+ Meer informatie

INCEST

14 minuten leestijd

De titel is simpel. Het probleem is ingrijpend en gecompliceerd. Er zijn de laatste jaren heel wat boeken en rapporten over verschenen. Enkele zal ik aan het eind van dit artikel noemen. Ook in kranten is er veel over dit onderwerp geschreven. In mijn archief heb ik een groot aantal artikelen uit dagbladen als Trouw, NRC/Handelsblad, het Nederlands Dagblad en het Reformatorisch Dagblad. Opvallend is de grote aandacht die in het N.D. aan dit onderwerp is gewijd de laatste jaren. Er zijn daaronder verschillende artikelen die met name aandacht geven aan (het gebrek aan) pastorale hulpverlening.

Actueel

De redactie wil dit onderwerp ook in ons blad besproken hebben. De nadruk moet dan uiteraard vallen op de taak van ambtsdragers ten opzichte van dit thema. We moeten niet maar over „thema” spreken. Het gaat immers om mensen, meestal vrouwen, soms ook mannen (meisjes of jongens) die erbij betrokken zijn. Voor de duidelijkheid spreek ik over dader en slachtoffer(s). Men houde bij deze termen steeds in gedachten, dat het om mensen gaat.

De brede aandacht voor het onderwerp brengt mee dat er soms overdreven aandacht is voor tekenen, die op zichzelf normaal en onschuldig zijn, terwijl ze al heel gauw als een poging tot incest worden uitgelegd.

We moeten op dit terrein nuchter zijn, en tegelijk ook waakzaam. In onze kringen is er wellicht eerder sprake van een niet onderkennen van de problemen, dan van een overtrekken ervan. De cijfers zijn niet gelijkluidend. Sommigen zeggen dat een op de acht, anderen zeggen dat een op de tien vrouwen in haar jonge jaren met incest te maken heeft gehad. In onze kringen zal men geneigd zijn het probleem te verkleinen, of zelfs helemaal te ontkennen. Helaas moeten we dan zeggen: ten onrechte. Het is onaannemelijk, gezien de hierboven genoemde getallen, dat incest binnen onze kerken niet zou voorkomen. Zelfs al zou het gemiddelde percentage lager liggen dan in de samenleving, dan nog komt incest voor. In het hieronder te noemen boek van Annie Imbens is een van de respondenten, men kan ook zeggen: een van de slachtoffers, de dochter van een (niet nader gepreciseerde) gereformeerde predikant. Het is reeds een behoorlijk aantal jaren geleden dat een hulpverlener mij vertelde, dat hij in zijn plaatselijke, tamelijk grote Chr. Geref. kerk zeker van zes meisjes wist, dat ze door hun vader misbruikt werden.

Dat de redactie dit onderwerp onder de aandacht van de lezers wil brengen, komt uiteraard niet voort uit een verlangen naar een heksenjacht, of allerlei verdachtmakingen. Integendeel, de opzet is de aandacht van de ambtsdragers te vragen voor signalen van nood, van onuitgesproken verzoeken om hulp, voor het betrachten van ambtelijke verantwoordelijkheid bij misstanden op dit gebied.

Nogmaals wijs ik erop dat het om mensen gaat, die lichamelijk en vooral psychisch schade hebben opgelopen. Overigens moet er niet alleen aandacht zijn voor de slachtoffers. Ambtsdragers hebben ook een taak ten opzichte van hen die slachtoffers maken. Zij doen het hun kinderen, nichtjes, kleinkinderen of zusjes aan. Hoe zijn zij door deze zonde ook zelf niet in nood. Dan is er nog een derde groep die aandacht verdient. Dat zijn de echtgenotes, de moeders, die er soms tussenin zitten.

