+ Meer informatie

TER OVERWEGING

24 minuten leestijd

Bloeien als een lelie. Bijbels dagboek voor de vrouw 2001. Uitg. Groen, Heerenveen 2000. f 34,95.

Het initiatief om binnen de geref. gezindte te komen tot een speciaal dagboek voor de vrouw blijkt aangeslagen te zijn: er verscheen opnieuw een editie, voor het jaar 2001. Per week wordt een bepaald thema behandeld (o.a. verdriet, vrouw-zijn, haasten, bedriegen, verdrukking, opvoeden, Heilige Geest, advent) en deze thema’s worden weer onder een bepaald gezichtspunt onder de loep genomen: de verhouding God-mens, het gevoelsleven of de omgang met elkaar. E.e.a. is heel helder op elke bladzijde aangegeven. Er is ruimte voor aantekeningen. Een fris ogende uitgave. Uit onze kerken werkten mee ds. Van Amstel, prof. Velema, mevr. Maris-de Kleine en mevr. Westerink-van der Kamp.

J.H. Velema, De kerk centraal. Zestig jaar in dienst van de kerken. Uitg. Groen, Heerenveen 2000. 196 blz. f 32,50.

Daartoe van verschillende zijden gedrongen is ds. J.H. Velema ertoe overgegaan een overzicht van zijn werkzaamheden in onze kerken op een rij te zetten. Dat gebeurt niet chronologisch, maar thematisch; zo lezen we bijvoorbeeld over onze kerkelijke opleiding in hoofdstuk 3 van de kant van de jonge student, maar ook van de kant van de latere curator. Ds. Velema heeft ontzaglijk veel en intensief gearbeid en is vaak geroepen tot cruciale posities. Hij is de eerste om daarover aan de Here de eer te geven in dit boek. Bewust heeft hij geen memoires willen schrijven (blz. 10). Dat is te respecteren, maar het geeft aan het boek tegelijk iets tweeslachtigs: enerzijds moet een boek als dit iets zeggen over \degene die het schrijft (het gaat immers over zïjn werk), anderzijds moet over hem ook weer niet teveel worden gezegd, om niet in de val van de mensverheerlijking te lopen. Naar mijn waarneming heeft het boek daardoor toch iets fragmentarisch gekregen op veel punten; zaken worden soms genoemd of aangestipt, maar bewust niet uitgediept. Wie kennis draagt van de genoemde zaken heeft iets van herkenning, wie dat niet heeft, krijgt dan eigenlijk te weinig informatie; zijn interesse wordt gewekt, maar kan niet echt bevredigd worden. Vergis ik mij als ik stel dat de auteur daar zelf ook mee geworsteld heeft?

Opnieuw legt ds. Velema nadruk op zijn oprechte wens dat er uit de vele kerken die het woord ‘gereformeerd’ in zich dragen een katholiek-gereformeerde kerk in Nederland zal ontstaan. Hij zei reeds in 1986 daarvoor nog te willen ijveren, zo herinner ik mij. Het moet voor hem, zo ook voor ons allen, verdrietig zijn om te moeten constateren dat bij het ‘koperkleurig’ worden van het emeritaat (blz. 152) de vérvulling van deze wens verder weg lijkt dan ooit. De dienst in de kerken en het kerk-zijn zelf blijft een zaak van gebrokenheid…

Het kan niet anders of in een boek met zoveel feiten sluipen enkele ongerechtigheden; ik noem er één (voor de aardigheid): het lijkt mij dat op blz. 98 een foto van de synode van 1986 staat, en niet van 1965.

drs. M.C. Mulder, Het Lam regeert. Bijbelstudies over Openbaring 4–22. Uitg. Boekencentrum 2000. 150 blz. f 24,90.

Drs. Mulder, CGK-predikant in Goes en deeltijd-docent aan de TU-Apeldoorn, heeft een verrassend inzichtelijk boek geschreven over het boek Openbaring. Terecht spreekt een begeleidend schrijven van de uitgever over ‘helder en toegankelijk’. En dat mag een compliment heten bij een zo lastig boek als Openbaring. Bij het bestuderen ervan valt op dat de auteur heel zelfstandig zijn weg gaat in de uitleg, met medeneming van wat velen eerder hebben geschreven, zonder zich aan wie dan ook per definitie te binden. Als grondregel voor de uitleg wordt in de inleiding gesteld: ‘Het gaat (…) om een steeds diepere doorlichting van wat gebeuren gaat, met telkens nieuwe beelden’ (blz. 16), niet om een ‘spoorboekje voor de toekomst’ (blz. 19). Daarna volgen 27 bijbelstudies, telkens afgesloten door gespreksvragen. Voor persoonlijke en groepsstudie ten zeerste aanbevolen. U zult er door verrijkt worden.

dr. H.R. van de Kamp, Openbaring. Profetie vanaf Patmos, derde serie Commentaar op het Nieuwe Testament. Uitg. Kok, Kampen 2000. 537 blz. f 89,-.

