+ Meer informatie

Troost

14 minuten leestijd

Het woord boven dit artikel roept een complex van gedachten op. Gedachten waarin, over het algemeen, een zekere vaagheid niet ontbreekt. Wat troost is kan niet in een paar woorden worden gezegd. Daarbij, het wordt in verschillende situaties gebruikt en heeft dan niet altijd de diep geestelijke zin, die wij er in vermoeden.

Wij lezen b.v. dat Izak getroost werd na de dood van zijn moeder (St. vert.), toen hij een vrouw vond en een eigen gezin stichtte. En Paulus kreeg troost door het onverwacht bezoek van Titus en hij zegt, dat God, die de nederigen (neergebogenen) troost, hem getroost heeft door deze ontmoeting, 2 Kor. 6 : 7. God troost door mensen en mensen krijgen ook de opdracht elkander te troosten. In de Schrift zien wij de troost als goddelijke gave begeerd en ontvangen maar ook als nadrukkelijke opdracht gegeven b.v. Jes. 40 : 1 „Troost, troost mijn volk enz.”.

Van Jakob lezen we, dat hij weigerde zich te laten troosten na de dood van Jozef, terwijl de dichter van Ps. 77 hetzelfde zegt, omdat hij Gods weg moeilijk vond.

Verder valt er sprake van moeilijke vertroosters, die meer vermoeienis brengen dan rust met hun schijnbaar logische, maar in de grond harde redeneringen. (Job en zijn vrienden).

Al wat voor troost doorgaat is het niet want er zijn schijngoden, die een nietswaardige troost bieden.

Er zit dus blijkbaar nogal zo een en ander aan vast, wanneer wij over troost nadenken. Bezinning is wel nodig.

Temeer omdat in de bevestigingsformulieren het troosten behoort tot de opdracht van de ambtsdragers. Dit geldt van leer- en regeerouderlingen maar ook van de diakenen. En met hun ja-woord hebben zij zich daartoe, als bij ede, verbonden. Zij hebben troosters te zijn.

Wat is eigenlijk troost? Er is een oude omschrijving, die zegt: „Troost is de kennis van een zeker goed, dat gesteld wordt tegenover een zeker kwaad”. Deze omschrijving doet wel erg houterig en verstandelijk aan. Juist is, dat bij troost het een tegenover het ander gesteld wordt en komt te staan. Het is dan echter de vraag wàt tegenover elkaar komt te staan. Daarop komt het nu net aan. Onze Heidelbergse catechismus mengt zich in dit gesprek door te spreken van de enige troost in leven en sterven. Een troost dus, die maar niet een vluchtige vleug is, maar die het hele bestaan van een zondaar opvangt, zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst. Hij heeft de vaste grond gevonden, waarin zijn anker eeuwig hecht. De een heeft de Ander gevonden, Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen, Die God gegeven heeft. Het evangelie dat God geopenbaard heeft is hem daarvan het wondere bericht, dat hij zó lezen mag, dat deze troost niet alleen voor anderen, maar ook voor hem persoonlijk is. Uiteraard naar mate hij zulk een weldaad met een gelovig hart aanneemt.

Men kan hier nu de variatie zien tussen de troost, die God in Zijn heilsopenbaring geeft, en die altijd vol en vast is, en het getroost zijn daaruit, naar de kant van ons mensen. Het eerste is er altijd het tweede niet. De troost is dan geen troost voor ons.

Nu moet men deze twee niet absoluut los van elkaar zien. Het eerste komt tot zijn volle troostkracht, wanneer het in ons hart weerklank vindt. Maar dit laatste komt niet zonder het eerste tot stand. Jes. 40 : 1.

Ergens liggen hier de grenzen van ons ambtelijk werk; wij kunnen Gods troostwoord geen troosteffect geven in de harten. Ik kom daar nog wel op terug. Eerst nog dit: De Drieënige God heeft van Zichzelf geopenbaard, dat Hij de Trooster bij uitstek is. In het handelen

Gods tot onze troost ontvouwt zich, in bijzondere rijkdom, het werk van God de Drieënige.

