+ Meer informatie

Luthers kruistheologie contra het stekeblinde verstand...*)

24 minuten leestijd

Luther had een hartsgeheim. Nooit heeft hij er een geheim van gemaakt. Het was Christus alleen. 'In mijn hart - zo luidt het in de Voorrede op zijn commentaar bij de Galatenbrief uit 1531 - regeert dit ene artikel, namelijk het geloof in Christus, uit Wie, door Wie en tot Wie al mijn theologische gedachten dag en nacht heen en weer vloeien'. Naar eigen zeggen had hij maar één snaar op zijn lier en wist hij maar één loflied te zingen. Hij had het van geen vreemde. Hij had het van de Heilige Geest zelf. Die volgens Luther óók van niemand anders wil weten dan van Christus. Vandaar dat de reformator heel het geloof 'door Hém bezield en verzadigd' weet: het omvat Hem 'zoals een edelsteen in een ring is gevat'.

Wat is de herkomst van dit geloof? Het is niet van menselijke makelij. Men ontvangt het uitsluitend op de school van het Woord, waar de Heilige Geest de schoolmeester is. Die schrijft het Woord van Wet en Evangelie aan de wanden van het hart en nestelt het tot in de gronden van het geweten. Woord en geloof behoren onvervreemdbaar bijeen. 'Zien met de oren', noemt Luther dit geloof in het Woord. Daarop is het aangewezen, daarvan leeft het, daaraan kleeft het. Want het is het Woord dat mij verzekert van die wonderlijke ruil: 'Christus mijn zonde, ik Zijn gerechtigheid'. Wanneer dit wordt geloofd, is het geloof 'de trouwring die ons met God in Christus verbindt als bruid en bruidegom'. Christus neemt immers de ziel ten huwelijk! 'Is dat geen vrolijke bruiloft, als die edele, rijke en rechtschapen Bruidegom met zo'n armzalige, slechte en haveloze deerne huwt, haar van alle kwaad verlost en tooit met Zijn rijkdom?'

Luthers geheim is Christus. Maar welke Christus betreft het? Geen andere dan Christus Die de dood stierf aan een kruishout. En dit kruis betekent vóór alles: Gods volstrekte kritiek op iedere poging van de mens om zichzélf te verlossen. Het kruis is het opgerichte teken van Gods oordeel over alle vlees. Door dit crisiskarakter van het kruisevangeUe wordt heel Luthers theologie gekenmerkt. En dat heeft ingrijpende gevolgen. Drie daarvan wil ik bij deze gelegenheid verhelderen, omdat ze ons bepalen bij de kern van ons protestantse belijden. De drie aspecten die ik beoog, betreffen de Godskennis, de rechtvaardiging en het christenleven.

Het kruis en de Godskennis
Door scha en schande leerde Luther verstaan dat echte, heilzame Godskennis nooit tot stand komt buiten het kruis van Christus om. Dit kruis alleen is het brandpunt van de Godsopenbaring, het trefpunt met Zijn hart, het oord waar God zich laat ontmoeten. Luther beseft dat dit een forse streep door onze rekening is. Wie had gedacht dat God zich zó te kennen zou geven: in de smaad en vernedering van een kruiseling? Gedacht hadden we geheel iets anders. Maar dat denken van ons deugt niet. Heel die denkweg, waarop men God in Zijn glorie en verhevenheid op het spoor meent te komen, ligt versperd. Luther was er achter gekomen. In het scholastieke denken, waarin ook hij was geschoold, speelde het speculatieve denken een vitale rol. Het was een weg van de mens uit, waarop men op grond van sporen van Gods majesteit in de schepping zich een beeld van Gods wezen ontwierp.