Al een aantal jaren geleden startte prof. dr. J. van Bruggen (geref.-vrijg.-hoogleraar te Kampen) een nieuwe serie commentaren op het Nieuwe Testament, een serie die ooit door de hoogleraren Grosheide en Greijdanus via de bekende ‘Bottenburg’-commentaren begon. Ondertussen zijn al ongeveer dertien delen uitgekomen; uit onze kring werkt prof. dr. L. Floor eraan mee. Met veel genoegen kondig ik het nieuwste deel aan, een commentaar op het laatste bijbelboek. Het is een waardig deel geworden en het staat voor een doorwrochte, nauwkeurige exegese. De auteur toont zich daarbij een vertegenwoordiger van de gereformeerde traditie, zonder echter allerlei nieuwe inzichten buiten beeld te laten. Met name predikanten zullen met dit deel hun winst kunnen doen. Op onderdelen is altijd wel eens verschil van mening. Ik noem als voorbeeld blz. 165 e.V., waar de auteur bij 4:4 de 24 oudsten slechts betrekt op de oudtestamentische ‘veteranen’. Vaak wordt (mijns inziens terecht) het getal 24 gezien als 2×12, waarbij het een lijn trekt naar de kerk van oud én nieuw testament. De argumentatie waarom dit onjuist zou zijn (u vindt die op blz. 168) kon me niet overtuigen, zeker niet in het licht van de samenstelling van andere getallen in het boek Openbaring.

dr. ir. J. Blaauwendraad, De leer tegen het licht. Belofte en verbond in Woord en Reformatie. uitg. Groen, Heerenveen 2000. 157 blz. f 24,95.

Dit boek is een vervolg van het drie jaar eerder verschenen boek Het is ingewikkeld geworden. De auteur verwerkt inhoudelijke reacties (of het uitblijven daarvan…) en trekt de lijnen uit zijn eerste boek verder en dieper. Dit alles omdat het zijn overtuiging is dat in zijn kerken (de Geref. Gemeenten) ‘bijbels spreken over het evangelieaanbod in de beloften zo’n schaars artikel is geworden’ (blz. 127). Het is wel triest dat hij moet constateren, in een gedeelte over het doopformulier: ‘Als ik het klassieke doopformulier lees, mag ik dat gewoon doen. Wat er staat, hebben de opstellers écht bedoeld’ (blz. 85). Het is vurig te hopen dat zijn hartenkreet nu leidt tot een zuiver inhoudelijk gesprek, meer dan drie jaar geleden. Echt inhoudelijk en geestelijk met elkaar spreken in een binnenkerkelijk ver/geschil blijkt altijd weer lastig te zijn — niet alleen in de Geref. Gem. overigens. In een bespreking van het eerste boek sprak ik de wens uit (AC jan. 1998 blz. 146) dat de auteur bij een mogelijke vervolgstudie ‘nog dieper graaft dan hij al gedaan heeft en niet alleen de geschiedenis induikt naar de oude schrijvers, maar (…) naar de Schrift’. Ik verbeeld mij niet dat het daardoor komt, maar ik heb me erover verheugd dat dit fundament in dit tweede boek uitdrukkelijk en overtuigend gelegd wordt. En nu maar hopen én bidden dat we allen, in het geheel van de geref. gezindte, leren eenvoudig bij de Schrift en de belijdenis te blijven — of daar terug te komen.

Peter Srnilde, Over nieuw. Bijbel-leesgids voor jongeren. Uitg. Filippus, Arnhem 2000. 128 blz. f 22,50.

Een nieuwe uitgave van Filippus. Een aantal gedeelten uit Mattheüs en Marcus (uit de Startbijbel) wordt overzichtelijk afgedrukt, nadat er telkens een inleiding is met voorbeelden die de weg ‘openmaakt’ naar dat gedeelte. Afsluitend de kern, uitmondend in een centrale vraag. Het geheel met een heel leuke opmaak. Een betrouwbare gids.