Ik wil proberen met het oog op de ambtelijke hulpverlening enkele dingen aan de lezer voor te leggen. Het gaat mij niet om een behandeling van het probleem naar al zijn aspecten. Daarvoor zou veel meer ruimte nodig zijn. Het gaat mij er ook niet om, hoe het zo ver kan komen, wat de achtergrond en de drijfveren van de daders zijn. Het gaat mij er evenmin om of ons gereformeerde geloof vanwege de nadruk op autoriteit en de eis tot gehoorzaamheid aan het gezag van ouders, mede oorzaak van incest kan zijn. We willen de vraag onder ogen zien, hoe ambtsdragers op het spoor van incest (kunnen) komen en wat hen in de genoemde drie relaties (slachtoffers, bedrijvers, vrouw/moeder) te doen staat.

Waarom het gaat

Eerst een korte omschrijving. Incest is volgens Van Dale bloedschande. Onder bloedschande wordt in ditzelfde woordenboek verstaan: geslachtelijk verkeer tussen naaste bloedverwanten, die geen huwelijk kunnen aangaan.

Zelf zou ik incest willen omschrijven als seksueel misbruik binnen de familiekring. Dikwijls zal het om de vader gaan. Het kan echter ook de grootvader, een oom of broer betreffen. Er zijn mij ook gevallen bekend waarin de moeder zoon en aanstaande schoonzoon tot seksueel verkeer dwong. Het kan ook de stiefvader betreffen.

Het gaat om de familiekring, waarin seksueel verkeer wordt afgedwongen. Incest heeft altijd iets van overweldiging, van dwang, waar het slachtoffer op dat moment, of zelfs gedurende langere tijd, soms zelfs vele jaren, niet tegenop kan. Seksueel verkeer noemde ik. Incest raakt al die handelingen met het lichaam van het slachtoffer, die als seksueel misbruik moeten worden aangeduid, ook zonder dat het tot geslachtsgemeenschap komt. Deze omschrijving is tamelijk breed wat de kring van daders en wat het soort handelingen betreft. Zij is tegelijk toch duidelijk in haar afbakening van wat eronder valt. Tenslotte nog een opmerking over de leeftijd van de slachtoffers. Zij kunnen zeer jong zijn (kleuters, kinderen van de basisschool), zij kunnen behoren bij de opgroeiende jeugd, en zelfs al volwassen en getrouwd zijn. Dr. Hoek maakt melding van een geval waarin een vader zijn getrouwde dochter misbruikt.

Voor de herkenning van incest door ambtsdragers maakt de leeftijd natuurlijk nogal enig verschil. Als het om meisjes gaat die bijna volwassen of metterdaad volwassen zijn, dan zullen deze vrouwen meestal zelf het initiatief nemen om erover te praten, of dat initiatief wordt door de vriend, verloofde of echtgenoot van de vrouw genomen. Ook dan hebben ambtsdragers verantwoordelijkheid. Deze ligt echter anders dan in gevallen waarin het om kinderen gaat, met name tussen de vijf en vijftien, al kan men ook nog denken aan een of twee jaar daar onder of daar boven.

In de eerstgenoemde gevallen zal het spreken over de incestervaring vooral van de kant van het slachtoffer in gang gezet worden; of van de kant van hen die zeer nauw met het slachtoffer verbonden zijn.

Bij jongere kinderen gaat het anders toe. Men kan de vraag stellen of het in het algemeen wel in de eerste plaats ambtsdragers zijn die in vertrouwen genomen worden, en of het wel de ambtsdragers zijn die incest op het spoor komen. In het boek onder redactie van Atti Noordhof gaat het vooral over onderwijzend personeel, de schoolarts en de politie. Toch kan het voorkomen dat ambtsdragers als eersten de signalen van incest opvangen en erop ingaan.

Symptomen

Nu wil ik enkele symptomen noemen, die wijzen op misbruik van kinderen. Het gaat niet om volledigheid. In de hieronder te noemen literatuur kan men uitgebreid terecht. Allereerst angst voor lichamelijk contact en schrikreacties bij het aanraken van bepaalde lichaamsdelen, die met seksuele toenadering te maken hebben.