Toen Luther God echter in de Gekruiste ontmoette, ging er een kras door heel deze eigenmachtige methode van theologiseren. Heilzame Godskennis kan nooit het resultaat zijn van redeneren en concluderen, maar berust louter op Gods zelfopenbaring in Christus en Die gekruisigd. De weg van beneden naar boven is zowel verboden als onbegaanbaar. Luther noemt deze vermetele methode misprijzend een 'theologie van de glorie'. Ze staat in scherp contrast met wat bij hem de 'theologie van het kruis' heet. Deze kruistheologie berust niet op redenatie en speculatie, maar louter op het Woord van Gods openbaring. En deze openbaring is openbaring in verborgenheid, dat wil zeggen dat God zich onthult op een plaats waar al Zijn luister schuilgaat achter vernedering en zich verbergt in zijn tegendeel. Hier kan men slechts geloven zonder te doorzien, nochtans geloven. Dit nochtansgeloof acht Luther zonder meer wezenlijk voor het geloof. 'Opdat er ruimte zal zijn voor het geloof, is het noodzakelijk dat alles wat geloofd wordt, verborgen is. En het kan niet dieper verborgen zijn dan wanneer het aan ons inzicht en onze zintuigen tegengesteld en onder het tegendeel verborgen is'.

De hoer verstand....
Er loopt dus een onneembare breuklijn tussen ónze wijsheid en de wijsheid van God. God is radicaal anders dan wij in de hoogvlucht van ons knapste denken kunnen vermoeden. 'Dat verstand van ons - 'die Hure Vernunft'! - is inzake de Godskennis een duistere chaos - schrijft Luther in 1518 aan zijn vriend Spalatinus - . Het is stekeblind. En wil je de boze vijand niet in zijn net vallen, laat dan je haarkloverijen en eigenwaan varen en houd je aan het goddelijke Woord. Daar moet je inkruipen. En blijf er binnen zoals een haas in zijn rotsspleet'. Het kruis trekt immers een kras, een diepe kerf, door onze rationele pretentie. Het is de onverbiddelijke storing in iedere poging om verstandelijk vat op God te krijgen. Rond het kruis wordt heel ons natuurlijke Godsontwerp te schande. Want wat blijkt daar? Dat God zich niet in glans en glorie openbaart, maar in lijden en verberging. Daar blijkt dat Hij geheel anders is dan wat wij ooit konden bevroeden. In het tegenstrijdige openbaart Hij zich: in Christus' ontlediging en ontluistering, in machteloosheid en verlatenheid, in wonden en bloed. En wie de Gekruiste in geloof ontmoet, die sterft - met Christus mee - aan al zijn vermeende kennis en kunde.

Nu wordt ons duidelijk waarom Luther heel de ware theologie gelegen ziet in de gekruiste Christus. In Hem immers verklaart God ons Zijn hart. Indien theologie is wat ze voorgeeft te zijn, namelijk spreken over God, zal ze dat slechts kunnen als ze hoort wat God zelf heeft gesproken. En die sprake verneemt men in het Woord dat vlees geworden is en onder ons heeft gewoond, geweend en geleden. Christus' kruis is voor Luther dan ook 'de enige onderwijzing in de woorden Gods, en de betrouwbaarste theologie'. Heel de aanmatiging om van óns uit greep op God te krijgen, ontmaskert Luther als een ijdel waagstuk, als drieste zelfvergoding. Dat neemt God niet: 'Met kracht stoot Hij neer wat zichzelf tot God wil maken'. Wie zalig worden wil, moet tot een dwaas worden. Luther beseft van binnenuit hoezeer dit op verzet stuit. Niemand wil een dwaas zijn. 'Wij willen allemaal verstandige, wijze, heilige lieden zijn'. Maar kinderkens wordt het geopenbaard. Het zijn dfe kinderkens die zichzelf niets achten en God alleen voor wijs en verstandig houden. Kort en kras schrijft Luther aan dezelfde Spalatinus: 'Wir sollen Menschen (und nicht Gott) sein. Das ist die Summa'.

