+ Meer informatie

HOE PASTORAAL TE HANDELEN BIJ HUWELIJKSAANVRAGEN ROND SAMENWONEN

14 minuten leestijd

Verschuivende problematiek

Het verschijnsel van het samenwonen van twee mensen die van elkaar houden, zonder getrouwd te zijn, heeft de kerken vanaf het eind van de jaren ’70 intensief bezig gehouden. Ook in onze kerken zijn er maar weinig gemeenten die eraan ontkomen zijn. Kerkeraden hebben zich meer en meer bezig moeten houden met de vraag hoe men de betreffende paartjes moet benaderen en hoe men met hun vragen moet omgaan.

Ja, ook dat laatste: hoe men met hùn vragen moet omgaan. Want langzamerhand kwam er een verschuiving; eerst betraf het nog (doop)leden van de christelijke gemeente die toch al weinig meeleefden, en ook al moeilijk benaderbaar waren. “Randleden”, zo werden ze genoemd. En gesprekken over het samenwonen konden lang gevoerd worden, zonder dat de kerkeraad gedrongen werd maatregelen te nemen. Maar langzamerhand is dat patroon in vele gemeenten veranderd: ook meelevende leden van de gemeente, trouwe leden gaan samenwonen zonder getrouwd te zijn, doopleden die naar de belijdeniscatechisatie willen bijvoorbeeld, of leden die gewoonlijk deelnemen aan de viering van het Heilig Avondmaal. En van de kerkeraad wordt gevraagd een beleidslijn uit te stippelen……

Zo zal het ook gebeuren dat binnen de gemeente een kerkelijke huwelijksbevestiging wordt aangevraagd door een stel dat al geruime tijd samenwoont. Hoe dient de kerkeraad daarop de reageren?

Samenwonen tegenover huwelijk

Wil men deze vraag zinvol beantwoorden, dan ontkomt men er als kerkeraad niet aan zich rekenschap te geven van de vraag hoe men het verschijnsel van het samenwonen wil bezien. Wat mijzelf betreft: het huwelijk heeft een bijbelse meerwaarde boven het ongehuwd samenwonen. Dat is dan ook mijn vaste uitgangspunt. Dat wil niet zeggen, dat de vorm waarin het huwelijk in de loop van de geschiedenis gestalte heeft gekregen, vooraltijd onveranderbaar is, maar het wil wèl zeggen dat de uiterlijke vastlegging van de liefdesverbintenis tussen twee mensen bijbelse norm is. Het huwelijk is een verbond, dat een zichtbare zijde heeft en ook in de vorm van een contract verankerd wordt. Die gedachte is naar mijn mening diep in de Schrift verwerkt: In Mal. 2: 14 is sprake van “de vrouw van uw verbond” - (N.V.: “uw wettige vrouw”). Sprekend is ook Ef. 5: 32, waar Paulus het huwelijk ziet als afspiegeling van de liefde tussen Christus en de gemeente, waarvan de doop zichtbaar teken is (“…haar reinigend door het waterbad met het woord…”, vs. 26). Men kan ook denken aan het gegeven dat telkens weer in de Schrift sprake is van het huwelijk waarbij getuigen aanwezig zijn, om het openbare karakter ervan te benadrukken. Het zal een kerkeraad dus veel waard zijn om zijn leden van de kracht daarvan te doordringen en ongehuwd samenwonenden te bewegen de gang naar het gemeentehuis te maken, opdat daarna ook voor Gods aangezicht zijn zegen over dit verbond kan worden afgebeden!

Samenwonen als ‘proefhuwelijk’

Is het dan daarmee vanzelfsprekend dat een kerkeraad een kerkelijke huwelijksbevestiging gunt aan een samenwonend paar?

Om die vraag te beantwoorden zal men moeten vragen naar de motieven van het samenwonen. En die blijken zeer divers te zijn.

Wanneer er een gesprek plaatsvindt met een samenwonend paar, zal eerst duidelijk moeten worden dat dit voor dat paar een definitief, niet terug te draaien gebeuren is. De seksuele gemeenschap is immers de bezegeling van het huwelijk. Het feit dat men dag en nacht bij elkaar is en lief en leed, lichaam en geest met elkaar wil delen, houdt in feite in, dat men getrouwd is. Dat houdt dus een levenslange verbintenis in. Van een zogenaamd “proefhuwelijk” mag geen sprake zijn. Dit moge vanzelfsprekend lijken en door de paartjes ook grif beaamd worden, uit de praktijk is me gebleken dat het niet overstandig is hierop geducht door te spreken. En wanneer er inderdaad sprake is van dat “op-proef-bijeen-zijn”, dan dient dat bijbels doorbroken te worden en het verkeerde ervan dient onder de aandacht gebracht te worden.

