+ Meer informatie

Voor de jeugd

BESTE JONGELUI! Gideon 14 (Richt. 16 :20 - 21)

9 minuten leestijd

Gideon is met het geschenk, wat hij voor zijn Gast was wezen bereiden, teruggekeerd. Zijn Gast had al die tijd geduldig op hem zitten wachten. Het mocht Gideon een wonder zijn, en zo zal hij het later ook wel hebben gezien, dat Hij nog niet vertrokken was. Want de Heere was ten slotte toch niets aan Gideon verplicht. Daar moeten wij ook allemaal iets van leren verstaan. Beste vrienden, verstaan jullie daar ook iets van? Wij zijn jegens de Heere alles verplicht, maar Hij is jegens ons niets verplicht. Hoe lang zit Hij desondanks al op ons te wachten? O, denk daar maar eens over na. Wanneer we bidden, willen we zo vaak aanstonds verhoord worden. Dat bemerkte ik deze week weer uit een brief, die ik van een jeugdige mocht ontvangen, naar aanleiding van de stukken die hier worden verhandeld. In de brief werd mij verteld, dat het is om er moedeloos van te worden. Altijd bidden en dan de gedachte te hebben, dat het niet hoger komt dan het plafond. Dit te moeten beleven valt niet mee. Je zoudt er kwaad om worden. Och, ik kan dat allemaal wel begrijpen. Maar begrijp nu ook eens goed, hoe lang de Heere ons al nagewandeld heeft met Zijn roepstemmen, zonder dat er door ons acht op werd geslagen? Want de Heere spreekt op zo velerlei wijze, ook in deze tijd. De grote vraag is echter: Hebben wij een hart om het op te merken. Gevraagd werd ook: Het gebed van een onbekeerd mens, kan dit eigenlijk wel verhoord worden? Ik begrijp, dat er veel vragen hier naar boven kunnen komen. De Satan is erg listig. Hij weet zelfs „onbekeerde” mensen nog met bijbelteksten van het bidden af te brengen. Want er staat geschreven, dat het gebed van de goddeloze de Heere een gruwel is. Nu, dan kun je zelf de conclusie wel trekken. Je bent een goddeloze, want dat zijn alle onbekeerde mensen. Dus, je kunt het bidden wel nalaten, want het wordt er alleen maar erger door, je schuld wordt alleen maar groter. Misschien zijn er wel meer van mijn vrienden, die met dergelijke vragen lopen te tobben. Ze durven het bidden niet te laten, maar de vraag of het nog enige „zin” heeft, kunnen ze ook maar niet kwijt raken.

Ik zou de zodanigen willen zeggen, dat God naar onbekeerde mensen ook luistert. Daar staan voorbeelden van in de bijbel. Denk b.v. maar aan die tien melaatsen. Deze hebben alle tien om genezing gevraagd, en verkregen ook. Terwijl er van die tien toch maar één geweest is, die het werkelijk om de Heere te doen was. Die andere negen, die ook verhoord waren geworden, hadden aan de verhoring genoeg. Dat is op zichzelf erg, natuurlijk. En dit komt nog veel voor. Denk maar aan zieken, als er om hun genezing wordt gebeden. Hoe menigmaal treedt dan, als een verhoring op het gebed, de genezing in. Maar ook, hoe menigmaal, gaat men na de genezing weer niet de oude weg op. Men heeft tijdens z’n ziekte misschien nog wel veel beloften gedaan. Doch niet zodra is men beter, of alles wat men beloofd heeft, is weer spoedig vergeten. Dit is natuurlijk zeer ondankbaar. En dan worden de zegeningen, die men „onverdiend” gekregen heeft, tot nog erger aangewend. De schuld wordt er aan het eind alleen maar groter door.

Spreekt God eigenlijk wel tot onbekeerde mensen? Zo werd er ook gevraagd. Hier kan ik op bijbelse gronden, ook „ja” op zeggen. Ik denk aan Manasse. Dat was een zeer goddeloos jong mens. De bijbel zegt zelfs, dat zijns gelijke in goddeloosheid niet bestond. En nu „sprak” de Heere wel tot Manasse, en tot zijn volk, maar zij merkten daar niet op. 2 Kron. 33 : 10. Zo gebeurt het nog. De Heere spreekt, door middel van Zijn Woord en ook door middel van Zijn voorzienige leidingen. De grote vraag is echter: Wordt er acht op geslagen, of worden alle roepstemmen in de wind geslagen? En als jullie nu eerlijk moeten zeggen, al zovele roepstemmen in de wind geslagen te hebben en God eigenlijk maar hebben laten „praten”, is het dan zo wonderlijk, als je niet aanstonds verhoring op je gebed verkrijgt? Als je er goed over na denkt, dan zul je moeten zeggen: Ik ben waard, dat de Heere nooit naar mij hoort. Als Hij nooit naar mij horen zou, dan zou ik Hem schoon gelijk moeten geven. Zo is het mij ook wel eens meegedeeld, door een jong mens, die toch verhoring van de Heere verkregen heeft. Rijke verhoringen zelfs. Ik zou dus willen zeggen, tot een ieder, die hier mee loopt te tobben, laat je door de duivel en „zijn schriftgebruik” niet van de wijs brengen. De Heere hoort het gebed, ook van onbekeerde mensen, mits het in waarheid tot Hem opgezonden wordt. Toen die tollenaar zijn „korte” gebed uitsprak, was hij toen bekeerd of onbekeerd? Ik geloof van het laatste, althans wat zijn eigen waarneming betreft. Van Gods kant uit bezien, was dit bidden van hem natuurlijk een gevolg van de trekkende liefde Gods. Maar dat is „van achteren” voor ons pas duidelijk. Van te voren kunnen we dat niet bekijken. Dus, mijn „onbekeerde” vriend en vriendin, bidt maar veel tot de Heere en vraag maar: Heere leer ons bidden, want wij weten niet te bidden, gelijk het behoort. Denk maar aan die gelijkenis van die weduwe en die onrechtvaardige rechter, die de Heere Jezus heeft uitgesproken, daartoe strekkende, dat men „altijd’ bidden moet en niet vertragen. Ik ga daar nu maar niet verder op in, want dan raken we Gideon helemaal uit het gezicht kwijt. Ik hoop inmiddels mijn briefschrijfster van enig antwoord gediend te hebben, en mochten er nog meer vragen zijn, die zijn natuurlijk altijd te stellen en zo nodig wil ik die dan ook nog wel persoonlijk beantwoorden.

