+ Meer informatie

ENIGE AANDACHTSPUNTEN BIJ PASTORAAT IN INCESTSITUATIES

14 minuten leestijd

In de achterliggende jaren is er een stroom informatie losgekomen over het onderwerp incest. Zowel qua omvang als qua gevolgen blijkt het een ontstellend probleem. Eén op de zeven vrouwen zou dergelijke ervaringen hebben, die in veel gevallen ernstige tot zeer ernstige persoonlijke schade berokkenen aan de slachtoffers 1).

Dat men de ernst ervan is gaan inzien betekent nog niet dat men in de praktijk daarmee ook goed raad weet. Daarom is er reden om hen die met incest kunnen worden geconfronteerd, daarvoor toe te rusten.

Dit artikel heeft het karakter van gesprekshulp voor ambtsdragers. Het geeft een overzicht van gevolgen van incest binnen een christelijke omgeving voor het geestelijk leven, die evenzovele gesprekspunten kunnen zijn in het pastoraat aan slachtoffers. Het geeft voorts richtlijnen om het gesprek vanuit een pastorale grondhouding aan te gaan 2).

Incest binnen een christelijk gezin

Jantien (18 jaar) is jaren achtereen seksueel misbruikt door haar vader. Hij wist haar het zwijgen op te leggen door te dreigen met Gods straffen (“God zal je bezoeken als je het vertelt! Je mag je ouders niet te schande maken!”).

Ondertussen ging haar vader aan het Avondmaal en genoot groot respect bij een deel van de gemeente. Na het bekend worden van de incest ontkende hij in alle toonaarden en binnen de kerkeraad is het verhaal van Jantien met ongeloof ontvangen.

Ze wil niets meer met de kerk te maken hebben. De gedachte aan bidden en bijbellezen maakt haar opstandig. Als ze aan God denkt, voelt ze zich door Hem in de steek gelaten (“Steeds bad ik of het mocht ophouden, maar God luisterde nooit”), angstig (“Die God heeft dezelfde stekende ogen als mijn vader”) en schuldig (“Soms komt alles op me af. Dan denk ik: wat heb ik gedaan? Want het is mijn schuld dat ons gezin nu uit elkaar Iigt”). Op andere momenten flakkert de woede op en verwenst ze alles wat met godsdienst te maken heeft.

Uit zo’n verhaal blijkt iets van de geestelijke ravage die incest kan aanrichten. Welke gevolgen kan incest op iemands geestelijke ontwikkeling hebben? Om die vraag te beantwoorden, moeten we eerst zicht hebben op de mogelijke betekenissen van incest binnen een christelijk gezin.

Verminking van het zelfbeeld

Door seksueel misbruik wordt de persoonlijkheid van het slachtoffer miskend en mishandeld. De Signalen van angst, walging en pijn worden genegeerd. Het slachtoffer wordt vernederd tot object van bevrediging van andermans lusten en opvulling van diens leegte en tekort. Zo kan iemand geen gezond zelfvertrouwen, noch vertrouwen in anderen ontwikkelen.

In geestelijk opzicht leidt dat tot het gevoel dat men ook voor God te siecht en te vies is, of dat men om duistere redenen door God wordt gestraft met dit misbruik. Een slachtoffer: “God vindt mijn leven toch waardeloos. Hij had net zo lief dat ik er niet was”.

Een splitsing tussen leer en leven

Incest binnen een christelijk gezin: hoe is het mogelijk? Alleen als Gods Woord krachteloos is gemaakt binnen de situatie waarin incest plaatsvindt. Er is een gespletenheid tussen leer en leven. We beluisteren dat in uitlatingen van slachtoffers over het godsdienstige klimaat in hun gezin. Ze spreken van “puur buitenkant”, of over christelijke gewoonten als “dingen die nu eenmaal zo horen”.

Gevolg is dat men het christen-zijn als iets onwaarachtigs en onbetrouwbaars gaat beleven. Voorzover het functioneert, dient het niet zelden als dekmantel voor kwalijke praktijken. Zo kan het vijfde gebod op een perverse manier worden ingezet om te voorkomen dat een slachtoffer de eilende naar buiten brengt: “God wil niet dat je zulke dingen over je ouders zegt!”

Verstrengeling van het misbruik met een verwrongen godsbeeld

Ouders zijn voor hun kinderen voorbeelden om na te volgen. Zonder daar nu nader op in te gaan, mag gewezen worden op het feit dat de Bijbel dit nadrukkelijk onderkent en de ouders ook op de grote verantwoordelijkjheid wijst die daarmee verbonden is. God betrekt - middelijkerwijs - mensen immers gewoonlijk binnen Zijn verbond in de lijn der geslachten. Niet alleen in de voortplanting, maar vooral ook door de opvoeding, het voorhouden en voorleven van Gods Woord.