Kruistheologie en verkiezing
Luthers kruistheologie is met name in zijn pastorale zorg rond de verkiezingsleer van beslissend belang. Klemmend wijst hij ook op dit terrein iedere vorm van speculatie af. Stervelingen zijn niet in staat, en evenmin bevoegd, om Gods eeuwige raad te doorvorsen, laat staan te doorgronden. Als God verklaart: "Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem", dan is het volgens Luther alsof God wil zeggen: 'Menselijke rede kan Mij niet begrijpen. Daar ben Ik veel te hoog voor. Nu dan. Ik zal Mij in Mijn eniggeboren Zoon zo klein maken dat u Mij in Hem kunt kennen'. Luther acht het arrogantie, Gods verborgen besluit te willen peilen met het nieuwsgierige vernuft. Een mens zou zijn nek breken. Gods besluit ontsluit zich in Christus! Puntig en pakkend formuleert Luther: 'Men moet niet aan het dak beginnen eer men de fundering heeft gelegd'. Dat betekent: in de diepte beginnen, daar waar God de verloren mens wil treffen; in het dal van de deemoed, waar men niet heerszuchtig wil begrijpen in een hersenkennis die macht is, maar zich laat gezeggen in een hartskennis die liefheeft. 'Zie, o mens, spreekt de Heere, Ik wil u het geheim van Mijn verkiezing heerlijk openbaren. Dit is Mijn Zoon, zie op Hem zoals Hij ligt in de kribbe, en ligt op de schoot van Zijn moeder en zie hoe Hij hangt aan het kruishout. Zo zie je Mij in het hart. Maar buiten Hem tref je niets dan dood en verdoemenis aan'.

Niet in de verre hemel der eeuwigheid, maar in het nabije Woord van heden ligt het Boek des Levens voor ons opengeslagen. 'Zie, zegt de Vader, hier hebt u Mijn Zoon. Wie Hem hoort, die is in het Levensboek ingeschreven. Christus is de spiegel waarin wij zien hoe uitnemend Hij ons heeft liefgehad'. Hier leert men volgens Luther 'de rechte kunst' van de verkiezing, en nergens anders. Dat is God kennen in Zijn hoogste liefde: Hem te omhelzen waar Hij het 'teerst' is, namelijk in de Gekruisigde. Daar mag ik bedenken: 'Zo is Gods wil en welbehagen, dat Christus alles voor mij volbrengt. Met Hem voor ogen ervaar ik de onuitsprekelijke barmhartigheid van God, dat Hij Zijn lieve Kind voor mij gegeven heeft in smaad, schande en dood'. Zo is Christus de brief en het gulden boek van de Vader. Hij is de brug en het voetpad tot God. Op Zijn rug gaan wij ten hemel in. Hij draagt ons in Zijn hart en bergt ons in Zijn hoede. Zo ligt de ware Godskennis voor Luther verankerd in de geloofsgemeenschap met de gekruiste Christus.

Het kruis en de rechtvaardiging
Scherp heeft Luther dus de overmoed gehekeld van het religieuze intellectualisme. Maar niet minder scherp heeft hij doorzien hoe dit intellectualisme is verstrengeld met moralisme. Wie denkt God te kunnen vatten en bereiken met z'n denken, die matigt zich maar al te licht ook aan. Hem met z'n verdienstelijke werken te kunnen verzoenen. Eigenwijsheid gaat veelszins hand in hand met eigengerechtigheid. Het is evenwel een gerechtigheid die in Gods ogen geen genade vindt, omdat ze zich beroemt in eigen productie en prestatie. Uitgerekend dit religieuze activisme wordt door Luther gebrandmerkt als de zonde bij uitstek. Tegen heel deze wettische werkgerechtigheid trekt hij dan ook vastberaden te velde. Hij was er immers achter gebracht dat de grond van het heil elders ligt: niet in wat de mens aanbrengt, maar in wat God in de Gekruiste volbrengt. 'Het eigenlijke gehalte van de theologie - zo verklaart hij - is de aan de zonde schuldige mens en de rechtvaardigende God en Heiland van deze zondaar. Wat in de theologie hierbuiten wordt gezocht en behandeld, is dwaling en gif.' Luthers grond vormt dus meteen zijn grens. Christus helemaal, maar dan ook niets en niemand anders! Al zijn werkgerechtigheid wist de reformator eens voor goed geruïneerd. Om met God in het reine te komen komt onzerzijds geen enkele bijdrage in aanmerking. Buiten het kruis is God niet alleen onkenbaar, maar ook ongenaakbaar. De verzengende gloed van Gods heiligheid is slechts te verduren 'onder het gewelf van Gods genade', dat is: onder de bedekking van Christus' kruis.