Het niet op schoot genomen willen worden als teken van afweer van lichamelijke toenadering. Verstijving of verkramping als er een plotseling contact via handdruk of vertrouwelijk gebaar plaatsvindt. We laten onvermeld wat gymnastiekleraren bij allerlei soort oefeningen als afweer kunnen meemaken. Opvallend is ook de afkeer van het eigen lichaam (negatief lichaamsbeeld), die uitkomt in slordige kleding, slonzige verwaarlozing van het uiterlijk. Soms - niet zo vaak - slaat dit over naar het andere uiterste: zich seksueel zeer aantrekkelijk kleden en gedragen.

Het niet over zichzelf willen praten, of alleen maar negatief over zichzelf praten. Problemen met slapen (onrustig, onregelmatig), hyperventilatie. Meermalen ook: bedplassen en de ontlasting niet kunnen ophouden.

Men zij voorzichtig! Niet elk van deze symptomen wijst erop dat wie er last van heeft, seksueel misbruikt wordt. Dus geen heksenjacht. Anderzijds: liefdevolle opmerkzaamheid. Oren, ogen en vooral het hart open.

Wat ouderen betreft laten de gevolgen van incest zich vooral herkennen aan afweer van seksueel contact en aan afweer van wat met het lichaam te maken heeft. Een negatief gevoel van eigenwaarde, ook uitkomend in afkeer en verwaarlozing van het eigen lichaam, is eveneens het trieste gevolg van incest in vroeger jaren. Daarbij komen soms ook schuldgevoelens. Waarom heb ik mij niet verzet? Ben ik zelf - zoals de dader soms suggereert - de oorzaak van toenadering van de zijde van de ander? Dit alles komt neer op het onvermogen om in het huwelijk ontspannen seksueel verkeer te kunnen beleven. Krampachtigheid, afweer en afkeer zijn kenmerkend.

De taak van ambtsdragers

Wat hebben ambtsdragers te doen? Vooropgesteld zij dat slachtoffers van incest meestal deskundige psychologische of soms zelf psychiatrische hulp nodig hebben. De noodzaak daartoe is mede afhankelijk van de ernst van de beschadiging en van de mate waarin de ervaring (nog niet) verwerkt is, als de ambtsdrager er kennis van krijgt. Een ambtsdrager moet niet de rol van de professionele hulpverlener willen spelen. Hij moet helpen een adres te vinden waar die hulp - ook in eigen geestelijke sfeer - te verkrijgen is, die op dat moment noodzakelijk is.

Een ambtsdrager zal allereerst open moeten staan voor de nood van het slachtoffer. Om welke reden ook, die nood mag niet gekleineerd worden. Men kan dat willen doen, omdat „het maar een kind is”, of omdat het een vooraanstaand gemeentelid betreft, of omdat er een gezin door kapot gaat, als dit openbaar wordt. Er zijn nog meer „verzachtende” omstandigheden denkbaar. Wie zich erdoor laat leiden, laat het slachtoffer in de kou staan en laat de zonde verder gaan. Daarom pleit ik ervoor dat de ambtsdrager een open oog, oor en hart heeft voor de nood van het slachtoffer, en vooral voor het slachtoffer in nood. Dat is ambtelijke plicht.

En hoe verder? Dat hangt van allerlei bijkomende en soms ook bijzondere omstandigheden af. Allereerst de vraag: moet de ambtsdrager andere broeders inschakelen? Ik zou willen adviseren, voorlopig hoogstens één ander erbij te betrekken. De predikant spreekt met de wijkouderling. Deze laatste met de predikant, of de voorzitter van de kerkeraad, of eventueel, afhankelijk van de omstandigheden, met de wijkdiaken. Het is voor de betreffende ambtsdrager een verlichting, en soms met het oog op de gevolgen die eraan vastzitten, noodzakelijk dat hij er niet alleen vanaf weet, en er niet alleen mee bezig is. Voorshands zou ik het kennisnemen ervan en het ermee bezig zijn tot twee ambtsdragers willen beperken. Men ziet vanzelf wel of en wanneer meer anderen erbij betrokken moeten worden.