Incest in een christelijk gezin betekent dat een verwrongen en verminkt godsbeeld wordt overgebracht. De God tot Wie aan tafel wordt gebeden en naar Wiens Woord wordt geluisterd, valt blijkbaar te rijmen met seksueel misbruik. Gegeven de Sterke èn krenkende uitwerking daarvan, kan deze beeldvorming de geestelijke ontwikkeling ernstig misvormen. We zien dit b.v. terug in het feit dat slachtoffers die door hun vader zijn misbruikt, God verwarren met hun eigen vader. Ze geven te kennen weinig van God te verwachten, want hun eigen vader had immers ook geen zorg voor ze. lemand zei: “De ogen van God prikken, net als die van mijn eigen vader”.

Gevolgen voor de geestelijke ontwikkeling

Hier gaat een fnuikende invloed van uit op de geestelijke ontwikkeling van slachtoffers. We noemen enkele vaak voorkomende gevolgen, die kenmerkend zijn voor het verwarde geestelijke leven van veel slachtoffers.

Boosheid en woede komen veelvuldig voor. Die vormen een natuurlijke reactie op de vernedering en krenking die kenmerkend zijn voor misbruik. Slachtoffers uit christelijke gezinnen kunnen daarbij in conflict komen met waarden als het eren van de ouders en de eis vergevingsgezind te zijn. Sommige slachtoffers zijn boos op God: “Waarom Het Hij dat toe, waar was Hij?”

Schuldgevoelens zijn bijna altijd aanwezig. Als gevolg van niet verwerkte boosheid. Of omdat men zich verantwoordelijk acht voor de eilende die ontstaat als het misbruik naar buiten wordt gebracht. Wanneer een dader medeplichtigheid suggereert (“Ze daagde me uit”; “Ze vond het zeit ook fijn”), of het slachtoffer “beloont” (door extra aandacht of cadeautjes te geven), geeft ook dat aanleiding tot schuldgevoelens.

Wanneer boosheid en schuldgevoelens in combinatie met elkaar voorkomen, is dat in bijna alle gevallen een teken van grote geestelijke en psychische belasting die behalve pastorale ook deskundige aandacht behoeft!

Als derde emotionele reactie noem ik angst voor God. Vaak is die verstrengeld met schuldgevoelens; men is bang gestraft te worden voor het gebeurde.

Niet zelden groeien de innerlijke conflicten uit tot wanhoop. Tekenen van hopeloosheid kunnen zich op verschwende terreinen voordoen. Hopeloosheid over zichzelf (“Ik ben te siecht, te vies om nog te kunnen veranderen”), over anderen (“Niemand wil nog met me te maken hebben, als ze me echt zouden kennen zouden ze me uitspugen”), over de toekomst (“Dit leven heeft me niets meer te bieden”) en God (“God heeft me losgelaten, anders zou dit allemaal niet gebeurd zijn; ik ben verloren”).

Deze wanhoop kan gemakkelijk tot zelfbeschadigend gedrag leiden (er bestaat een sterk verband tussen seksueel misbruik en suïcidaal gedrag). Geloven is vertrouwen en dat heeft men van de overmachtige dader niet geleerd. Zou de Almachtige dan wel te vertrouwen zijn?

Uit dit alles blijkt dat veel slachtoffers een sterk verwrongen godsbeeld hebben. Tegen die achtergrond is het te begrijpen dat het gebedsleven onder zware druk komt te staan. Velen menen dat ze niet meer kunnen bidden, lemand die geen gevoel van liefde meer voor haar ouders kon opbrengen vertelde: “Ik kan niet meer bidden, want God aeeepteert me alleen als ik doe wat mijn ouders willen”. En waar de omgeving de weg naar God niet wijst en het slachtoffer de weg van persoonlijke omgang met het Woord en het gebed onbegaanbaar acht, ontstaat vanzelf geestelijke ondervoeding.

Kerkverlating tenslotte, komt niet zelden voor. In het verwerkingsproces kan men het kerkverband, dat met het karakter van het gezin eveneens met het misbruik verweven is geraakt, a.h.w. niet meer vasthouden. Of - en dan kiezen we een andere invalshoek -men wordt er onvoldoende door vastgehouden.

In het pastoraat bij incestslachtoffers moet men opmerkzaam zijn op tekenen van deze mogelijke aspecten van het geestelijk trauma. Men is dan in Staat die ter sprake te brengen en het slachtoffer te begeleiden in de verwerking daarvan.

Over die concrete begeleiding is uiteraard veel meer te zeggen. We beperken ons hier tot één centraal probleem.

Een schreeuw om geborgenheid: Waarom?

