+ Meer informatie

Christelijke omgang met de naaste die homofiel is

4 minuten leestijd

Met schroom en met enige aarzeling wil ik proberen in te gaan op een brief die ik al geruime tijd in mijn bezit heb. Daarin wordt gevraagd op welke wijze men behoort om te gaan met homofiele gevoelens binnen de christelijke gemeente.

U voelt wel aan: dit is een vraag waar het antwoord niet zomaar op te geven is. De briefschrijver heeft dit tenminste wel aangevoeld, omdat hij eindigt met de mededeling dat hij begrip heeft voor het feit dat zijn brief onbeantwoord zal blijven. Het komt zelfs sympathiek over dat hij mij beslist ontraadt om erop te reageren wanneer ik te weinig kennis of te weinig ervaring heb met dit probleem. Ik denk begrepen te hebben wat de schrijver van deze brief bedoelde. Toch gaf het mij geen vrede deze brief onbeantwoord te laten. Mag een pastor wel zeggen: „Ik mis de nodige ervaring, dus..." Is dat niet het kiezen van de weg van de minste weerstand? Bovendien komen er in het pastoraat meer zorgen en moeiten voor die één keer voor het eerst op het pastorale pad worden ontmoet. Ik heb geprobeerd het gestelde probleem op mij in te laten werken. Duidelijk is dat hier iemand aan het woord is die worstelt met zijn homofiele geaardheid. Hij is ervan overtuigd dat homofilie zonde is voor God en hij doet geen enkele poging om iets van de ernst van deze zonde in mindering te brengen. Hij stelt niet ter discussie of homofilie misschien gezien kan worden als een ziekte of een handicap om daarmee zondige gevoelens enigszins af te zwakken.

Isolement
Nee, niets van dit alles. Maar het is hem niet minder tot grote zorg en tot een haast niet te dragen last geworden dat hij hierdoor in een geweldig groot isolement terecht is gekomen, waarin hij dreigt te verstikken. Dit is geen zelfmedelijden, maar een uiting van een bepaalde nood in de gereformeerde gezindte, waarin volgens hem vele "anoniemen" verkeren, zonder dat iemand hen de helpende hand kan toereiken. Wie kan deze nood peilen? Wie voelt er iets van aan, hoe verschrikkelijk het moet zijn om in de eenzaamhheid deze gevoelens te onderdrukken en alleen te verwerken? Een gesprek schijnt haast niet mogelijk en wie het toch waagt, stelt zich uitermate kwetsbaar op. De tijd van de schandpalen kan dan wel tot het verleden behoren, maar wie zal zeggen hoe dikwijls deze nog worden opgericht binnen de gemeente, waarin men op een christelijke wijze met elkaar om behoort te gaan? Dat wil zeggen: zich gedragen zoals Christus ons heeft voorgeleefd! Laat dat gevoelen in u zijn, zegt de apostel, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2:5).

Niet schamper
Dat houdt nogal wat in. Ten aanzien van de omgang met onze naaste die "anders" is in ieder geval dat ik niet vanuit de hoogte op hem neerzie. Hem niet veracht. Laat staan hem vertrap of verwerp. Maar dan ook geen schampere opmerkingen over hem maken omdat zijn seksuele geaardheid anders is dan de mijne. Komt een dergelijke verfoeilijke houding niet voort uit onvoldoende besef van de alles bedervende macht van de zonde en haar niet te stuiten doorwerkende kracht? Wie door Gods genade enige zelfkennis heeft ontvangen en eigen zondige natuur en vleselijke begeerten heeft ontdekt, wacht zich wel om op een meedogenloze wijze het oordeel over de naaste te vellen. Anders gezegd: hem aan de schandpaal te binden. Wat wordt er toch een selectieve verontwaardiging aangetroffen binnen de christelijke gemeente als het gaat om de beleving van de zonde. Homofilie is zeker vrucht van de zondeval, maar wie kan behagen scheppen in de wrange vruchten die door onze val in Adam zijn afgeworpen?

Eraan lijden
Dat doen wij metterdaad wanneer wij er niet voor terugdeinzen de zonde van de ander zwaarwichtig te bespreken en breed uit te meten, in het voorbijgaan van eigen kwaad. De roddel- en sensatiezucht die op gang komt bij de ontdekking van de homofiele gevoelens bij ons gemeentelid dreigt een haast onuitroeibaar kwaad te worden. Om over praatjes bij andere zonden maar te zwijgen. Wat heeft de zondeval niet teweeg gebracht! Hoe verwoestend en verscheurend werkt deze door in het gemeentelijke leven. Wie lijdt er nog werkelijk aan? Lijden, zoals Christus aan de zonde geleden heeft tot de dood toe. Nergens lezen wij van Hem dat Hij de zonde heeft goed gesproken. Hij heeft ze met klem bestreden, maar nooit de zondaar die met hartelijk berouw tot Hem vluchtte afgewezen. Hoe ontdekkend was Zijn onderwijs ten aanzien van de overtreding van het 7e gebod: „Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen." Een ieder beproeve zichzelf Ook in de omgang met de naaste die anders is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.