Wanneer dit onverhoopt niet mogelijk blijkt, dan zal een kerkelijke huwelijksbevestiging - wanneer deze op een gegeven moment wordt gevraagd - niet tot de mogelijkheden behoren, in het algemeen gesproken. Het is voor mij een aangelegen punt: het stel waarmee ik spreek, is in feite “man en vrouw”; wanneer ze uiteen zouden gaan, zou ik ze aanspreken op feitelijke echtscheiding. De intimiteit van het zo samenleven dient te kunnen geschieden op een volledig vertrouwen dat men voor het leven zich aan elkaar heeft verbonden.

Wel moeten de ambtsdragers in dergelijke gevallen doorspreken op de vraag, waaròm men zo “op proef” samenwoont. Soms is er sprake van angst voor een al te definitieve band, door de siechte voorbeelden van huwelijken die men soms in de eigen kerkelijke gemeente, of bij de eigen ouders (!) waarneemt. Een huiver die ontstaat door de eilende die men in de verbintenissen waarneemt, die eerder gesloten zijn en waarover toen “Gods zegen is afgesmeekt”.… Jongeren zien scherp! Voorzichtige pastorale benadering is in deze dingen heel belangrijk! Het kan tot zegen zijn en tot inkeer leiden. Maar duidelijke vermaning kan niet ontbreken.

‘Duurzaam’ samenwonen zonder wettig gehuwd te zijn

Veel vaker komt het voor dat twee (jongere of oudere) leden van de gemeente samen gaan wonen en dat ook oprecht voor het leven willen doen, zonder daarvoor naar het gemeentehuis te zijn gegaan. Ze hebben geen moeite met de vaststelling dat ze in feite getrouwd zijn, maar om wat voor reden dan ook ziet men een verankering daarvan binnen de samenleving (nog) niet zitten.

Na een aantal pastorale gesprekken komt het toch tot de vaststelling van een huwelijksdatum. En de dominee wordt gebeld met de vraag of een kerkdienst gehouden kan worden op de huwelijksdag. Zal een kerkeraad dat weigeren?

Belangrijk is dan dat er inzicht is in de wijze waarop de gesprekken zijn verlopen. Soms was er eerst geen enkel zicht op de bijbelse gegevens van het huwelijk, althans op de uiterlijke kant daarvan en is gaandeweg dat inzicht gekomen, mede n.a.v. de ambtelijke gesprekken die gevoerd zijn; die zullen dan ook een catechetisch karakter hebben gedragen. Ik meen dat een kerkeraad zich daarin kan Verheugen en dat een aanvraag voor een huwelijksbevestiging positief tegemoet getreden kan worden.

Maar lang niet altijd verlopen de gesprekken zo soepel en worden er zo spontaan door het liefdespaar conclusies getrokken. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Ik wil er een aantal noemen, omdat ik meen dat ze in de wijze waarop de kerkeraad oordeelt, een reële plaats dienen te hebben:

1. Meer en meer wordt in de Nederlandse maatschappij het vanzelfsprekend gevonden dat men samenwoont zonder daarbij het trouwboekje te begeren. Het komt zelfs voor dat een ambtenaar van de burgerlijke stand zeer verbaasd reageert wanneer een trouwlustig stel zich meldt met een afspraak voor een huwelijksdatum en daarbij vertelt dat men niet samenwoont. Zo ver is het gekomen….. Dat maakt het voor met name jongeren in de gemeente van Christus wel erg verwarrend. We moeten dat eerlijk onder ogen zien. Daarbij speelt ook de vraag een rol hoeverre jongeren al een geestelijk rijpingsproces meegemaakt hebben. De seksuele ontwikkelingen in deze tijd maken dat men steeds eerder komt tot seksuele omgang en ook tot samenwonen. Dat gaat niet altijd gepaard met een eerder zoeken van de Here en Zijn dienst.

2. Een ander argument is de “geldkwestie”. In bepaalde streken van ons land is een bruiloft zeer prijzig, wanneer men die tenminste wil vieren zoals dat in de Streek gebruikelijk is. Een siecht argument, naar mijn gedachte, maar… men moet de kracht van de streektradities niet onderschatten! Te denken is hier ook aan de studerende geliefden: samen op één etage is goedkoper dan beiden apart op een kamer; om nog maar niet te spreken van de paren die op deze wijze hun uitkering niet in gevaar zien komen (AOW e.d.)