Ik geloof dat ik wel meer plezier in het leven kan hebben als ik het verwerkt heb. Maar tussen mij en God komt het nooit meer goed. En daarom heeft het geen zin meer.” In dit citaat van een slachtoffer klinkt het geestelijk kernconflict door waar het ten diepste om gaat. Alle aspecten die we hiervoor noemden - de twijfel aan de waarachtigheid van het christelijk geloof, de verstrengeling van godsbeeld en misbruikervaring, de gebedscrisis etc. - komen samen en spitsen zich toe in deze vraag: hoe komt het goed met God? De vraag naar het waarom is een belangrijk signaai van deze geestelijke crisis. De aard en diepte daarvan moet worden gepeild. Is het een klacht (dan is er vooral pijn) of een aanklacht (dan is de pijn gemengd met boosheid en protest)? En hoe diep is de crisis? Is er hoop op een betrekking met de HEERE, twijfelt men daaraan, is alle hoop daarop opgegeven, of staat men op het punt zich geheel van Hem af te keren? Bij deze verschillen in diepte van de crisis is er één overeenkomst. Men is in meer of mindere mate de reëel ervaren relatie met God kwijt. De waarom-vraag is ten diepste een schreeuw om geestelijke geborgenheid.

Wie dat uit het oog verliest, kan de waarom-vraag enkel als beschuldiging of uitdaging opvatten. De pastor kan daarop reageren met rechtvaardiging van God (of van zijn eigen benadering). Het pastorale gesprek, waarin het er ten diepste toch om gaat dat iemand tot de HEERE wordt geleid, verwordt dan gemakkelijk tot een kil filosofisch debat, of een twistgesprek dat slechts verliezers kent.

In plaats van direct op de waarom-vraag in te gaan is het meer op zijn plaats daar eerst goed naar te luisteren en de diepte en achtergronden daarvan (zie hiervoor) te peilen. Men moet vervolgens laten merken dat men die gehoord en begrepen heeft. Daaruit blijkt dat men werkelijk aandacht heeft en nabij wil zijn. Zo kan ontvankelijkheid ontstaan om vervolgens te luisteren naar wat God daarop te zeggen heeft.

God Zelf is het antwoord

We kennen de gekwelde, maar ook de opstandige waaroms van een Job en Asaf. Opmerkelijk is dat God hun geen rechtstreeks antwoord op die vragen gaf. Wèl toonde Hij hun Zijn werken en daarin iets van Zichzelf. Juist daarin liet God merken dat Hij de geestelijke nood in hun klacht had begrepen. In plaats van een zakelijke en uiteindelijke nutteloze uitleg, kregen ze God Zelf! “Wien heb ik nevens U in de hemel?” zingt Asaf. En Job verwoordt het zo: “Met het gehoor des oors heb ik u gehoord, maar nu ziet U mijn oog.”

Hun moeiten als zodanig waren niet opgelost. Maar hun diepere nood - hun godsgemis - veranderde in geborgenheid bij God. Pas in die geborgenheid kan ervaren worden dat voor Gods kinderen alle dingen moeten meewerken ten goede. Die geborgenheid wordt gevonden in de weg van de gelovige overgave aan de HEERE. Alleen Gods Geest kan dat werken.

De grondhouding

Incestsituaties confronteren een ambtsdrager met tal van moeilijke thema’s. Denk aan de crisis in het ouderlijk gezag, de vragen random het vijfde gebod, omgaan met boosheid en woede, schuldgevoelens, de omgang met de dader en mogelijke andere slachtoffers, de vragen rond vergeving en verzoening. We kunnen deze onderwerpen hier niet bespreken 3).

In de pastorale begeleiding gaat het ook niet in de eerste plaats om losse onderwerpen, maar om de persoon in de totaliteit van zijn of haar leven. Dat moet goed in het oog worden gehouden, omdat de begeleiding anders een fragmentarisch karakter krijgt. Daarom is de grondhouding zo belangrijk. Die geeft eenheid en samenhang aan de begeleiding. In aansluiting op het voorgaande zijn een aantal principes voor de pastorale grondhouding te noemen.

1. We noemden de vervlechting van een verminkt godsbeeld met de incestervaring als een belangrijk aspect van het geestelijk trauma. In de opening en toepassing van het Woord Iigt het middel om die knopen te ontwarren. Het meest wezenlijke van het bijbelse pastoraat is dat eerst naar het Woord van God wordt geluisterd, om dat vervolgens toe te kunnen passen in de bijzondere omstandigheden van mensen. Het kan niet anders of daartussen zit een voortdurend vragen naar de leiding van de Heilige Geest en een intens luisteren naar de ander. Hoe zou het Woord anders op gepaste wijze kunnen worden toegepast?