Het slachtoffer moet geholpen worden. Zij (Hij) moet haar (zijn) verhaal kwijt kunnen. Het is op zichzelf al belangrijk, dat er echt geluisterd wordt; dat de schuld niet naar het slachtoffer teruggeschoven wordt, en dat het voorval (of een langdurige incestverhouding) niet gebagatelliseerd wordt. De ambtsdrager moet proberen te bemiddelen bij het vinden van professionele hulp. Soms wordt hij pas ingeschakeld, als deze er al mee bezig is. Zijn taak is het dan om de kerkelijke kant onder ogen te zien. De relatie van kerkeraad en gemeente tot de dader, en omgekeerd.

Gesprek noodzakelijk

Een ambtsdrager moet met de dader spreken. In mijn boek „Ethische vragen in prediking en pastoraat” heb ik een geval beschreven. Voor een wat uitvoeriger bespreking van de aanpak door dominee en wijkouderling wil ik daarnaar verwijzen.

Nu gaat het er vooral om in gesprek te komen met de dader (de vader) en diens vrouw. Wat zonde is, moet zonde genoemd en ook als zodanig behandeld worden. Het moet ernaar toe dat de dader zijn daden als zonde gaat zien en belijden, dat hij ook gaat aanvoelen hoe hij zijn dochter vernield en vernederd heeft. Soms zal er een afweer zijn, een verontschuldiging en een poging de daad te vergoelijken. Men wijze dergelijke laffe uitvluchten af en zij scherp in de veroordeling, en tegelijk liefdevol in de vermaning tot bekering.

Het contact met de echtgenote/moeder is afhankelijk van de vraag of zij ervan heeft geweten. Heeft zij - bewust of onbewust - haar ogen gesloten voor wat in huis gebeurde? Als zij stilzwijgend toegelaten heeft wat haar man deed, is zij mede schuldig. Zij heeft dan met haar man (hoewel niet op dezelfde manier) haar dochter(s) in de lichamelijke en psychische vernieling geholpen - om het wat scherp en niet zo fraai te formuleren. De zaak noopt echter tot het gebruik van deze taal. Zij moet dan evenals haar man op haar schuld worden aangesproken en op wat dit voor de dochter(s) betekent.

Heeft zij er niet van geweten, dat moet het een verschrikkelijk ogenblik zijn, dat haar ogen opengaan en zij met de feiten bekend wordt; verschrikkelijk naar haar man toe en naar haar dochter toe. Hoe afschuwelijk de situatie is, het gaat erom dat zij de daad van haar man als zonde ziet, en dat zij begaan is met het leed dat haar dochter is aangedaan.

Er zal een open gesprek moeten plaatsvinden. Zie een beschrijving daarvan in mijn genoemde boek. De lucht moet opgeklaard worden. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Toch moet daarop de zorg van ambtsdragers gericht zijn. Zij mogen met halve schuldbekentenissen en schijnbetuigingen van spijt niet tevreden zijn.

Herstel van de relatie, maar hoe?

Hoe moet het verder? Dat hangt van de situatie af. Herstel van de relatie tussen dochter en vader moet zeker beoogd worden. Wel moet men bedenken dat de wond soms zo diep is en de beschadiging zo zwaar, dat er (veel) tijd overheen moet gaan, voordat er van herstel sprake kan zijn. Men mag de beschadigde niet dwingen tot een houding van verzoening, zolang de wond nog helemaal open ligt. Hier is wijsheid, voorzichtigheid en vooral geduld geboden. Wel mag er steeds aan herinnerd worden dat Gods genade iedere zondaar mag worden toegezegd. Dat geldt ook de dader van incest. Veel zal er van afhangen of deze zelf zijn zonde belijdt en om vergeving vraagt.

