+ Meer informatie

HOUDT GODS VERBOND OOK ERGENS OP?

8 minuten leestijd

In dit artikel gaat het over gemeenteleden die niet meer op enigerlei wijze bij de kerk betrokken willen zijn. Als deze gemeenteleden ook niet elders kerken en meeleven, kunnen we dan na vele jaren vergeefs proberen hen vast te houden zeggen dat Gods verbond met deze broeders en zusters eindigt? In Matt. 18:17 staat dat een broeder of zuster die niet naar herhaalde vermaningen luistert ons moet zijn ‘als de heiden en de tollenaar’.

TWEE DELEN

In ons doopformulier staat dat net als in alle verbonden ook in het genadeverbond twee delen begrepen zijn. De HERE geeft zijn beloften en bevestigt die in zijn verbond met ons. Tegelijk vraagt Hij ook van ons dat wij in een ‘nieuwe gehoorzaamheid’ wandelen. Nu is het in een verbond of afspraak tussen mensen duidelijk dat als je je niet allebei aan de bepalingen ervan houdt, de overeenkomst daarmee automatisch eindigt. Ligt dat in de Bijbel net zo?

Ons doopformulier zegt echter niet alleen dat in het verbond twee delen begrepen zijn, maar óók dat als wij in zonde vallen, wij niet aan Gods genade mogen wanhopen, omdat we een eeuwig verbond met God hebben. Als wij ontrouw zijn, God blijft getrouw, lezen we in 2 Tim. 2:13, want Hij kan zichzelf niet verloochenen. Gods verbond is dus van een totaal andere orde dan de overeenkomsten die we als mensen met elkaar aangaan. Dat is maar goed ook, want de werkelijkheid is dat we allemaal geboren worden als mensen die ‘van nature onder de toorn liggen’, dat wil zeggen: Gods verbond met voeten treden. We worden opgenomen in het verbond, terwijl we mensen zijn die van God niet willen weten.

Als een kind gedoopt wordt en daarmee het teken en zegel van Gods verbond ontvangt, is dat niet omdat we geloven dat dat kind op de een of andere manier al wedergeboren is en gelooft. De doop noemen we wel een pleitgrond. We leren kinderen graag Psalm 81 berijmd, waar de HERE zelf zijn volk uitnodigt om vrijmoedig te eisen op zijn trouwverbond en hen verzekert dat Hij hun alles geeft, wat hun ontbreekt, zelfs mild en overvloedig. Bij dat ‘alles’ zullen we zeker ook denken aan geloof, aan een levend hart, wat we van huis uit immers niet hebben. Gods verbond met ons is dus niet gesloten op grond van wederzijdse instemming, en houdt – God zij dank! – dus ook niet op, als wij ontrouw zijn! Blijft Gods verbond dan altijd van kracht, wat wij ook doen?

ROEPING, BELOFTE EN VERBOND

Als we de Bijbel lezen, horen we in Gen. 12 dat de HERE Abram roept om zijn land en stamverband te vertaten en naar een land te gaan dat Hij hem wijzen zal. Die roeping doet Hij vergezeld gaan van beloften. In Gen. 15 horen we voor het eerst van Gods verbond met Abram. In dat hoofdstuk wordt op een even sprekende als aangrijpende manier duidelijk gemaakt wat het karakter is van het verbond dat de HERE met Abram sluit. Als men toen in het Midden-Oosten een verbond aanging waarbij zaken van leven en dood in geding waren, deed met het wel zo dat men dieren doodde en in twee stukken verdeelde, die men dan tegenover elkaar legde, met een enige ruimte ertussen. Zo draagt de HERE in Gen. 15 ook aan Abram op om te doen. Nee, Hij zegt er niet bij dat er een verbond gesloten gaat worden, maar de aanwijzingen aan Abram spreken duidelijke taal. Als dan de kadavers tegenover elkaar liggen – wat dan? Zal Abram ertussendoor gaan? Het is de ‘logische’ volgende stap. Maar Abram doet het niet. Hij wacht en wacht, de hele dag en blijft ook wachten en roofdieren wegjagen, die op het aas afkomen. Het wordt al donker en nog is er niets gebeurd. Een diepe slaap valt op Abram en een grote, angstwekkende duisternis. Op dat moment vult God zijn beloften voor Abram nader in. Als het helemaal donker geworden is gaat de HERE tussen de stukken door, een rokende over met een vurige fakkel. Dan, staat er, sluit de HERE een verbond met Abram.

Een paar dingen worden hier duidelijk. In de eerste plaats, dat het verbond is gegeven om de belofte te onderstrepen en kracht bij te zetten. Het bestaat niet op zichzelf, het leidt geen eigen bestaan, maar het heeft zijn plaats en zeggingskracht in de omgang met de HERE in de belofte. Wie het verbond daaruit losmaakt en tot iets in zichzelf maakt, gaat er een verkeerde kant mee uit.

