+ Meer informatie

Arabische boycot kost Israël 20 mld. dollar

High-tech-sector lijdt sterk onder maatregel

3 minuten leestijd

JERUZALEM — De Arabische boycot van Israël heeft dit land de afgelopen 43 jaar naar schatting 20 miljard dollar gekost aan verminderde exportopbrengsten. Dit werd deze week op een persconferentie bekendgemaakt door Dan Gillerman, de directeur van de Federatie van Israëlische kamers van koophandel.

Hij voegde er aan toe dat buitenlanders 16 miljard minder hebben geïnvesteerd ten gevolge van de maatregel. De jaarlijkse groei van het bruto nationaal produkt zou 3 procent hoger zijn dan de huidige 4,5 procent als de boycot werd beëindigd. De exporten zouden dit jaar 1,2 miljard dollar hoger geweest zijn zonder de maatregel. Deze schatting wordt niet gedeeld door het ministerie van financiën, dat de schade op 400 miljoen dollar per jaar raamt.

Verboden zaken

Volgens Gillerman is het moeilijk precies te zeggen hoeveel de schade is die de boycot veroorzaakt, maar hij schat dat de Israëlische exporten en buitenlandse investeringen 10 procent hoger zouden zijn als het land niet werd geboycot. Vooral de hightech-sector lijdt onder de maatregel, omdat het in deze sector makkelijk is te verifiëren waar de produkten vandaan komen. Een overzicht van de boycot, dat deze week door het Jeruzalemse kantoor van de Anti-Defamation League (ADL) werd gepuclibeerd, meldt dat de Arabische economische boycot in 1946 werd ingesteld door de Arabische Liga. De stap was bedoeld om de groei van de joodse nederzetting in Palestina tegen te gaan. Na de stichting van de staat Israël in 1948 werd de boycot op enkele niveaus toegepast.

In de eerste plaats verbiedt de maatregel Arabische staten en bedrijven zaken te doen met Israël. In de tweede plaats is het voor niet-Arabische derde partijen verboden zaken met Israël te doen. Bedrijven die de boycotregels overtreden, worden op een zwarte lijst geplaatst en worden zelf geboycot. In de derde plaats kunnen bedrijven die zaken doen met bedrijven die op de zwarte lijst staan, worden gediskwalificeerd voor handel met Arabische landen. Volgens de ADL bestaat er ook een 'vrijwillige' boycot: bedrijven zouden uit angst om op de zwarte lijst te worden geplaatst geen handel met Israël willen bedrijven. In de praktijk worden de boycotmaatregelen vaak ontdoken door tussenkomst van derde partijen.

De Verenigde Staten, België, Frankrijk, Nederland en Luxemburg hebben wetgevingen die de boycot tegen moeten gaan. De Amerikaanse wet dwingt bedrijven melding te doen van verzoeken om de boycot toe te passen. Volgens Harry Wall, directeur van de ADL in Jeruzalem, die eveneens op de persconferentie sprak, komen er jaariijks 12.000 meldingen binnen. Hij zei ook dat de landen die het meeste gehoor geven aan de Arabische boycot, Japan en Korea zijn.

Westoever

Zowel Gillerman als Wall verwierp de verbindingen die de G-7 vorige week maakte tussen de opheffing van de boycot en de stopzetting van de uitbreiding van joodse nederzettingen op de Westoever en in de Gazastrook. „Er bestaat geen morele of politieke symmetrie tussen deze zaken", zei Wall, daarmee ook de mening van de Israëlische regering weergevend. „Elke vergelijking is misplaatst. De Arabische boycot is een vorm van oorlogsvoering tegen Israël en een aanval op de vrije internationale handel". Hij wees erop dat de nederzettingen, „hoewel controversieel", een onderwerp zijn voor vredesonderhandelingen .

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.