Elaine Brown, Hoe kom ik hier uit? Leren omgaan met depressie. Uitg. Plateau, Barneveld 1998. 80 blz. f 19,75.

Dat ook christenen aan ernstige depressies kunnen lijden, is (gelukkig) in brede kring geen vraag meer. Dit boek bevat een verslag van een christin die haar ervaringen in een depressieve periode heeft weergegeven. Voor hen die zelf deze schijnbaar hopeloze diepte kennen, zal het een stuk herkenning geven, voor hen die geroepen worden tot geestelijke begeleiding (ambtsdragers, andere gemeenteleden) is het een goed middel om valkuilen in het (pastorale) contact te vermijden. Het laatste hoofdstuk (’Aanraders en afraders’) mag iedereen wel goed in hoofd en hart prenten. Tenslotte: ook in dit boek blijkt weer hoe belangrijk trouw in het houden van contact met deze gemeenteleden is, ook al lijkt het zo op het oog niets te helpen.

dr. D. Martyn Lloyd-Jones, God de Vader, God de Zoon en De laatste dingen. Serie Geloofsleer deel 1 en 3. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 356 resp. 249 blz. f 69,95 resp. f 59,95.

Nadat eerder al deel twee in de serie ‘Geloofsleer’ was verschenen (getiteld ‘God de Heilige Geest) verschenen nu deel 1 en 3. Lloyd-Jones (die leefde van 1899–1981) behoeft inmiddels onder ons nauwelijks aanbeveling meer; zijn boeken zijn de laatste jaren bij velen gewaardeerd geworden wegens hun diep-geestelijk en principieel-betrouwbaar karakter. Dat zal ook met deze geschriften ongetwijfeld weer het geval zijn. Het zijn bundelingen van lezingen/toespraken, met een uitdrukkelijke pastorale inslag, die de auteur hield over de verschillende aspecten van de geloofsleer. Ze hebben nog steeds actualiteitswaarde; ik denk daarbij bijv. aan de duidelijke uiteenzetting t.a.v. de zogenaamde ‘opname van de gemeente’, deel 3 blz. 131–141 en de daarop volgende hoofdstukken over het ‘duizendjarig rijk’.

drs. C.G. Geluk en drs. R. Schoonhoven, Helen door te delen. Een aanzet tot psycho-pastorale hulpverlening. Uitg. Boekencentrum Zoetermeer 1999. 230 blz. f 32,50.

De meesten onder ons zullen bekend zijn met de Stichting PPH. In verschillende gemeenten functioneren klaagvrouwen/mannen om in het vaak langdurige helingsproces van hen die psychisch uit balans zijn, nabij te zijn. In dit boek treft men een verantwoording van dit werk aan. Daarnaast een uitgebreide analyse van verschillende probleemvelden, zowel vanuit het gezichtspunt van de pastor als van de psycholoog. Als voorbeelden noem ik verslavingsproblematiek, seksuele problematiek, schizofrenie, occultisme, dementie, depressiviteit. Zodoende kunnen ambtsdragers in hun wijkwerk geholpen worden om inzicht te krijgen in de problemen die zij in het kader van dat werk tegenkomen. Een informatief boek, waarin de Schrift bovendien echt spreekt.

W.A. Strange, Kinderen in de vroeg-christelijke kerk. Uitg. Barnabas, Heerenveen 1999. 148 blz. f 24,95.

Dit boek gaat over de plaats van het kind in de tijd van de eerste christenen. De auteur gaat na hoe in de wereld van toen de positie van kinderen was. Die was bepaald niet groot, waarbij er wel weer verschil was tussen een jongen en een meisje. Tegen die achtergrond plaatst hij vervolgens de teksten uit de bijbel, m.n. het Nieuwe Testament, die het kind naar voren halen. Ze krijgen een extra accent daardoor. Interessant vond ik vooral hoofdstuk 4, waar het gaat over kinderen en de sacramenten. Op grond van de geschiedschrijving en de bijbelse gegevens komt de auteur tot de mening dat zowel de kinderdoop als de kindercommunie in de vroeg-christelijke kerk praktijk waren — waarbij het wat het avondmaal betreft meer over de geschiedschrijving dan over de bijbelse gegevens gaat. Het is een overzichtelijk geschreven boek; wel is het jammer dat er geen tekstregister is opgenomen; dat zou de toegankelijkheid hebben verhoogd.