In de tweede plaats is heel belangrijk dat Abram niet alleen niet als eerste tussen de stukken doorgaat, maar het helemaal niet doet! Tussen de kadavers doorgaan wil immers zeggen, dat de schending van het verbond je het leven kost. Ook als Abram ná de HERE tussen de stukken zou zijn doorgegaan, had hij daarmee gezegd dat de realisering van Gods beloften ook van hem afhangt. Abram heeft het goed begrepen, het verbond heeft wel twee delen, maar als de verwerkelijking van Gods beloften méé van hem zou afhangen, zou er geen verbond kunnen zijn. Als de HERE alléén tussen de kadavers doorgaat wordt duidelijk dat Hij en Hij alleen er met zijn leven voor instaat dat dit verbond aan zijn doel zal beantwoorden. In Gen. 15 zien we Christus dan ook al: God heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven. Zo komt het verbond tot zijn doel!

DE PRAKTIJK

Wat betekent dit voor de kerkelijke praktijk, voor de manier, waarop wij naar de kerk kijken en naar hen die de kerk verlaten (hebben)? Om te beginnen houdt het in, dat de beloften van God altijd gelden en voor iedereen zijn. Of we nu binnen de kring van Gods verbond geboren zijn of niet, wij vallen nooit buiten Gods beloften. Dat maakt de vraag, hoe ver het verbond gaat en of het ook een keer ophoudt, minder klemmend. In de gereformeerde traditie in ons land zijn hier heel verschillende accenten gelegd. De Nederlandse Hervormde Kerk kende ‘geboorteleden’, dat zijn mensen die niet gedoopt zijn, maar van wie het voorgeslacht lid was van de kerk. Ze zijn niet gedoopt, willen er ook niet van weten misschien, maar ze staan wel in de lijn van het verbond. In de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) daarentegen werd de nadruk gelegd op de tweezijdigheid van het verbond. Er is ook ‘verbondswraak’ en als men niet uit het verbond leeft, houdt de lijn van het verbond met enkele generaties op.

In de Christelijke Gereformeerde kerken speelt de vraag vaak heel praktisch. Als mensen al tien, twintig jaar niet in de kerk komen en op geen enkele wijze bijdragen, moeten we dan voor die leden onze kerkelijke omslag opbrengen? Dat dit een verkeerde vraag is, hoef ik niet uit te leggen. En ook niet, dat we hier geen kunstgrepen moeten gaan toepassen, zoals een dubbele ledenadministratie.

Wat is een verantwoorde weg? Nu, een doop kan niet ongedaan gemaakt worden. In de rooms-katholieke kerk in België vragen mensen, verontwaardigd door de berichten over seksueel misbruik, wel om hen te ‘ontdopen’. Dat kan niet. Men kan zich onttrekken aan de kerk, maar ‘ontdopen’ gaat niet, want Gods beloften blijven gelden. Anderzijds dient helder te zijn dat de doop geen kracht in zichzelf heeft. Het is een onderstreping en op naam zetting van de belofte, die in geloof aangegrepen mag en moet worden. Als gemeenteleden dat voor zover wij kunnen waarnemen niet doen en op geen enkele wijze kerkelijk meeleven, komt de tucht in beeld. Bewust schrijf ik het zo, want mijn indruk is dat de tucht om allerlei redenen niet metterdaad wordt toegepast, met name omdat het de mensen niets zegt en het woord ‘tucht’ alleen al grote aversie oproept. Wie deze weg vandaag gaat dient er rekening mee te houden dat het eigenlijke doel van de tucht – mensen terug te brengen bij Christus – niet gerealiseerd wordt; eerder het tegendeel: men wil nooit meer iets van de kerk weten en de weg terug zit volkomen in het slot.

Hoe dan wel? Nu, het is van belang om de band met deze gemeenteleden zo lang als het maar enigszins gaat vast te houden, oprecht belang in hen te stellen en liefde te betonen. Tegelijk moet de ernst van hun manier van leven hun ook duidelijk zijn. Als zij op een bepaald moment te kennen geven dat zij het contact niet meer willen en zich dus aan ‘het herderlijk opzicht en de tucht van de kerkenraad onttrekken’, kan hun gezegd worden dat hun doop in de boeken is vastgelegd en dat de kerk hun gegevens bewaart. Van de colleges kerkrecht van professor J. Hovius kan ik me er één heel helder herinneren. Toen het over de tucht ging zei hij met grote klem tegen ons als studenten: ‘Willen jullie erom denken dat het laatste wat die mensen van de kerk zien iemand moet zijn die in naam van Christus hen dringend vraagt “Kom alsjeblieft terug”?’

Tegen die achtergrond zou aan die broeders en zusters gevraagd kunnen worden, of zij ermee instemmen dat hun naam en adres in de gemeentegids blijft staan onder het kopje: ‘Zij hoorden bij onze gemeente’. In de zondagse voorbeden en in het gebed van gemeenteleden persoonlijk kan dan aan deze broeders en zusters gedacht worden. Hun doop is immers een zegel en onwrikbaar getuigenis dat zij een eeuwig verbond met God hebben…

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.