3. Een derde zaak vind ik persoonlijk het moeilijkst: het komt voor dat jongeren samenwonen en trouw meeleven in de kerkelijke gemeente, trouw de catechese bezoeken en uit de Schrift willen lezen, en toch niet inzien (aanvankelijk) dat er getrouwd moet worden. Men voelt zich toch getrouwd? Men wil toch oprecht die verbintenis voor het leven aangaan en zich in trouw geborgen weten bij de ander? Men wil dat zelfs voor Gods aangezicht doen en zich inzetten in de christelijke gemeente op allerlei manieren! “Dominee, het gaat er toch om dat we voor God getrouwd zijn?” In alle oprechtheid maken we het mee!

Natuurlijk gaat dan opnieuw de Bijbel open en trachten we met elkaar de Schriftgegevens (zie het begin van dit artikel bijvoorbeeld) in het oog te vatten. Maar soms… zijn wij blijkbaar niet in staat hen van de kracht daarvan te overtuigen. Soms treedt dan een situatie op zoals we ook wel eens beleven rond de kinderdoop: de één legt de bijbelse verbanden op een andere wijze dan de ander; niettemin zijn ook baptisten oprechte christenen, zij het dat het doopwater ons Scheidt…..

Om misverstand te voorkomen: ik ben heilig overtuigd van het bijbels recht van de kinderdoop als vervulling van de besnijdenis; het gaat mij er slechts om het spanningsveld te schetsen waarin pastor en ambtsdrager terecht kunnen komen. In dit geval: samenwonen als persoonlijke zonde of als dwaling in de leer?

Het aantal voorbeelden kan gemakkelijk uitgebreid worden; het gaat me erom de gecompliceerdheid aan te duiden waarmee we als ambtsdragers te maken kunnen krijgen.

De inhoud van het pastorale gesprek

Zo komt een samenwonend paar bij de predikant en/of de kerkeraad met de vraag voor een huwelijksbevestiging. En het zal er dan voor de kerkeraad op aan komen om de motieven te onderscheiden en te wegen die in de pastorale gesprekken een rol hebben gespeeld, om samen principieel een stap verder te komen. Want hoe dan ook, men is bijbels gezien op een verkeerde weg bezig geweest; de heiligheid van de gemeente vergt dat dit duidelijk wordt voor het paar en dat er sprake is van bekering op dit punt. Veel geduld en wijsheid van de pastor /ouderling is nodig om op grond van het Woord van God principieel verder te komen. Hoe volwassen een jong stel zich ook voelt, geestelijk zijn het soms nog maar “zwakke plantjes”, die in liefde gekoesterd moeten worden; overigens zonder daarbij het bijbels principe aan te tasten. Het inzicht zal moeten groeien dat het ordenen van het leven naar bijbelse norm boven de eigen gedachten of tradities of geldkwesties uitgaat.

Het komt in deze gesprekken aan op zowel voorzichtigheid als beslistheid; het laatste omdat het hier gaat om de heiligheid van het huwelijk en de bevestiging daarvan in de christelijke gemeente, het eerste omdat de toon waarop het gesprek gevoerd wordt, niet zelden van invloed is op het positieve of negatieve effect ervan; e.e.a. hangt ook samen met de geestelijke rijpheid van het betreffende stel.

Onverlet blijft het principe dat door pastoraal-vermanende gesprekken het samenwonende paar tot het inzicht dient te komen dat hun liefdesrelatie in de vorm van het huwelijk door de overheid gesloten/verankerd dient te worden, en dat het onordelijke eruit weggenomen dient te worden. Het gezag van het Woord van God voor het persoonlijke leven en het huwelijksleven dient vast te staan; niet zelden blijkt dat een moeizaam punt te zijn in onze tijd, waarin door verschillende kerken zó verschillend met dat Woord wordt omgegaan, en er deswege ook een totaal verschillende praktijk is in het omgaan met deze kwestie.

Wanneer het dan vervolgens zo ver is dat na positief verloop van deze gesprekken een kerkeraad de aanvraag krijgt, zal een kerkelijke bevestiging naar mijn gedachte mogelijk gemaakt worden. Zouden kerkeraad en gemeente immers niet dankbaar zijn dat de gesprekken en moeite daaraan besteed vrucht hebben gedragen?

De dubbele moraal

Ik pleit voor een pastorale benadering van het bijbelse principe dat voor mij vast staat. Dat kan geconcludeerd worden doordat het stel op de kerkeraad een en ander komt toelichten en van hun oprechte bedoelingen blijk geeft. Maar mijnentwege kan het ook op het getuigenis van de betrokken predikant en bijvoorbeeld de wijkouderling (die toch meestal ook erbij betrokken is geweest door de huis- en bijzondere bezoeken).