God de Vader openbaart het initiatief tot de troost. Het gaat van Hem uit; Ik, Ik ben het die u troost. Het hoogste doel daarin is dat God zichzelf verheerlijkt in het troosten van Zijn volk, Jes. 51. Hoe teer spreekt Jes. 66 : 13 daarover; Als iemand dien zijne moeder troost, zal Ik u troosten. Het moederlijke tedere is in Gods troost. Moedertroost is, zelfs voor een zelfstandig en volwassen geworden man, in bepaalde situaties, een rijke ervaring.

Zeker bij God is ook het oordeel, de vloek zelfs, ook de kastijding en verlating maar de goddelijke troost klimt daar ver boven uit, Jes. 54 : 12 en Jes. 12.

God de Vader geeft ook de opdracht tot troost aan de Knecht des Heren, die daartoe gezalfd, d.i. aangewezen, gerechtigd en bevoegd is. Zie Jes. 61 : 1 v.v.

Vooral de Heilige Geest wordt de Trooster bij uitnemendheid genoemd, en als zodanig functioneert Hij. Zie gedeelten uit Joh. 14–17.

Van de H. Geest zegt Christus, dat Hij in al de waarheid leiden zal; Hij zal het uit de volheid van Christus nemen en de apostelen verkondigen, en door hun dienst ook in de gemeente van Christus. Het is de H. Geest, die altijd weer de aandacht op het andere en de Ander richt, wat tot echte troost mag worden en daaruit doet leven. Juist daar, waar de openbaring Gods gehoord, gekend, geleerd en bemind wordt, dan is daarin de toe-eigening door de Heilige Geest. Wie op de rechte wijze in het ambt staat en dient mag dat ervaren. Wij mogen troosten, omdat God de Drieenige het zelf doet en in nauwe verbondenheid daaraan. Hoe nauw het ambtelijk werk aan Gods troostende activiteit verbonden is blijkt uit wat Paulus schrijft in 2 Kor. 1 : 3–11. Het gedeelte is te groot om hier op te nemen. Ik vertrouw, en raad u zeer ernstig aan, dat u het zelf leest en herleest. In enkele verzen komt hier 10 x een vorm van de werkelijkheid van het vertroosten voor. God Zelf is de bron er van. Hij wordt genoemd „de Vader der barmhartigheid en de God aller vertroosting” Hij „troost” (tegenw. tijd) en is er altijd mee bezig. En dit troostwerk van God raakt het geheel van de druk, waaronder het apostolische leven staat — en dat is nogal wat — terwille van de troost, die het apostolisch ambt aan anderen mag verkondigen.

Zoals het ene — het lijden om Christus — overvloedig over hem komt, niet minder overvloedig is de troost. Hier is èèn lofzang op de troost. De activiteit Gods in het troosten maakt het apostolisch ambt mogelijk en tot zegen voor anderen.

Tegen de achtergrond van deze goddelijke troostactiviteit en deze apostolische troostwerkelijkheid, komt de arbeid van de ambtsdragers in het zicht. Daarin is de vertroosting een belangrijk element. Zonder deze achtergrond komt de ambtelijke positie en taak in de lucht te hangen. Zij mist dan haar grond en tegelijk haar verwachting.

Onze ambtelijke arbeid en positie is niet gelijk aan die der apostelen. Daarvoor was het werk der apostelen te bijzonder, maar er is wel een nauw verband. Ook wij mogen diep onder de indruk zijn van wat „de Vader der barmhartigheid en de God aller vertroosting” is voor zondaren. Het geheel nieuwe, geheel enige en onvergelijkelijke vaste, wat Hij als troost geeft en waarheen Hij leidt. Het is voor de ambtsdrager wel nodig dat hij daar zelf ook weet van heeft. Juist dit zelf er weet van hebben kan de ander doen verstaan in zijn ongetroost zijn; wij staan dan niet hoog boven de ander maar naast hem (haar). We zullen dan de ander zoeken te leiden tot de bron, waaruit ook wijzelf getroost zijn, opdat ook de ander daaruit zal leren leven.

Dit laatste hebben wij niet in de hand — ik wees er reeds op — hier ligt een grens van ons ambtelijk kunnen. Dat moeten en mogen wij ons bewust zijn in vertrouwen, dat ons werk niet onvruchtbaar zal zijn, wanneer wij het deden om ’s Heren wil en het heil van de ander.

God de Here troost, maar Hij doet het door de dienst van mensen.

