+ Meer informatie

DE ERKENNING VAN DE DOOP (2)

8 minuten leestijd

Het standpunt van de Christelijke Gereformeerde Kerken

1879

Uit de behandeling van de kwestie van de doopserkenning in de Chr. Ger. Kerk vóór 1892 blijkt, dat de reformatorische lijn in die tijd werd doorgetrokken.

De kerkeraden moesten beslissen of de doop al dan niet zou worden toegediend, wanneer een twijfelachtig of ontkennend antwoord moest gegeven worden op de vraag, of de betrokkene gedoopt was in de naam van de Drieënige God.

Er waren soms nog andere bezwaren. In de negentiende eeuw ontstonden aller-lei groepen en gemeenten met voorgangers, die preekten en doopten. Hoe had men te denken over een dergelijke doopsbediening. De kerkelijke vergaderin-gen moesten beslissingen nemen, die echter een min of meer incidenteel karakter droegen.

Hoe te oordelen over de doop, bediend door diverse, op zichzelf staande personen?

Deze zaak kwam op de Generale Synode van 1879 aan de orde. Ook de doop door „openbare ongelovigen en van afvallige kerken” werd daarbij ter sprake gebracht.

De Synode besloot om ten aanzien van de noodzakelijke vereisten voor de erkenning van een doopsbediening zo mogelijk een regel te formuleren.

Juist in die jaren werd er niet zelden gedoopt zonder de woorden van Matth. 28 : 19. Aliard Pierson schreef in 1865, dat de moderne predikant de doop bedient zonder dat hij een redelijke zin kan hechten aan de doopsformule. Hij was zelf zo consequent om zijn ambt neer te leggen!

Er waren modernen, die een korte toespraak hielden en daarna water sprenkelden op het hoofd van de dopeling, maar daar geen woord bij spraken. Anderen zeiden: ik doop u in de naam des Vaders, of: ik doop u in de naam van geloof, hoop en liefde.

Daar werd wel protest tegen aangetekend, maar het heette dan, dat het gebruik van de doopsformule niet in de reglementen was voorgeschreven.

De meeste gegevens over dubieuze doopsbedieningen hebben betrekking op de Ned. Herv. Kerk. Ook bij de Remonstranten en Doopsgezinden werd echter zeer willekeurig gehandeld.

De Synode van 1879 benoemde een commissie van acht leden, die evenwel zes verschillende voorstellen aan de vergadering voorlegde.

De commissie was wel tot een eenparig oordeel gekomen over enkele hoofdzaken. Alle leden waren overtuigd, dat het de dure roeping van de kerk is om het sacrament heilig te houden, vooral wanneer de ontheiligingen en nabootsingen van de doop met de dag toenemen.

Hoe te denken over de doop, binnen verbasterde kerken bediend? De doop van iedere gemeenschap, hetzij gehele kerk of ook plaatselijke gemeente, die toont mét het trinitarisch geloof van alle kerken gebroken te hebben, moet voor onwettig worden gehouden.

Hoe te oordelen over de doop, toegediend door personen die door geen enkele kerk gezonden of beroepen zijn? Onwettig is de doop van private personen, die met geen corporatie in officiële kerkelijke betrekking staan, en van hen, die een corporatie vertegenwoordigen, die aan het ontduiken of verachten van de wettig toegepaste kerkelijke tucht haar ontstaan te danken heeft.

De Dordtse Synode (van 1879) stelde geen „vijf artikelen tegen onwettige dopers”, op, zoals in een van de zittingen wenselijk werd geacht, maar besloot het commissierapport aan de kerkelijke vergaderingen toe te zenden met een „dringend verzoek aan de broederen om deze zaak tot een onderwerp van biddend onderzoek en overweging te maken”.

1882

Er is in de kerken nagedacht over de erkenning van de doop. Er is bovendien contact gezocht met enkele buitenlandse kerken. Tegen de tijd, dat de Synode van 1882 vergadert, zijn zestien adviezen en voorstellen binnen.

Er is zelfs een kerkeraad, die er een gereformeerde oecumenische synode voor wil samenroepen: „De Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland raadplege inzake de doopskwestie met alle buitenlandse kerken van gelijke belijdenis, door afgevaardigden uit te nodigen op eene algemeene kerkvergadering om deze zaak te bespreken, en tot een goed einde te brengen”. Met het oog op het gewicht van de zaak zou geen gemeente onwillig kunnen zijn om bij te dragen in de kosten van „zulk een oecumenisch concilie”.

Bij de discussie gaf ds. L. Lindeboom, toen predikant te Zaandam, uiting aan zijn vrees, dat men al sedert eeuwen teveel aan de uiterlijke eenheid van de kerk had gehecht. Men erkende immers de doop in vervallen kerken, omdat zij de uiterlijke kerkvormen behielden, en verwierp die van gemeenten, die een sectarisch karakter droegen, ook al werd Christus in haar midden gepredikt.