Toen Gideon teruggekeerd was met het bereide geschenk, zette hij het zijn Gast voor, met de kennelijke bedoeling, dat Hij er van zou gaan eten. Doch, tot de ongetwijfeld grote verbazing van Gideon, gebeurde dit niet. Gideon moest het alles uitstallen op een rotssteen. „Doch de Engel des Heeren zeide tot hem: Neem het vlees en de ongezuurde koeken, en leg ze op die rotssteen en giet het sop uit. En hij deed alzo”. We zien het voor onze ogen gebeuren. Waarschijnlijk lag daar in de buurt een groot blok steen, zo zullen wij het ons althans wel moeten voorstellen. En daar moest Gideon nu het meegebrachte geitenbokje op leggen en de ongezuurde koeken, en het sop, „jus” (?) moest hij daar over uitgieten. Toen alles netjes geschikt was, het werd niet zo maar op een hoop gegooid, „stak de Engel des Heeren het uiterste van Zijn staf uit, die in Zijn hand was, en roerde het vlees en de ongezuurde koeken aan: Toen ging er vuur op uit de rots en verteerde het vlees en de ongezuurde koeken. En de Engel des Heeren kwam weg uit zijn gezicht”.

Dit alles moet toch wel een wonderlijke indruk gemaakt hebben op Gideon. Het vuur dat uit de rots kwam, was een wonder. We moeten niet denken, dat uit die rotssteen vuur geslagen is. Theoretisch is dat natuurlijk mogelijk. Wanneer je met een hard voorwerp op een steen een harde slag geeft, dan spat het vuur er ook af. Maar dat heeft nooit een zodanig effect dat er een dergelijke brand ontstaat. Neen, we hebben hier met een wonder te doen.

Het volk Israël had de Heere verlaten. Het offerde nog wel, maar niet meer aan de Heere, doch aan de baäls, de afgoden. Daar moest de Heere zich grotendeels over vertoornen. Want dat was de grofste miskenning van Hem, Die de Bron en oorzaak van alle goed is. Het volk maakte zich daardoor waardig, dat alles verbrandde. Hun vlees en brood, maar ook zij zelf. Zij moesten verdwijnen van de aardbodem. Maar dat gebeurde niet. De Heere had het volk wel gestraft, maar nog niet naar hunne zonden. Neen, lang niet naar hunne zonden. Want dan zouden zij Sodom en Gomorra gelijk geworden zijn, dat ook met have en goed en z’n inwoners van de aarde is verdwenen.

Van hetgeen hier gebeurde, ging een prediking uit. Gideon had om een teken gevraagd, waaruit blijken zou, dat hij met de Heere te doen had. Het ging immers om zulke gewichtige zaken? Nu kreeg hij in dit „gebeuren” een teken. De Heere maakte van dat geschenk een „offer”. Hij liet Gideon daarin zien wie Hij nu eigenlijk was. Want de vertering van dat vlees en die koeken door vuur is een betoning van de rechtvaardigheid Gods. „Onze God is een verterend vuur”. Om der zonden wil, had het volk zich waardig gemaakt, dat God alles in vuur en vlam zou zetten, en dat Hij daarmee en daarna voor goed Zijn hand van dat volk zou aftrekken, dat Hij daarna voor goed uit hun gezicht verdwijnen zou. Zo in de geest van: Je ziet Mij nooit meer! Er staat achter onze verhouding nu voor goed een punt.

Dat is de ene kant van de zaak. Er zit ook nog een andere kant aan verbonden. Want in plaats dat nu dat volk onderging met alles wat ze hadden, wat hier voor de ogen van Gideon gebeurde, deed God de gave van Gideon dit wedervaren, terwijl Hij het volk spaarde. Dit geschenk, wat dus door de Heere Zelf tot een offer gewijd werd, getuigde er ook van, dat God barmhartig is en zeer genadig. Schoon zwaar getergd, lankmoedig en weldadig en groot van goedertierenheid.

Geweldige prediking. De Heere is recht in al Zijn weg en werk. En: Zijn goedheid kent in het gans heelal geen perk. Dat is toch wel de conclusie die we hier moeten trekken.

Denken jullie daar maar eens over na en vergeet dan ook niet het vervolg van deze zo juist aangehaalde psalm: Hij is nabij de ziel die tot Hem zucht. Hij troost het hart dat schreiend tot Hem vlucht. Dat ongeveinsd, in het midden der ellenden. Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden. Hij geeft de wens van allen die Hem vrezen. Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen. Ik ga nu weer eindigen en wens jullie allen veel goeds.

Tot de volgende keer. Jullie aller vriend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.