Dit bedekkende kruis is echter in eerste instantie ontdekkend. Is op Golgotha immers niet schrijnend aan het licht gekomen hoe ver wij mensen het hebben gebracht met ons monnikenwerk? Op de kruisheuvel komt de aanklacht van Gods heilige wet in alle ernst en hevigheid openbaar. Het kruisevangelie schuift de wet niet terzijde, maar intensiveert haar vonnis juist tot het uiterste. Luther hanteert in dit verband de terminologie van Gods 'vreemde, oneigenlijke werk' en Zijn 'eigenlijke werk' (opus alienum, opus proprium). God gaat namelijk tweeledig te werk. Enerzijds brengt Hij onze goddeloosheid ontdekkend te voorschijn, anderzijds vergeeft Hij die in bedekkende genade. In deze volgorde. Wat God in het kruisevangelie aanvankelijk doet, is Zijn vrijspraak verbergen achter het oordeel der wet. Zo hult Hij het Ja van Zijn erbarmen in het Neen van Zijn toorn. De ervaring daarvan brengt een mens aan de bedelstaf. Niet maar eenmaal, als aanloop van de geloofsweg, maar telkens opnieuw, als levenslange grondtrek van het geloofsleven. Het oordeel van de wet vormt de slagboom voor een ieder die op eigen kwaliteiten vertrouwt. Zo bewaakt zij de toegang tot het heilige hart van het evangelieheil. Dit is immers maar niet zó open en toegankelijk dat ieder er maar binnen kan vallen. De farizeeërs moeten buiten blijven. Echt niet omdat ze zulke zondaars zijn, maar omdat ze in volle ernst menen dat ze géén zondaars zijn en denken op grond van eigen deugd en daad over Gods genade te kunnen beschikken.

Farizeeër en tollenaar
Wie zich evenwel als farizeeër de weg Iaat blokkeren en zich met de tollenaar onder Gods oordeel verootmoedigt, die is welkom. 'Zo is de wet dienaar en deurwachter tot de vrijspraak van de genade'. En deze wet verricht haar vonnissend werk niet zónder, maar ónder het Evangelie. 'De wet - aldus Luther - verschrikt mij immers nooit dieper dan wanneer ik verneem dat Christus, Gods Zoon, de vloek voor mij droeg'. Met het oog gericht op de Gekruiste leer ik het diepst verstaan hoe ernstig God zijn wet neemt en hoe zwaar Hij aan de zonde tilt. Het is dus het kruisevangelie 'dat uit de wet een tuchtmeester tot Christus maakt'. Aan het kruis, zoals dat in het Evangelie ons voor ogen wordt geschilderd, gaat Gods geduchte oordeel, in Christus' vlees, over al onze vermeende wetsgetrouwheid en goedbedoelde moraal en wordt dus niet alleen mijn ongerechtigheid, maar ook mijn gerechtigheid als goddeloosheid aan de kaak gesteld. Op dit ene kruispunt komen wet en evangelie bijeen en zijn zij het eens. God en mens ontmoeten elkaar daar. Het komt tot een treffen, tussen de mens in zijn volstrekte debacle, en God in Zijn volstrekte gelijk. Daar kan ik niet anders dan Hem gelijk géven en Hem bijvallen en rechtvaardigen. En dit zou absoluut mijn dood worden, als daar mijn plaats niet ingenomen werd door Hem Die, mij vertegenwoordigend, aan het hout hangt. 'Volbracht', roept Hij. Volbracht is het dragen van de vloek, volbracht ook het verwerven van de vrijspraak. En dit laatste is nu precies wat God eigenlijk - in Zijn opus proprium - bedoelt. Geen andere opzet heeft Hij met Zijn beschuldigende vonnis dan dat we deze vrijspraak beamen. Hier kan de zondaar geen vezel aan toe doen. Hier valt alleen te ontvangen, in die heilige passiviteit van het verwonderde geloof.