Het blijkt in de geschiedenis, dat men dat altijd zo gezien heeft. In de grote stadskerken stelde men soms daartoe geschikte mensen aan tot ziekentroosters die, al of niet behorende tot de kerkeraad, tot taak hadden de troostdienst aan zieken en anderen te verrichten. Soms werden zij voor hun aanstelling onderzocht op hun kennis en bekwaamheid. Soms werden er handleidingen voor deze hulpkrachten geschreven, waarin verschillende „gevallen” besproken werden.

Later gingen deze ziekentroosters, als geestelijke verzorgers van de zeevarenden, op de schepen mee.

Ds. Cornells van Hille schreef op het einde van de 16e eeuw een „ziekentroost” ten gebruike van de zieken zelf en van hen die ze bezochten. Hij gaf zelfs twee uitgaven, een grote en een kleine. Oudere kerkboeken hebben ze nog onder de Liturgische geschriften. In de grote laat hij in brede weergave de Schrift spreken over het heil dat voor zondaren bereid is, wanneer zij gelovig mogen rusten in Gods genade.

Deze historische notitie moge bewijzen dat de kerk de vertroosting welbewust gezien heeft als een belangrijk onderdeel van de door haar of namens haar verrichtte arbeid.

Wat gebeurt er nu eigenlijk in de geestelijke werkelijkheid van de troost en het vertroost worden?

In de psalmen in de H. Schrift, wordt niet veel nadrukkelijk over de troost gesproken. Toch is juist daarin herhaaldelijk te constateren, wát er plaats vindt wanneer de troost gevonden wordt. Wij vinden dit vooral in die psalmen, waarin heel duidelijk een overgang plaats vindt. Het begint dan met de nood, de zonde, de vragen, de vrees, kortom de druk en de onmogelijkheden, waarin de dichter verkeert en waarin hij geen licht, geen vastheid, geen verwachting heeft. Het slot van zulke psalmen is toch vaak vol vertrouwen, vol jubel, vol verwachting. De wending ligt dan in het midden, waar de overgang te vinden is uit de nood en de uitzichtloosheid naar wat God de Here is en wat Hij beloofd heeft en ook getoond heeft in Zijn daden, waarin Hij zich geopenbaard heeft. Hier is de troost gevonden, waardoor het licht daagt en de verwachting gaat leven. Zie b.v. ps. 10, 16, 22, 28, 31, 40, enz.

Een bijzonder rijke trek in dit getroost zijn blijkt dan ook telkens hierin, dat de dichter niet alleen voor zichzelf vaste grond gevonden heeft maar dat hij daarin ook de weg voor anderen ziet en er van getuigt en opwekt om het ook bij de Here te zoeken en van Hem te verwachten. Zie b.v. ps. 22, 40, 62, 130 e.a. Dit getroost zijn bestaat dan altijd in de overgang van het eigen onmogelijke, schuldige, onwaardige enz. naar wat God de Here is, gedaan heeft, beloofde en deed zien en door het geloof verstaan wordt.

In het getroost worden zijn dan al de elementen van het geloof actief: het horen, zien, verstaan, vertrouwen en verwachten en dit, terwijl de situatie, waarin men verkeert, lang niet altijd wijzigd of verdwenen is. Er wordt echter geleefd uit iets, uit Iemand anders. In het midden der benauwdheid is — zoals een van de psalmen het uitdrukt — ruimte gemaakt.

Calvijn noemt dat „zich onbekommerd aan God toevertrouwen” en hij noemt dit „vertroosting des geloofs”.

Ook in onze Catechismus — het troostboek bij uitnemendheid genoemd — vinden we op dezelfde wijze van deze troost gesproken. De gelovige, die daarin aan het woord is, spreekt ook van de troost, die hij vindt in datgene, waarin het heil Gods gegeven is n.l. wat Hij doet, geeft en waarborgt. Zo alleen kan hij getroost leven en sterven, zegt zondag 1.

De catechismus geeft onderricht in de enige troost. Zij spreekt dan niet over de genietingen, het gevoel, van deze troost, maar over de feiten en de weldaden, die het geloof uit het Woord Gods leert kennen. En dáárom moeten ze ook gekend worden. Zo langer zo meer daarin te rusten en daaruit te leven is troost. Vandaar de meermalen herhaalde vraag in de catechismus: Wat troost hebt ge uit ……..?