Dr. J.C. Borst, Botsing en richting. Morele dilemma’s in de (christelijke) hulpverlening. Serie Herkenning. Uitg. Christelijke Hogeschool, Ede 2000. 25 blz. f 7,50.

Christelijke hulpverleners komen in de complexe maatschappij waarin wij leven steeds vaker voor morele dilemma’s te staan. Mensen knopen bijvoorbeeld relaties aan die in strijd zijn met de boodschap van het evangelie. Wat doe je als christelijke hulpverlener wanneer zo’n relatie tot allerlei moeilijkheden aanleiding geeft en er een hulpvraag op je afkomt?

Dr. Borst schrijft over morele spanningen, conflicten en dilemma’s waarmee (christelijke) hulpverleners in de huidige pluralistische samenleving te maken kunnen krijgen. De auteur reikt bouwstenen aan voor een christelijke beroepsethiek. Aan het eind van het boekje geeft hij in een model (stappenplan) aan hoe de hulpverlener bij een botsing weer een bijbels verantwoorde richting kan vinden om het moreel dilemma in zijn werk op te lossen.

Prof.dr. H. Jochemsen (red.), Toetsen en begrenzen. Een ethische en politieke beoordeling van de moderne biotechnologie. Lindeboomreeks nr. 12. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 2000.263 blz. f 39,50

Een studiegroep van deskundigen heeft het terrein van de moderne biotechnologie verkend en doet daarvan verslag in dit boek. Speciale aandacht is er voor de ethische vragen die zich vanuit christelijk oogpunt voordoen op dit gebied.

De opzet van dit boek is helder. Duidelijk en goed gedocumenteerd wordt in beeld gebracht wat er tegenwoordig mogelijk is in de biotechnologie: genetische manipulatie, kloneren, gen-therapie, xeno-transplantatie e.d. Het zijn technieken die een hoge vlucht nemen. Welke ontwikkelingen ons nog te wachten staan, is niet goed te overzien. Wel pleiten de auteurs voor een actieve houding van de overheid. Regelgeving is nodig om ethisch onaanvaardbare handelingen en technieken te voorkomen.

Vanuit een christelijke levensovertuiging wordt in dit boek een model ontworpen om een ethische beoordeling te kunnen geven van de nieuwe biotechnologie. Uitgangspunten zijn o.a. de mens als beeld van God en de mens als rentmeester over de schepping. De ethische beoordeling richt zich op 7 punten waarvoor in totaal een score van 100 gehaald kan worden. Om ethisch aanvaardbaar te zijn is een score van 55 of meer nodig. Zo ontstaat een procedure om een genuanceerd oordeel te geven. Over het algemeen staan de schrijvers op het standpunt dat de nieuwe biotechnologieën slechts met grote voorzichtigheid gebruikt kunnen worden (bijvoorbeeld voor medische doeleinden en gewasveredeling). Technieken die met zich meebrengen dat (vele) menselijke embryo’s te gronde gaan, worden afgewezen uit respect voor het menselijk leven.

leder die met de nieuwe biotechnologieën in aanraking komt (wetenschap, techniek, politiek) vindt in dit boek veel informatie over de laatste stand van zaken. Bovendien wordt een bruikbare procedure voor een ethische beoordeling vanuit christelijk standpunt gegeven, doorvertaald naar concrete aanbevelingen. Daarom van harte aanbevolen.

Bladeren door christelijke tijdschriften, Uitg. Narratio Gorinchem, gratis via de boekhandel verkrijgbaar.

Een informatief boekje waarin allerlei christelijke tijdschriften zichzelf presenteren, uiteenlopend van de “Strijdkreet” tot “CV-Koers”.

Dr. G.J. Mink, Buiten de kerk geen enkel behoud!? Uitg. Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn 2000.53 blz. f 9,50.

Al heel vroeg in de kerkgeschiedenis is bij de kerkvader Origenes (185–254) de uitspraak te vinden: ‘buiten de Kerk wordt niemand behouden’ (zie ook art. 28 NGB). Dr. Mink gaat na welke invloed deze uitspraak heeft gehad in de kerkgeschiedenis. Hij richt zich vooral op twee vragen:

1. over welke kerk gaat het?

2. wat wordt bedoeld met het heil?