Het is dit kruis door alle werken van de mens dat in Luthers ziel staat gegrift en dat zo'n markant spoor trekt door zijn geschriften. Het is zijn vaste overtuiging dat 'zo weinig de dorre aarde uit zichzelf kan bijdragen aan een zegenende regenval, ook wij mensen evenmin kunnen bijdragen aan Gods gerechtigheid. Nee, wij moeten haar door schenkende toerekening, als een onuitsprekelijke gave Gods ontvangen. Daarom is het de hoogste wijsheid van de christenen, niets te willen weten van de werken der wet en van de zelf ontworpen gerechtigheid'. Ik heb er - bekent Luther - tot mijn grote ellende vele jaren anders over gedacht. Maar nu God mijn heil heeft losgemaakt van mijn eigen willen en doen, om mij door genadealleen te redden, nu ben ik zeker dat niemand mij uit Zijn handen zal rukken. Als je hem vraagt waarom zijn theologie zo zeker is, geeft hij als antwoord: omdat ze ons wegvoert van onszelf en ons fundeert op wat buiten ons hgt, namelijk op de belofte van God Die niet liegen kan. Wie het daarentegen tóch bij zichzelf zoekt en met de wet marchandeert, verlaat zich op drijfzand en verliest iedere vastheid. Trouwens, wie haalt het in zijn hoofd, bij machte te zijn om aan de wet te kunnen voldoen? Uit een lege buidel kan men toch niet betalen? Tot zulke ongerijmdheden komt men nu, als men niet door het kruis is geleerd en geoefend!

Kruis contra de glorie
De theologie van de glorie zet een mens aan om voor God te verschijnen als een handelaar die God het een en ander heeft te bieden. De theologie van het kruis echter maakt de mens 'te niet', maakt hem behoeftig, verlegen en ontvankelijk en voert hem zo tot Gods bestemming. En die bestemming is niets anders dan dat hij op pure genade aangewezen is. Hier klopt voor Luther de hartslag van het Evangelie alsook van het geloofsleven. Het komt erop aan om ons van deze plek van algehele armlastigheid in onszelf en van algehele tevredenheid met Christus' kruisdood niet te laten verdringen. Inzonderheid dan niet wanneer we door hernieuwde zonden worden geplaagd en onze vrijmoedigheid door schuldbesef wordt belaagd. Op zulke momenten vooral slaat de duivel toe, hetzij om ons te doen vertwijfelen, hetzij om ons aan te sporen tot werkheiligheid. Alsof Christus een gestrenge rechter was Die compensatie vordert en ons de rekening presenteert. Zo tovert de dufvel Hem ons voor ogen: als een Christus Die eist en met ons af komt rekenen. Het is een drogbeeld. Hij kwam niet om af te rekenen, maar om ons Zijn gerechtigheid toe te rekenen. Hij kwam niet om ons de rekening te presenteren, maar om de rekening te vereffenen op kosten van Zijn eigen bloed.

