+ Meer informatie

Komt de jeugd voldoende aan bod?

5 minuten leestijd

In „de Sleutel” het orgaan van de bond van Chr. Geref. Jongerenverenigingen vindt u in het januarinummer op pagina 21 een artikel onder bovenstaande titel. Ik ga over dit artikel niet schrijven, noch het overschrijven. Vermelding van het nummer lijkt mij voldoende daar ik toch wel mag aannemen dat onze ambtsdragers het blad kennen en lezen ’t zij, doordat men er persoonlijk op geabonneerd is, het via de kindeen in huis komt of de kerkeraad een abonnement heeft. Ik attendeer daar op (overigens ter inleiding) omdat ik van mening ben dat dit blad op frisse, duidelijke en vooral principiële wijze aan onze jeugd voorlichting geeft.

In genoemd artikel dan wordt op pag. 23 de vraag gesteld: Voldoet het huis bezoek? U leest dan dat heel wat jongeren het liefst persoonlijk huisbezoek willen hebben en niet in gezinsverband. Verder dan niet zó dat de ouderling je uitmelkt en je de les wil lezen” maar je moet met je eigen problemen naar voren kunnen komen.

‘t Gaat mij hoofdzakelijk om deze regels en ik dacht dat onze ambtsdragers hieraan niet zonder meer voorbij moesten gaan.

Uiteraard dienen ouderlingen en ook predikanten geïnteresseerd te zijn bij de vraag of het huisbezoek voldoet. Uit de zin die op deze vraag volgt zou men kunnen opmaken dat dit niet het geval is omdat het in gezinsverband geschiedt. Niet in het gezin, zeggen „;heel wat jongeren’. Wij spreken liever persoonlijk en dan op de manier zoals wij dat graag willen. Géén „uitmelkerij of leslezerij” maar ik moet aan ’t woord kunnen komen en mijn eigen problemen op tafel kunnen leggen.

Nu zie ik in mijn gedachten al direkt een aantal gerimpelde voorhoofden van ouderlingen die menen dat het toch wel wat anders gezegd had kunnen worden Misschien is dat wel zo, doch laten we de manier waarop het gezegd wordt nu maar voor lief nemen. Belangrijker lijkt het mijn te weten wat hier achter zit, hoe het komt dat men dit zo zegt.

Uit de ondertekening blijkt dat dit de mening is van een jeugdvereniging en dan vraag ik mij af of dit nu echt zo leeft bij alle leden of dat er ook andere geluiden gehoord zijn.

Wanneer dat niet geval is meen ik daaruit te moeten concluderen dat men in al die gezinnen voor elkander weg schuilt, dat er geen begrip is voor elkanders moeilijkheden en dat jongeren liever niet in het bijzijn van ouders en misschien ook wel van broers en zusters, spreken over hun geloofsleven. Nu geloof ik dat vele ouderen deze gesteldheid wel kennen want hoevelen onder ons zullen vroeger niet eens gezegd hebben dat men daarover veel gemakkelijker sprak met „vreemden dan met eigen”.

De vraag is echter: waaróm is dat zo, hoe komt het dat men in eigen kring niet vrijuit durf spreken. Wellicht zijn hier vele antwoorden op te geven doch dat is nu de bedoeling niet. Liever zou ik willen vragen of wij ouderlingen daar misschien mee schuldig aan zijn. Ds. P.J. v. d. Boongaard schreef in zijn artikel over „Het gesprek met de jeugd op het huisbezoek” (A.C. Juli „64) dat het hoofd van het gezin als regel de voornaamste gesprekspartner is op het huisbezoek, en dat de tijd meermalen te beperkt is om met de jeugd te spreken. Misschien ligt hier wel de fout en als dat zo is dan geloof ik te mogen zeggen dat wij ouderlingen het verkeerd doen. In speciale gevallen kan het wenselijk zijn om met jonge mensen apart te spreken. Bij verpleegsters en op kamers wonende studenten zal het moeilijk anders kunnen maar ik zou er toch voor willen pleiten dat bij het huisbezoek het hele gezin aanwezig is en dat allen bij het gesprek betrokken worden.

Natuurlijk betekent dat niet dat we „van het rijtje af” moeten gaan en zéker niet steeds van hetzelfde rijtje. Mijn ervaring is dat het heel goed kan zijn om met de kinderen het gesprek te beginnen althans te proberen hen in een algemeen gesprek „los” te krijgen. Vraag maar eens of ze er over hebben lopen piekeren wat ze bij het huisbezoek nu toch wel tegen die „kerels” moesten zeggen, probeer de afstand die er meestal is op eenvoudige wijze te overbruggen (lees wat Ds. v.d.B. hierover schrijft).

U zult bemerken dat de ouders zich al spoedig in dat gesprek willen mengen. Zij menen soms dat de vragen te moeilijk zijn en vooral ook gebeurt dit als de jongen of het meisje in hun ogen wat al te eerlijk is b.v. als er een zegt dat hij liever één dan tweemaal per zondag naar de kerk gaat of dat hij zou wel graag eens naar de bioscoop willen. Het is immers niet prettig voor ouders als hun kinderen deze dingen zomaar tegen de ouderlingen zeggen?

Vraag in zo’n geval toch rustig aan vader of moeder of ze hun kinderen maar eens willen laten uitspreken en laat hen dan ook uitspreken. Ga er daarna rustig op in. Dan kan het best gebeuren dat de ouders op zo’n avond helemaal niet aan het woord komen doch aan het eind van de avond zeer dankbaar zijn voor het feit dat ze hun kinderen eens hebben horen praten.

Overbodig te zeggen dat wanneer de ouderlingen zich niet tegenover maar naast de jeugd opstellen en, gedrongen door de liefde van Christus hen bij de hand proberen te nemen en te leiden, woorden als „uitmelken” en „leslezen” in vele gevallen niet meer gebruikt zullen worden. Ook onze jonge mensen behoren tot de kudde die geweid en geleid moet worden. Licht en wijsheid daarbij toegewenst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.