De auteur neemt zijn lezers mee op een boeiende kerkhistorische rondwandeling, waarin o.a. aandacht wordt gegeven aan de opvattingen van J. Calvijn, A. Kuyper en K. Schilder. Het boek loopt uit op een tweevoudig pleidooi: enerzijds een roep tot de wereld om het behoud in Christus te zoeken zoals dat in de kerk verkondigd, beleden en gevierd wordt en anderzijds een oproep tot een heilige levenswandel van allen die tot de kerk behoren.

Oikodomè, universiteitsblad van de TUA, jrg. IV no. 2 en 3, 1999/2000. Uitg. Theologische Universiteit, Apeldoorn, f 19,50 per jaargang van vier nummers.

De beide nummers die voor ons liggen, hebben een gevarieerde inhoud. In het nummer van november 1999 gaan prof.dr. K. Zwanepol en prof.dr. J. Maris in op de overeenstemming die bereikt is tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de Lutherse Wereld Federatie over de rechtvaardiging door het geloof. Het nummer van april 2000 gaat grotendeels over hermeneutiek.

Philip Yancey, De Bijbel die Jezus heeft gelezen. Het Oude Testament voor christenen van nu. Uitg. Barnabas, Heerenveen 2000. 187 blz. f 34,95.

Philip Yancey doet in dit boek verslag van een persoonlijke ontdekkingstocht door het Oude Testament. De moeiten van de hedendaagse lezers van het OT komen in beeld. Het resultaat is een boek waarin de nadruk niet valt op allerlei informatie die het de bijbellezer gemakkelijker maakt, maar in de vorm van een persoonlijk verslag wordt duidelijk hoe volharding en speurzin de schrijver hebben geleid naar een beter verstaan van de boodschap van het OT.

Studiebijbel, deel 10, Openbaring van Johannes. Uitg. CvB, Veenendaal 2000. 563 blz. f 140,-(bij intekening op de hele serie: f 117,-).

In de serie Studiebijbel van het Nieuwe Testament is het deel over de Openbaring van Johannes verschenen. De hele serie bestaat uit 17 delen. Nu is het vijftiende deel uitgekomen. Naar verwachting zal men medio 2001 de serie kunnen completeren. Met het deel over de Openbaring is de behandeling van de bijbelboeken van het Nieuwe Testament afgerond.

Voor wie de serie kent, is de aanpak vertrouwd: in verschillende kolommen wordt achtereenvolgens weergegeven de Griekse tekst (met aantekeningen), verschillende vertalingen en tenslotte vers voor vers commentaar (met een systeem van verwijzingen). Een schat aan exegetische gegevens wordt op deze wijze toegankelijk gemaakt, niet alleen voor predikanten maar ook voor de geïnteresseerde bijbellezer.

Zoals bij iedere commentaar over het laatste bijbelboek die ik in handen krijg, sloeg ik nieuwsgierig de gedeelten op over het getal 666 (Op. 13:18) en over het 1000-jarig vrederijk (Op. 20). Nieuwe inzichten over het veelbesproken getal 666 heb ik niet gevonden. De auteurs komen uit bij keizer Nero. Andere theorieën worden ook genoemd, maar de waarheidselementen daarvan hadden naar mijn gedachte meer ruimte kunnen krijgen. Bij de behandeling van het 1000-jarig vrederijk (bij de excursen achterin het boek) blijkt dat de auteurs kiezen voor een chiliastische benadering. Zij motiveren dat door te stellen dat er zo meer ruimte zou zijn voor de plaats van het volk Israël. Ook hier worden wel andere gedachten genoemd, maar in de literatuurverwijzingen miste ik de naam van prof. dr. J. van Genderen die verschillende malen over het duizendjarig rijk geschreven heeft, wél een ruime plaats voor Israël heeft, maar geen chiliast is.

Joanne Verhulst, Hé, schoonheid. Uitg. Vereniging tot heil des volks, Amsterdam 2000. 80 blz. f 10,-.

Korte roman over een jonge vrouw die terecht komt in de wereld van fotomodellen. Dit verhaal is geschreven in opdracht van ‘Het Scharlaken Koord’, een organisatie die zich bezighoudt met hulpverlening en evangelisatie onder prostituees.

Ds. H. Schouten e.a., Uit de stilte. Uitg. Vereniging tot heil des volks, Amsterdam 2000. 90 blz. f 15,-.