Luther geeft toe dat het hemzelf ook telkens weer zwaar valt om Christus louter te zien zoals het Evangelie Hem schildert, 'zozeer is het verderfelijke idee van Christus als wetgever in mijn gebeente gedrongen'. Ieder christenmens mag wel toezien dat de duivel met zijn talloze streken hem de ware Heiland niet uit het oog doet verliezen. En die ware Heiland doet Zijn naam eer aan. 'Hij is enkel vreugde en zoetheid voor het gekwelde en vreesachtige hart'. Hiervan verzekerd kan Luther dan ook getuigen: 'Als ik de slangenbeet van het geweten vanwege de zonde gevoel, dan zie ik af van zonde en duivel en zie ik opwaarts naar de koperen slang, dat is Christus aan het kruis. Daar vind ik een andere zonde tegen de mijne, namelijk de zonde in het vlees van Christus, Die de zonde der wereld draagt en ook de mijne kruisigt en uitdelgt'. In de rechtvaardiging door en voor God wil Luther van geen andere werken en van geen andere zonde weten dan van de werken die door Christus zijn verworven en de zonde die op Christus was geworpen. 'Zoals je een druppeltje water in een vuuroven giet, zo is de zonde van de hele wereld, vergeleken met deze God en Heiland. Zodra de zonde met Christus in aanraking komt, terstond is ze verslonden'. Wil iemand weten waar mijn zonden zijn? Ik heb ze niet meer. Christus doeg ze weg!

Ik sluit dit onderdeel af met een illustratieve anekdote uit Luthers leven. Ooit klopte de duivel weer eens bij hem aan. 'Martinus Luther, je hebt gezondigd. Tegen het eerste gebod, het tweede, tot en met het tiende'. Luther reageerde: 'Schrijf op wat ik misdaan heb'. De duivel deed dat en las de aanklacht voor. Twee dingen deed Luther niet. Hij ontkende niet en beriep zich evenmin op wat hij aan goeds had gedaan of zich voornam te doen. Twee andere dingen deed hij wél. In de eerste plaats bekende hij: 'Ik heb gezondigd'. Maar hij voegde er iets aan toe. Met rode inkt tekende hij een kruis dwars over het perkament en eronder schreef hij: 'Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde'.

Het kruis en het christenleven
In het kader van Luthers kruistheologie rest ons nog één facet dat we onder ogen moeten zien. Wie bij het kruis van Christus heeft vertoefd en daar de vrijspraak ontving, die krijgt een kruis op de schouders. Het is van ander gehalte dan het kruis dat Christus voor ons droeg. Aan dat kruis bracht Hij verzoening teweeg. Hij droeg het voor ons, plaatsbekledend. Wat Hij volbracht hoeft niet te worden aangevuld, laat staan herhaald. Niettemin, Christus droeg het kruis niet alleen voor óns, maar Hij droeg het ook ons vóór. In de navolging van deze Heiland wordt ook ons een kruis opgelegd. Het is niet het kruis ter verzoening, maar een kruis van lijden en aanvechting dat ons verbindt met de lijdensweg die de Man van Smarten ging. Een discipel is niet meer dan zijn Meester! Zoals Deze slechts door te lijden de heerlijkheid bereikte, zo kunnen ook Zijn volgelingen niet anders dan door de verdrukking het Koninkrijk ingaan. Vandaar dat kruis over ons leven. Het kneust onze gang, het knakt onze zelfbepaling, het doorkruist onze eigen ontwerpen.

Kruistheologie is dus geen kruistheorie, maar kruisexistentie. Christus' kruisgestalte tekent zich af in het concrete leven en zet zijn sporen op heel ons bestaan. Stellig, wie met Christus is gekruisigd, die leeft. En dit leven is niets minder dan opstandingsleven. Wie met Hem de dood ingaat, die verrijst ook met Hem ten leven. Maar even onmiskenbaar is het waar, dat uitgerekend dit paasleven nog met Christus verborgen is in God (Col. 3: 3), tot op de dag dat Christus zal geopenbaard worden. Eerst dan wordt ons het kruis van de schouders getild en zal ons de kroon der overwinning worden uitgereikt. Tot zolang bestaat het christenleven uit gestadig sterven en weer opstaan uit de dood, in de gelijkvormigheid aan Christus' leven uit de dood.