Ook indien dat het geval is en vergeving wordt geschonken, is er tijd nodig om herstel van de relatie te laten groeien. Men bedenke dat er na belijdenis van bepaalde zonden een proeftijd is, om weer voluit in de gemeente opgenomen te worden. In dit geval zou ik niet in de eerste plaats van proeftijd willen spreken, maar van genezingstijd. De duur ervan kan van geval tot geval verschillen. Als dit alles zich voordoet, is het niet meer een geval van twee ambtsdragers. Dan zal de kerkeraad er intussen bij betrokken zijn.

De politie erbij betrekken?

Nog een punt wil ik aanstippen. Dat is het erbij betrekken van de politie. Soms is het niet meer een zaak van de ambtsdragers of dat wel of niet gebeurt. Door professionele hulpverleners in te schakelen, raakt de zaak in een stroomversnelling. Dan is het soms niet te ontgaan, dat de politie erin gemengd wordt. Als het om volwassenen gaat, kan de politie van de feiten in kennis gesteld worden, zonder dat er verder iets gebeurt. Alleen als er officieel aangifte gedaan wordt (en dat is meer dan dat de politie van de feiten op de hoogte gesteld wordt), gaat zij over tot verder onderzoek en tot vervolging. Indien nodig mag men ook als ambtsdrager er niet voor terugschrikken de politie erbij te betrekken. Soms is het mogelijk problemen op te lossen en tot een werkelijk goed einde te brengen, zonder dat de politie erin gemengd wordt. De houding van de dader, de ernst van de geestelijke en lichamelijke schade, en vooral ook de vraag hoe het slachtoffer zelf de incest verwerkt, lijkt mij hier beslissend. In elk geval mag men hen die in geweten zich verplicht voelen de politie erin te betrekken, niet verwijten dat zij een gezin/huwelijk kapot maken. De oorzaak van de ruïnering van het gezin ligt immers niet bij het slachtoffer en haar helpers, maar bij de dader!

Een bijzondere situatie doet zich voor als een politieman/-vrouw zelf lid van de gemeente is, en in zijn/haar functie kennis krijgt van incest, zonder dat de kerkeraad daarvan op de hoogte is. Het is de vraag in hoeverre de politieman/-vrouw mag spreken over zaken die hij/zij in functie te horen krijgt. Soms zal het mogelijk zijn dat hij/zij een voorzichtige aanwijzing geeft, zonder dat de zaak zelf aan de predikant verteld wordt. De ambtsdrager die attent is, zal dan wegen zoeken waarlangs hij met deze voorzichtige aanwijzing zijn verantwoordelijkheid kan nakomen.

Genade vergeeft en geneest. Het kan goedkoop klinken om dat aan het einde van dit artikel te schrijven. Wie het als een stichtelijk, goedkoop slot opvat, heeft de bedoeling van de schrijver niet begrepen. Vanuit de worsteling met het onderwerp wordt naar die genade verwezen - juist nu midden in de lijdenstijd. Gods genade is in deze problematiek het enige perspectief voor het slachtoffer, de dader en zijn gezin, èn voor de ambtsdrager.

P.S. Mochten er vanuit de praktijk vragen zijn, dan wil ik naar vermogen die beantwoorden, hetzij per brief, hetzij in een volgend artikel, uiteraard zo, dat anonimiteit en onherkenbaarheid gewaarborgd zijn. Zulke vragen en de bespreking ervan zouden voor andere ambtsdragers leerzaam kunnen zijn.

Enige literatuur:

Jos Frenken en Bram van Stolk, Hulpverleners en incestslachtoffers. Onderzoek naar belemmeringen in de hulpverlening. Deventer 1987.

J. Hoek, Incest - Wat gaat ons dat aan? ’s-Gravenhage 1989.

Annie Imbens en Ineke Jonker, Godsdienst en incest. Amersfoort 1985.

Atti Noordhof (red.). Signalen van Incest. Lisse 1988.

W.H. Velema, Ethische vragen in prediking en pastoraat. Kampen 1989.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.