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de ‘EHAH — Pastorale hulpverlening rond seksuele identiteit’, is dit boekje verschenen. In de beginjaren van de EHAH stond hulpverlening rondom homoseksualiteit centraal. Tegenwoordig wordt er pastorale hulpverlening geboden rond allerlei vragen die te maken hebben met seksuele identiteit (homoseksualiteit, pedofilie, travestie, seksverslaving enz.). De visie en de werkwijze van de EHAH wordt duidelijk gemaakt aan de hand van levensverhalen van (ex-)cliënten. Daarmee worden deze tere en moeilijke vraagstukken op een concrete manier aan de orde gesteld.

De EHAH werkt met Gods Woord als basis. In de 25 jaar van hun werk is er veel aan bezinning gedaan, hetgeen zich doorvertaalt naar een genuanceerde benadering in de hulpverlening. De werkwijze van de EHAH is erop gericht mensen te begeleiden om naar bijbelse richtlijnen te leven.

ds. A. de Ruiter, De hartkwaal van de kerken. Hoe kunnen bleke kerken weer kleur krijgen. Uitg. Kok Voorhoeve, Kampen 1997. 125 blz./ 20,90.

Ds. De Ruiter, Geref. (vrijg.) predikant, is bezorgd over het gemis aan ‘geestelijke kleur’ in de gemeenten. In zijn bezinning gaat hij uit van een boekje van de bekende ds. H. Veldkamp — zijn bijbelstudies zijn onder ons zeer bekend. Deze wees er indertijd al op dat velen niet goed beseffen wat geloven is. Men is tevreden met een ‘half’ geloof. Na de weergave van dit geschrift gaat de auteur in zijn spoor verder. Het hoofdpunt zit ‘m zijns inziens in het feit dat onder gereformeerden ‘een eenzijdig zwaar accent gelegd wordt op de rechtvaardiging’ ten koste van ‘de aandacht voor de heiliging’ (blz. 87). Nu is dat in bepaalde kringen, meen ik, onweerlegbaar het geval (geweest?). Vandaag ben ik eerder bang voor het tegengestelde. Daarom is dit boekje mij toch niet evenwichtig genoeg.

Th.M. Naastepad, Geen vrede met het bestaande. Uitleg van het boek openbaring. Uitg. Ten Have, Baarn 1999. 318 blz. f 34,90.

De rooms-katholieke theoloog Naastepad (overleden in 1996) zal velen onder ons bekend zijn door verschillende deeltjes in de serie ‘Verklaring van een bijbelgedeelte’. Dit boek bevat gehouden preken (of uitleg) uit het laatste bijbelboek. Ze kenmerken zich door een eigen vertaling, die vaak sterke verwantschap toont met de Statenvertaling, die soms echter ook vervreemdend werkt (zo bijv. met de vertaling ‘hamel’ waar wij over ‘lam’ spreken, Openb. 5:8). In de uitleg wil Naastepad de Schrift in zijn geheel laten spreken — hoe kan het met Openbaring ook anders? Dat geeft vaak herkenning. Verschil van mening zal blijven, soms op ondergeschikte punten; zo bijv. met de uitleg van het getal 24 op blz. 50, waar ik toch echt denk aan de 12 stammen Israëls en de 12 discipelen, waarop de kerk van alle eeuwen is gebouwd. Maar ook op een essentieel punt: men zou nog wel eens door moeten spreken over de betekenis van het offer van Christus.

Auke Jelsma, Doorgevingen van Jezus. Uitg. Ten Have, Baarn 2000. 127 blz. f 24,90. In een kwetsbare periode van zijn leven heeft de auteur een aantal ‘visioen-achtige’ ontmoetingen gehad, gesprekken met Jezus. Hij doet er verslag van. Het resultaat is dat veel van wat wij in de Heilige Schrift over Jezus leren, door Hemzelf gecorrigeerd wordt, tenminste… als we de auteur moeten volgen. Dat ben ik vooralsnog niet van plan. Dat Jezus zelf aan zijn werk als aan een mislukking dacht (blz. 19), dat hij verwekt zou zijn middels een verkrachting door een Romeins soldaat (blz. 37), dat hij zijn kruisiging niet vermoed zou hebben (blz. 60), en nog zoveel meer… Het boek zet heel veel op zijn kop en aan de kant. Moesten deze ‘doorgevingen’ nu echt doorgegeven worden?