Het zou ook vreemd zijn wanneer een kerkeraad enerzijds aandringt op het wettig getrouwd zijn, en dan vervolgens (na soms lange tijd vurig vermaand te hebben) hierop geen kerkelijke samenkomst te willen beleggen om Gods zegen te vragen over deze bijbelse verbintenis. Men mag dankbaar zijn voor de verandering die is inge treden; die dankbaarheid mag dan o.a. blijken door voor Gods aangezicht met vreugde samen te komen.

Ik laat bewust buiten beschouwing het feit dat er natuurlijk andere redenen kunnen zijn om niet tot een kerkelijke bevestiging over te gaan, bijvoorbeeld door buitenkerkelijkheid van één van de partners, ongeoorloofde echtscheiding voorafgaand aan de relatie enz.

Ik wil hier zeggen dat er m.i. ook nog wel reden is om niet al te “nauw in de ingewanden” te zijn. Uit verhalen van vroeger weet ik ervan dat er een tijd geweest is dat huwelijken niet kerkelijk bevestigd konden worden wanneer er sprake was van gebleken seksuele gemeenschap vóór het huwelijk, uitgelopen op een zwangerschap. Uit eigen waarneming herinner ik me ook nog - later - de afkondiging van dit feit in een openbare eredienst. Het is bekend dat e.e.a. in de loop van de tijden veranderd is. “Gedwongen huwelijken”: ze komen zeiden meer voor. Maar niemand onder ons zal zo naïef zijn om te veronderstellen dat dit komt door een verbetering van de seksuele praktijk op dit punt.

Ik hoor nog tot die mensen die menen dat seksuele gemeenschap alleen in het huwelijk haar door God gegeven plaats heeft. Ik kom ook nog jongeren tegen die dat principe huldigen; maar vaak heb ik de indruk dat dit een “uitstervend ras” is, ook in de kerk….. Dat is te betreuren, maar de feiten liegen daarin bepaald niet! Nu kan de kerk slechts daar de zonde en dwalingen bestrijden, waar die aan het licht komen. Anderzijds kan men het jongeren niet kwalijk nemen wanneer zij (dit zeer goed wetend!) in de vraag rond de kerkelijke huwelijksbevestiging dit de kerkeraad fijntjes verteilen. Laat ons niet met twee maten meten, ook niet in dit opzicht!

Voor de sluiting van het huwelijk nog uit elkaar?

Hier en daar hoort men nog wel eens de vraag of het samenwonende stel, dat het plan heeft opgevat nu ook officieel te gaan trouwen en dat door een kerkelijke huwelijksbevestiging te laten bekronen, door de kerkeraad gevraagd moet worden tot de datum van dat huwelijk uit elkaar te gaan. Het is bekend dat er in ons kerkverband gemeenten zijn (geweest?) waar dat gebruikelijk was en ook eis bij de be-williging in de bevestiging.

Ik zie daar toch niet zo veel in; dat hangt samen met het feit dat ik het paartje dat samenwoont, ook aanspreek op het levenslang aan elkaar verbonden zijn: men is in feite getrouwd, alleen men heeft dat niet in het openbaar vastgelegd, of wil men: men is van de verkeerde kant begonnen. Maar men is met elkaar een weg opgegaan waarop (afgezien van alle gebrokenheid vanwege de zonde) geen weg terug is. Er is dan ook geen sprake van “hoererij”. Uit elkaar gaan is dan moeilijk te verdedigen; de vraag is (ook maar weer heel eerlijk, zie het stukje hierboven) of het zal “werken”. Wèl mag gevraagd worden dat er vaart gezet wordt achter de sluiting van het huwelijk opdat Gods zegen daarover kan worden gevraagd. Om nog één keer naar Ef. 5 terug te keren: de doop dient óók niet nodeloos uitgesteld te worden! Wat een verbond naar de innerlijke kant is, dient ook uiterlijk zichtbaar te worden.

Naschrift:

Het artikel van ds. Quant snijdt een onderwerp aan dat zich, naar de redactie meent, in meer gemeenten voordoet, zonder dat er tussen kerkeraden veel ovet gesproken wordt. Juist om een gesprek op gang te brengen heeft de redactie hem gevraagd zijn visie hierop te geven. Er zitten meer kanten aan het onderwerp. Hij heeft de pastorale invalshoek gekozen. De redactie biedt dit artikel de lezers aan als een handreiking voor een gesprek over dit moeilijke onderwerp.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.