Ook in de commissievergadering had hij in deze geest gesproken:

Wij moeten weten, waar de kerk is, anders is de bediening van Woord en Sacramenten onwettig. De doop van de Roomse kerk is onwettig. De Ned. Herv. Kerk liet in 1870 het dopen in de naam van de Drieënige los, en er zijn tal van predikanten, die de heilsleer verwerpen. Hun doop is niet wettig. Het verbond strekt zich verder uit dan de kerk. Maar er is geen verbondsbediening in de Roomse Kerk, er zijn nog wel bondelingen. Rome vloekt de leer en ook de leden der Protestantse kerken. Hier en daar is nog een roomse gemeente, die vasthoudt aan het Evangelie der Schriften(?). Hier en daar en op vele plaatsen zijn ook in de Hervormde Kerk gemeenten en gemeenschappen, die het triniteitsgeloof handhaven en de doop naar de instelling van Christus bedienen. En er kunnen dienaren zijn, die buiten het genootschapsverband komen, het Evangelie prediken en dopen — hun doop zal evenals die van genoemde gemeenten voor wettig gehouden worden. Maar overigens wil ik nog veel liever de doop der sectarissen erkennen dan de doop der Roomse en der Hervormde Kerk. Aldus Lindeboom. Naar de mening van de meesten ging hij echter te ver. Tenslotte nam hij zijn voorstel terug.

Met algemene stemmen werd besloten, dat de doop van genootschappen of verenigingen, die formeel met de belijdenis van het trinitarisch geloof gebroken hebben, niet erkend kan worden, doch dat overigens, met handhaving van de bepalingen der Synode van 1872, art. 17, en in aansluiting aan de beginselen van Calvijn, aan de belijdenisschriften der Gereformeerde Kerk, en in overeenstemming met de besluiten der Synode van 1571 tot 1618/19, personen, die hetzij als kinderen, hetzij als volwassenen, de doop ontvangen hebben buiten de Christelijke Gereformeerde Kerk, zo zij tot haar overkomen, als gedoopten te beschouwen zijn, ingeval zij gedoopt zijn in of vanwege een Vergadering van christenen, door een, door zulk een Vergadering geroepen en erkend, dienaar des Woords, met water, en in de naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes (Handelingen, art. 35).

De vraag kan gesteld worden, wat de betekenis is van de woorden: „die formeel met de belijdenis van het trinitarisch geloof gebroken hebben”.

Volgens de Handelingen der Synode is deze uitdrukking ontleend aan het voorstel van de Provinciale Synode van Noord-Brabant, en hebben de afgevaardigden uit die provincie desgevraagd geantwoord, dat zij hieronder verstonden: eene officiële verklaring der Hoogste Vergadering van eenig genootschap, dat zij met het trinitarisch geloof gebroken heeft.”

Het besluit van 1882, dat na njp beraad genomen werd, is nog altijd van kracht

De normen, die hier worden aangegeven, zijn verantwoord.

Alleen is op te merken dat de aanduiding: „Door een door zulk een Veigadering geroepen en erkend, dienaar des Woords” niet inhoudt, dat alleen de doop bediend door een predikant, als geldig wordt beschouwd, maar wel dat de betrokkene een kerkelijke bevoegdheid moet hebben om het sacrament te bedienen.

Gezien de bepaling van 1882 zal de doop van de Rooms-Katholieke kerk in onze kerken in het algemeen niet herhaald worden

1915

In 1915 kwam de vraag, of de doop van een priester als wettig erkend moet worden, in behandeling

In de daaraan voorafgaande jaren had de Synode van onze kerken de doop door een vrouw bediend, en de nooddoop, zoals deze bij Rome plaatsvindt, onwettig verklaard Maar de gewone roomse doop dan?

Men volstond met met een verwijzing naar de bepahng van 1882, maar maakte opnieuw studie van de kwestie van de doopserkenning

Er werd door de Classis Dordrecht een rapport ingediend, dat terecht ingaat op de verhouding van kerk en verbond Wie bij de kerk begint zoals Lindeboom dat had gedaan, heeft moeite met een in een andere kerk bediende doop, voorzover hij moeite met die kerk heeft En dan zijn er problemen genoeg! Maar het uitgangspunt is het genadeverbond met de beloften, die door de doop betekend en verzegeld worden.

Wordt het verbond beperkt door de grenzen der ware kerk of strekt het zich verder uit dan de ware kerk?

In het rapport wordt uiteengezet, dat ook de afvallige kerken (Rome!) nog niet „van alle betrekking tot het verbond beroofd zijn”

De conclusie is dat alleen de nog met geheel en al verdwenen sporen van het verbond de erkenningsgrond kunnen zijn van de doop, die buiten de waie zichtbare kerk bediend wordt En zolang een kerk nog vasthoudt aan de leei van de Drieëenheid zijn er nog sporen van het verbond.

De Synode aanvaardde de conclusie van het rapport en besloot de doop, dcoi een rooms priester bediend, te blijven erkennen.

Uit dif alles is af te leiden, dat het standpunt van onze kerken inzake de doopserkenning overeenkomt met het oude gereformeerde standpunt.

De regels zijn goed, maai zijn ze ook in deze tijd bruikbaar? En hoe staat het met de toepassing ervan in concrete gevallen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.