoo, mijne zuster, zie ik, dat gij in uwe duisternis door geloof klaarheid en glans ziet. Ik zegge, door geloof, overmits het geloof werkzaam is aangaande afwezende en gehoopte dingen; van dingen — ik beroep mij op uwe conscientie •— die gij begeert. Kunt gij iets begeeren, dat gij niet kent? En is er eenige ware kennis der hemelsche dingen dan door het geloof? Daarom, mijn zuster, zijt dankbaar, want (voor Gods aangezicht schrijf ik) gij hebt groote oorzaak. O mijne vreugde! hoe gelukkig is de staat, waarin gij verkeert! Waarlijk, gij zijt in den gezegenden staat van Gods kinderen; want zij treuren en treurt gij ook zoo niet? (Matth. 5.)
En dat niet over wereldschen rijkdom, maar over geestelijk geloof, hoop en liefde. Hongert en dorst gij niet naar gerechtigheid? En ik bidde u. zegt niet Christus, die niet liegen kan. dat dezulken zalig zijn? Hoe zoude God tranen van uwe oogen afwisschen in den hemel, indien gij geene tranen liet hier op aarde? Hoe zou de hemel eene plaats van rust zijn, indien gij die hier op aarde vondt? Hoe zoudt gij verlangen naar huis, indien gij op de reize geen ongemak ondervondt?
Hoe zoudt gij God zoo dikwijls aanroepen en met hem spreken, indien uw vijand gansche dagen sliep? Hoe zoudt gij anders Christus worden gelijk gemaakt, ik meen in vreugde, indien gij ook niet in droefheid met hem werdt gelijkvormig gemaakt. Wilt gij vreugde en gelukzaligheid hebben, dan moet gij eerst noodzakelijk droefheid gevoelen.
Indien gij naar den hemel wilt gaan, zoo moet gij zeilen langs de hel. Wilt gij Christus omhelzen in zijne kleederen, dan moet gij u niet schamen de bespuwingen, die Hij onderging. Wilt gij aan Christus tafel zitten in zijn Koninkrijk, zoo moet gij eerst met hem staan in zijn beproevingen. Wilt gij drinken uit den beker zijner heerlijkheid, veracht dan niet den beker der versmaadheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.