Niemand wil hier eigener beweging aan. Geen sterveling begeert die weg. Maar de Meester weet hoe heilzaam hij is. In Zijn liefdevolle wijsheid legt Hij ieder van Zijn volgelingen een kruis over het leven. Bondig brengt Luther deze werkelijkheid op formule: 'Wie geen crucianus is, die is geen christianus'l Daarmee bedoelt hij dat ieder christenmens noodzakelijk een kruisweg gaat, een stervensgang. Hoewel het onderweg de volgeling niet ontbreekt aan vreugde en vrede, is zijn doortocht over de aarde een pelgrimage vanuit de vreemdelingschap naar het vaderland. Zijn weg gaat niet met een boog om de oorden van lijden en sterven heen, maar voert er dwars doorheen. Juist omdat wij christen heten, zegt Luther, is ons leven door het kruis getekend. Niet als versiering aan de wand of als symbool op een kerk, maar als de heilzame tucht over heel ons bestaan. Het is in deze zin dat Luther van de tentatio spreekt, de aanvechting die het geloof voortdurend begeleidt. Daarbij denkt hij aan de beproevingen waaraan een mens wordt blootgesteld, hetzij door ziekte, rouw en tegenslag, hetzij door gewetenspijn en schuldbesef. Wie is het die deze aanvechting veroorzaakt? De duivel? Luther ontkent het niet. Integendeel. Onmiskenbaar ziet hij die 'Turca magnus' (die 'grote Turk') in de aanvechting aan het werk. En toch, hij is niet meer dan werktuig in handen van God! Luther noemt hem wel Gods hakbijl en snoeimes, waarmee de Vader Zijn kinderen snoeit, zoals een wijnbouwer dat doet met zijn wingerd. Blijkbaar houdt Luther het erop dat de aanvechting ten diepste afkomstig is uit de handen van God zelf. Zo doodt Hij die rebelse, weerbarstige vijand die 'vlees' en 'oude mens' heet en boetseert Hij de nieuwe mens in Christus, gestaag en levenslang.

Gods vreemde werk
Ook in deze samenhang grijpt de reformator naar de onderscheiding van Gods vreemde en Zijn eigenlijke werk. 'Zie, tot Zijn eigenlijke werk kan God niet komen zonder Zijn vreemde en tegenstrijdige werk'. De Heere doodt en Hij maakt levend (1 Sam. 2: 6)! Dit is één van de oerwoorden in de Heilige Schrift die diep in Luthers ziel gezonken waren en waarin hij dat paradoxale handelen Gods vertolkt wist. De uitleg die hij eraan geeft, is bekend: 'Die God wil oprichten, dringt Hij eerst tegen de grond. Die Hij levend maken wil, die doodt Hij eerst. Die Hij vroom wil maken, maakt Hij eerst tot zondaren. Die Hij rijk maakt, maakt Hij tevoren arm. Die Hij naar de hemel hebben wil, stoot Hij eerst in de hel'. Alleen langs de weg van verpaupering en afbraak leert men de rijkdom van Gods genade op waarde schatten. Kort samengevat: aanvechting leert op het Woord acht slaan. In de nood ontsluit zich de vertroosting van de Schrift.

Een ander motief waarop Luther kan attenderen is dat God de Schepper is. En scheppen is iets maken uit niets. Ook in de herschepping gaat God in déze scheppende stijl te werk. Wat iets is, maakt Hij eerst tot niets. Hij roept de nieuwe creatuur niet tevoorschijn dan nadat Hij de oude heeft gesloopt. Dat gaat niet zonder slag of stoot. God schaaft en schuurt aan ons, zoals een houtsnijder zijn materiaal bewerkt. Zo brengt Hij ons aan de grond. Het is een grond die volstrekt buiten ons ligt: genade alleen. Het zal duidelijk zijn dat geloofszekerheid op deze manier nooit kan ontaarden in zelfverzekerdheid. Dit aangevochten geloof heeft alleen hierin houvast, dat het vastgehouden wórdt. Het geheim hiervan is niet gelegen in eigen gelovigheid, maar in de trouw van Hem die mij 'omvat en omsluit'. Luther schroomt niet te stellen 'dat hij die meent te geloven, vaak helemaal niet gelooft, maar dat hij die vertwijfelt aan eigen geloof het allermeest gelooft'. Waar de sikkel van de aanvechting mijn zelfgenoegzaamheid wegsnijdt, juist daar groeit de plant van het authentieke geloof. Door middel van de aanvechting staat God er borg voor dat het geloof niet genoeg aan zichzelf heeft, maar het leven zoekt buiten zichzelf. 'God laat ons aangevochten worden opdat Hij ons, uitgeput aan alle eigen kracht en ontbloot van alle beschutting, kan verzadigen, troosten, ja, dronken maken. Honger is de beste kok'. Luther kan zelfs stellen dat God ons daarom zo aanvecht, omdat Hij ons anders niet kan zalig maken. In dit licht valt het verstaan dat de reformator het de ergste aanvechting vond om zónder aanvechtingen te zijn. Hij noemt ze de beste artsenij tegen de hoogmoed en een probaat middel tot de ootmoed. En ootmoed siert een christenmens, al zal hij zelf de laatste zijn die dit sieraad bij zichzelf herkent.