Tim Dowley, Het leven in de tijd van de bijbel. Uitg. Groen, Heerenveen 1999. 32 blz. f 9,95. Voor zondagsscholen en nevendiensten is met dit boekje de mogelijkheid aanwezig om aan de kinderen in woord en beeld uit te leggen hoe het dagelijks leven in de tijd van de bijbel, in Israël, er uitzag. Onderwerpen zijn o.a.: het leven in een tent, het huwelijk, gezondheid en medicijnen, visserij, godsdienst en feesten. Met prachtige kleurenfoto’s en -tekeningen.

Marleen Ramaker, Je levensweg hervinden. Over omgaan met lijden, moeite en verdriet. Uitg. Plateau, Barneveld 1999. 144 blz. f 24,75.

De auteur is, samen met haar man, zelf door veel verdriet heengegaan: ze verloren hun zoon aan de dood, nadat hij maandenlang vermist was geweest. Dat gegeven geeft aan het boek een grote warmte. De eigen worsteling wordt op menige bladzijde onderkend. Het boek valt in twee delen uiteen: ‘omgaan met verdriet, moeite en lijden’ en ‘de bijbel aan het woord’. Velen zullen houvast vinden aan de tere zaken die aan de orde komen. Soms moet men ook wel voorzichtig zijn: in hoofdstuk 9 (getiteld ‘lijden aan afwijzing’) wordt als voorbeeld de profeet Jeremia genoemd. Maar die afwijzing ging specifiek over de boodschap van Godswege… Toegevoegde gespreksvragen maken het boek ook geschikt om in de kring te gebruiken, waar ‘verwerking’ het thema is.

Jo Tigcheler, Jezus. Hoe hij staande bleef. Uitg. Kok, Kampen 2000.134 blz. f?

In dit boek bespreekt de auteur — karmeliet, studeerde na zijn priesteropleiding klassieke talen en spiritualiteit — een aantal teksten uit de Evangeliën en werpt daarbij zijn (let wel!) licht op de spiritualiteit van Jezus. Hoezeer daarmee soms ook tot nadenken stemmende zaken aan de orde komen, het geheel van het boek kan toch niet bevredigen. Dat kan men het beste laten zien aan de hand van een citaat op blz. 75: ‘Na het visioen hebben ze weer te doen met de gewone rabbi Jezus van iedere dag’. Ze beseften niet ‘hoezeer hij zelf heeft geworsteld met de mogelijkheid van een moord op hem’. Jezus: niet meer dan een mens als alle andere, die zich gaandeweg bewust wordt van een roeping die hij ‘ervaart’ en ‘voelt’, die mogelijkerwijs uitloopt op een catastrofe; in dit alles mist men het ‘tegenover’ van Godswege. Ik denk dat het niet toevallig is dat in de titel over een ‘hij’ met kleine letter wordt gesproken.

Raymond B. Dillard en Tremper Longman III, Inleiding op het Oude Testament. Uitg. Groen, Heerenveen 2000. 584 bl., f 125,-.

Dit is een bijzonder boek. Oorspronkelijk afkomstig uit de Amerikaanse bijbelwetenschap werd een vertaling en bewerking gereedgemaakt door drs. H.J. de Bie en dr. M.J. Paul. Zij zorgden ook voor aanvulling met onder ons gangbare literatuur, zodat een nauwe aansluiting werd bereikt met wat in Nederlandse uitgaven voorhanden is op het terrein van het onderzoek van het Oude Testament. Het boek voorziet in een leemte: vanuit orthodox-protestants gezichtspunt was tot op dit moment nauwelijks iets voorhanden. Voorlopig kunnen we met dit kloeke standaardwerk vooruit, zowel kwantitatief als kwalitatief.

Na een inleiding en verantwoording wordt boek voor boek uit het OT bekeken. Telkens vindt men per boek een bibliografie, de historische achtergrond, de literaire structuur, de theologische boodschap en een hoofdstuk(je) over de betekenis, gezien vanuit het NT. De bijbelgetrouwe benadering van de auteurs betekent niet dat er geen oog zou zijn voor het noemen en inhoudelijk verwerken van allerlei andere theorieën. Integendeel, die komen eerlijk en objectief aan het woord, waarna vervolgens het eigen standpunt wordt verantwoord. Met veel respect aanbevolen!

drs. Wim Dekker, Langs de rand. Theologische reflecties over de kloof tussen geloof en leven. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 2000. 126 blz. f 22,50.