Nu kan men deze troost en dit getroost zijn niet tot iets algemeen menselijks maken. Zelfs niet tot iets algemeen christelijks.

Daarvoor is deze troost al te veel ingebed in het gehéél van de openbaring Gods. En de troost mag uit dit geheel niet worden losgemaakt, zij is er onlosmakelijk mee verweven.

De openbaring Gods ontdekt ons ook aan ons zondaar zijn, ons schuldig en verdorven zijn en aan al wat met het ontzettende van de zonde samenhangt en leert ons daarvan altijd besef bij ons omdragen. Dit is geen voorwaarde voor de troost maar de troost onderstelt wel het besef van ons geen-troost-hebben. Op de weg van de troost is er kennis van de ellende, de verlossing en van de dankbaarheid. Met deze woorden is getracht de elementen van het troostleven aan te geven. Het door God de Here onder Zijn openbaring gebracht worden is troostvol omdat wij dan andere mensen worden dan wij van nature zijn en waarin wij ons zoeken te handhaven.

Het behoort nu tot de betrekkelijkheid van onze vermogens, dat wij niet alles wat op deze troostweg te leren valt, direct en even diep verstaan.

Wie in het troostambt staat, dient daarvoor wel oog te hebben.

In het algemeen geldt het woord des Heren: Zalig, die treuren, zij zullen vertroost worden, maar allen treuren niet om hetzelfde en op dezelfde wijze.

Er is treurigheid om het gemis van God en droefheid over ons zondaar zijn. Er is droefheid om het gemis van de geborgenheid in Christus, maar ook treurigheid om het gemis van de heiliging des levens of om het gemis van vertrouwen in Gods leiding. Toch verbindt deze treurigheid juist aan de God der vertroostingen. Hier is de gevariëerdheid van het leven, die in alle leven aanwezig is.

Opmerkelijk is ook nog — en het heeft betekenis in de ambtelijke dienst — dat in de oorspronkelijke taal van het N. Testament voor „vermanen” en „vertroosten” heel vaak eenzelfde werkwoord gebruikt wordt, wat naar zijn eigenlijke zin „erbij roepen” betekent. Op het eerste gehoor klinkt dit vreemd. Vermanen en vertroosten schijnt aan elkaar tegengesteld te zijn. Iemand die troost nodig heeft gaan wij toch niet vermanen ! En toch is die tegenstelling niet zo groot als zij schijnt. Immers wie iemand vermaant, zoekt hem van het voor hem (haar) verkeerde af te brengen en naar het goede in denken of doen te leiden, te roepen; troosten beoogt, in het wezen van de zaak, hetzelfde. Wie vertroosten wil zoekt te leiden tot dat, wat alleen troost geeft. Bij beide gaat het dus om het éne. Het éne goede, het éne dat troost geeft. Hierheen te verwijzen, te leiden, te roepen is de ambtelijke taak of ook van gemeenteleden onderling. Elkander vermanen en vertroosten behoort tot de recht functionering van het leven in de gemeente.

Zo horen vermanen én vertroosten samen te gaan. Dit is juist nodig omdat elk mens, krachtens zijn bestaan, geneigd is te zoeken, dat wat hij meent nodig te hebben, waar het niet is.

De ambtelijke dienst stuit telkens op deze trek en heeft er met wijsheid en beleid de strijd tegen aan te binden. Het N.T. brengt dit in verband met de „stichting” van de gemeente. Ook dit woord heeft een strakkere zin dan er veelal in gehoord wordt. Het Griekse woord wijst op een gebouwd worden. Bouwen, zoals het bij de aard van het bouwwerk en zijn bestemming behoort en vooral zoals het bij het enige fundament, d.i. voor de gemeente, Jezus Christus, behoort.

Troost mag door de ambtsdrager niet maar naar eigen opvatting gebracht worden. Wat hij doet moet in overeenstemming met het goddelijk troosten zijn. Daartoe is inzicht nodig in wat God de Here, in Zijn openbaring, van deze troost zegt.

Niet minder is nodig de wijsheid om in de gemeente er oog voor te hebben, dat velen zichzelf troosten of in iets anders troost zoeken, wat niet de enige troost is.

In het troostambt te dienen is een taak, die alleen biddend, in afhankelijkheid met wijsheid en in oprechte liefde tot het heil van de gemeente des Heren, kan geschieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.