Geen program of theorie
Luthers kruistheologie is geen program, geen theorie, geen ideologie. Ze bevat een levensechte boodschap en biedt een gegrond perspectief. De boodschap is deze, dat God zich heeft geopenbaard in de paradox van het kruis. In het vleesgeworden Woord gaf Hij zich te kennen als een God Die leven schept uit de dood, gerechtigheid uit het oordeel. Het Evangelie waarin dit wondere heil wordt ruchtbaar gemaakt, draagt in de ogen der mensen het kleed van dwaasheid en aanstoot. Maar juist zo is het een kracht van God voor ieder die gelooft. Het sluit niet aan bij het vernuft van de wijze, evenmin bij de verdiensten der vromen, maar het zet vrucht in een hart dat met al zijn denken en doen aan het eind is gekomen en nog slechts kan geloven. Waar niets is, brengt het kruis alles mee en aan.

Zou deze boodschap geen perspectief openen, juist ook voor ons tijdsgewricht, waarin de West-Europese mens zo schokkend geconfronteerd wordt met de afgrondelijke grenzen van zijn kennen en kunnen? Ik bedoel niet dat er in de crisis van onze cultuur op zichzelf een aanknopingspunt voor dit Evangelie zou liggen. Wat ik evenwel geloof is dat het niet met Gods 'kruisvormige' stijl strijdig zou zijn, wanneer Hij de culturele crisis omsmolt tot een existentiële crisis en in de leegte van onze eeuw een schreeuw om God zou verwekken. Mogen wij met de oude profeet niet bidden dat God in Zijn toorn Zijn ontferming gedenkt? Zo zou het nulpunt van de Godsvervreemding het keerpunt worden naar de Godsontmoeting. Waar de armoe het grootst is, daar is de genade het rijkst. Als het waar is dat het kruis onze theologie is en uitkomst biedt aan de grootste der zondaren, dan is het ook waar dat het kruis uitzicht biedt voor kerk en cultuur van vandaag. De Gekruiste is immers opgestaan. En Hij stond op uit de dood, niet uit een schijndood. Sedertdien is er geen dood tegen de overmacht van Zijn leven bestand. Hij Die een dode werd leeft. En Hij houdt dit leven niet voor zichzelf. In Hem ligt onze verwachting verankerd, voor onszelf en voor anderen. Nog één keer citeer ik de reformator: 'Het is waar dat wij meer en meer 'niets' worden. Maar wij hebben het op die Man, de Heere Christus gewaagd. Die gekruisigd was. Ons lijf en leven staat onder Zijn hoede. Waar Hij doorkomt, daar komen ook wij door. Anders zou ik niet weten waarin ik kon roemen'.



*) Dit is de weergave van het referaat dat prof dr. A. de Reuver uitsprak op de jaarlijkse bijeenkomst van de Vereniging Protestants Nederland. Deze werd gehouden in 'Het Hof' te Dordrecht op zaterdag 11 juni 2005. De Reuver is bijzonder hoogleraar vanwege de Geref. Bond in de PKN aan de universiteit te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.