Drs. Dekker is van 1950 en is theologie in Utrecht gaan studeren in 1968. Dat betekent dat hij nog is opgegroeid in de periode van het ‘vanzelfsprekende’ van het christelijk geloof in Nederland, maar dat hij vervolgens het hele (slag)veld heeft meegemaakt van verscherping in de orthodoxie aan de ene kant en vervliegen van het geloof aan de andere kant. In al deze jaren heeft hij een positie ingenomen — of moet ik zeggen: een zoektocht ondernomen? — waarin hij enerzijds de kracht van het gereformeerd belijden wil vasthouden en anderzijds de aansluiting met de mensvan-nu niet wil kwijtraken, of waar nodig de brug opnieuw wil slaan. Dat maakt zijn positie tot een kwetsbare. In de columns uit het Friesch Dagblad die in dit boek zijn verzameld, legt hij van dit alles getuigenis af. Het valt uiteen in drie delen: geloof en cultuur, gemeente en cultuur, cultuur en gemeente. Stuk voor stuk echte doordenkertjes, die opscherpen. Want wie kan nog om deze worsteling heen?

drs. N. Dijkstra-Algra e.a.: Help, ik ben ambtsdrager. Een praktische cursus voor het werk. Uitg. Voorhoeve, Kampen (CeGeboek) 1999. Vierde druk, 62 blz. f 12,90.

Er is grote behoefte in de kerkenraden aan materiaal om elkaar te helpen in het kerkenraadswerk in al haar facetten: bezoekwerk, taken rond de eredienst, bijbelse uitgangspunten enz. Dit boekje is een goed middel om in een bezinnings(half)uur daarin verder te komen. In het algemeen wijst het principieel goede wegen (het boekje ontstond binnen het Conf. Geref. Beraad binnen de GKN). Hier en daar denk je: de praktijk is bij ons anders, bijv. t.a.v. de gang van zaken rond het huisbezoek. Ik vond het pijnlijk dat de naam van ds. C. van de Velde zonder meer genoemd wordt, zowel op de flap als onder het Woord vooraf, als ware hij nog in leven. Al enkele jaren geleden overleed hij immers.

Nynke Dijkstra-Algra, Verscheidenheid van gaven. Wat kan uw unieke bijdrage zijn aan de opbouw van de gemeente? Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1999. 63 blz. prijs f 19,90. Bijbehorende handleiding f 15,-.

Vooral in grote gemeenten kan het heel lastig zijn om in de veelheid van werkzaamheden en leden de juiste mens op de juiste plaats te krijgen. Om enig inzicht te krijgen in de vraag wat de gave van iemand is, die vervolgens daartoe ingezet kan worden in het Koninkrijk, kan deze gids een hulpmiddel zijn. Het is goed dat aan het eind gewezen wordt op datgene dat aan onze ‘gaveninzet’ principieel vooraf gaat: Góds grote gave voor mensen, krachtbron voor het geloof. Het is ook goed — dat heb ik minder in dit boekje kunnen ontdekken — dat men oog houdt voor het weerbarstige in de mens: soms moet je er gewoon vóór gezet worden: zie Mozes in Ex. 3.

ds. J. Van Amstel, Om ‘Amen’ op te zeggen. Uitg. Groen, Heerenveen 2000. 204 blz. f 24,95.

Ds. Van Amstel schreef het boek met bovenstaande titel met als leidraad het Onze Vader, aan de hand van de zondagen 45–52 van de Heidelberger Catechismus. Zo vloeien er 31 meditatieve hoofdstukjes uit zijn pen, gevolgd door een aantal gespreksvragen. Op veel kan men ‘amen’ zeggen. Niet op alles. Zo vond ik het een manco dat in de hoofdstukjes die over de Vadernaam gaan (blz. 61–76) geen enkele keer aandacht is besteed aan die mensen die een heel verwrongen vader-beeld hebben, omdat hun vader hen heel ‘onvaderlijk’ behandelde, of zelfs mishandelde. Een dergelijk gebeuren staat het kennen van God als Vader in de weg. In datzelfde gedeelte (‘Vader is in de hemel’, blz. 71) vond ik een verwijzing in negatieve zin naar het pantheïsme, met een link naar alternatieve geneeswijzen, minder op z’n plaats. Dat moet maar weer eens een andere keer. Ondanks deze kanttekeningen zal dit nieuwe boek van de Edese predikant zeker met zegen gebruikt kunnen worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.