Hoewel men moet uitkijken voor selectief bijbelgebruik, zijn er gedeelten te noemen die zich daar bijzonder toe lenen. Te denken valt aan de geschiedenis van Jozef, die door zijn broers werd verkocht met wie hij zich later verzoende (daarin was hij type van Christus). Voorts zijn er het misbruik van het volk Israël in Egypte, sommige Psalmen (10, 31, 39, 55, 88, 91, 120, 129) en Christus’ lijden. Uiteindelijk blijft alleen dat als grond over waarop ons menselijk lijden zinvol teruggelegd kan worden.

2. Zoals de dader het verkeerde voorbeeld gaf, zo zal de ambtsdrager het goede moeten geven. Daarvoor is allereerst nodig dat hij zelf leeft in de gemeenschap met de HEERE. De kracht en werkelijkheidswaarde van het geloof moeten a.h.w. aan hem beleefd kunnen worden. Die “authenticiteit” van de ambtsdrager is van groot belang. Zo kan de gespletenheid in leer en leven worden opgeheven en heling vinden in een ontmoeting met God.

3. We bespraken allerlei gevolgen van incest in een christelijk gezin. Die zijn als kenmerken van geestelijke ondervoeding en traumatisering te typeren. Liefde is het middel bij uitstekom in die eilende herstel te kunnen bereiken. Nu valt het woord liefde niet gemakkelijk in onze seeptische en geërotiseerde wereld. In de context van ons onderwerp kan het zelfs ronduit cynisch klinken.

Toch wijst de Bijbel de liefde (agapè) aan als de weg bij uitnemendheid (1 Kor. 12:31). In 1 Kor. 13:4-7 geeft Paulus met trefwoorden een karakteristiek van deze liefde. We wijzen er slechts op dat gerichtheid op de ander, verdraagzaamheid en geduld daarin een zeer belangrijke plaats innemen.

Opvallend is dat dit gedeelte a.h.w. “omarmd” wordt door eenzelfde kenmerk. “De liefde is lankmoedig”, zo begint vs. 4 en vs. 7 zegt hetzelfde met andere woorden: “zij verdraagt alle dingen”. Die kwaliteiten zijn hier zeker nodig, want begeleiding van slachtoffers (en daders) vraagt veel, heel veel geduld, zorg en aandacht.

De spanning van de pastorale begeleiding

Er is geen andere weg dan juist die van het bijbelse pastoraat waarop werkelijk vrucht verwacht mag worden. Toch is dit geen gemakkelijke weg. De ambtsdrager Staat vaak in een spanningsveld. Enerzijds is er de gebroken, soms moedeloos makende realiteit. Die is niet met een programma te veranderen. Anderzijds is er de radicale, evangelische eis tot een volmaakte levenswandel, die echter niet afgedwongen kan en mag worden.

In die spanning houdt alleen de liefde het uit. Ze streeft naar volmaaktheid en gelooft alle dingen. En ook als de feiten teleurstellen, dan volhardt ze toch in de hoop. Want de liefde blijft.

1) We zullen hier niet nader ingaan op de omvang, noch de reikwijdte van de problematiek die als gevolg van incest kan ontstaan. Zie daarvoor, evenals voor een opgave van literatuur voor verdere oriëntatie: Janneke Kok, Anja Koster en Jan van der Wal: Incest, een informatieve en praktische handreiking in bijbels licht. Leiden: J.J. Groen en Zoon, 1992. Het materiaal voor dit artikel is hoofdzakelijk ontleend aan de hoofdstukken 3 en 7 van dit boek.

2) Een voorwaarde om tot een goed gesprek te komen is, behalve een passende voorbereiding daarop, ook een goed beleid waarin die gesprekken zijn ingekaderd. Dat geldt in het bijzonder wanneer er sprake is van incest in de actualiteit of in het récente verleden. Voordat tot gesprekken wordt overgegaan, verdient het uitzetten van een dergelijk beleid grote zorgvuldigheid. Daarvoor kan men het beste contact opnemen met een (liefst christelijke) deskundige hulpverlener. Hoewel die de wijsheid niet in pacht heeft en de ambtsdrager altijd zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt, zijn zij op dit moeilijke terrein meer ervaren. Tevens kunnen zij de ambtsdrager attent maken op de mogelijkheden van verdere hulpverlening.

3) Veel van deze onderwerpen worden (overigens in andere verbanden) besproken in: W.H. Velema: Ethische vragen in prediking en pastoraat. Kampen: Kok Voorhoeve, 1989. Voorts wijs ik op D.M. LloydJones: De bergrede. Leiden: J.J. Groen en Zoon, 1990. Een rijke bron voor de praktijk van het christelijke leven, ook in moeilijke situaties als die van incest!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.