+ Meer informatie

Rondom de Geloofsbelijdenis

8 minuten leestijd

Bedoeling

Nu juist in deze dagen overal de openbare geloofsbelijdenis in het midden der gemeente plaats vindt of gevonden heeft, is het goed zich te bezinnen op de verantwoordelijkheid, welke de kerkeraad daarbij draagt. Ik wil dus minder een nabeschouwing houden over hetgeen plaats gevonden heeft dan wel enkele suggesties doen voor hetgeen in de komende periode nodig is en van een kerkeraad verwacht wordt. Het is immers spoedig weer september. Dan beginnen de catechisaties en wordt er over het algemeen ook over de belij-deniscatechisatie gesproken. Welnu mogen de maanden, welke ons van dat ogenblik scheiden, gebruikt worden voor een bezinning op de gang van zaken rond de geloofsbelijdenis. Trouwens in het algemeen lijkt het me zeer op zijn plaats om in de minder drukke zomermaanden eens een enkel uur van bezinning te wijden op onze kerkeraadsvergaderingen aan de ambtelijke arbeid en de wijze waarop deze verricht wordt. Dan kan men gemaakte fouten bezien. opgekomen wensen bespreken en de mogelijkheid van andere wegen overwegen.

Kerkeraad en belijdeniscatechisatie

Over het algemeen krijgt de kerkeraad pas te maken met degenen, die belijdenis willen doen na het beëindigen van de belijdeniscatechisatie. Dan deelt de predikant of consulent aan de kerkeraad mee, dat hij klaar is met het behandelen van de stof en dat er een onderzoek zal moeten plaats vinden naar de motieven voor het doen van belijdenis en naar de kennis van de belijdenis der kerk.

Naar mijn mening begint de verantwoordelijkheid van de kerkeraad eerder. Het is de kerkeraad, die de belijdeniscatechisatie openstelt en over de toelating beslist. Ik meen, dat het catechiseren te veel als een zaak van de predikant wordt gezien en te weinig als een taak van de kerkeraad in zijn geheel. Deze opmerking terzijde moge ik nog een weinig uitbreiden. Het is niet de predikant. die in eerste instantie voor het catechetisch onderwijs verantwoordelijk is. maar de kerkeraad in zijn geheel. Daarom heeft de kerkeraad vast te stellen. wanneer de catechisaties beginnen en wanneer ze eindigen. Het komt nogal eens voor, dat de predikanten zo in de loop van september of tegen het eind van die maand zeggen: we zullen weer met de catechisaties beginnen. Dat lijkt me niet juist. Er moet in de kerkeraadsvergadering een besluit genomen worden: dan en dan, laat ik zeggen: in de eerste, tweede of derde week van september beginnen de catechisaties. Dan weet de dominee waar hij aan toe is en de jongelui eveneens. Daarbij komt dan dat de predikant door bezoek van de kerkeraad moet weten, dat die achter hem staat en met hem meeleeft. Elke predikant heeft die belangstelling nodig. Bijna ieder, die dit kerkeraads-bezoek op zijn catechisaties ontvangt weet. welke een stimulans er van uitgaat, dat er een ouderling aanwezig is. Het is of je het weer met meer elan doet, dan wanneer er vanuit de kerkeraad nooit naar de catechisaties wordt omgezien.

Als er van zulk een bezoek op de kerkeraad verslag wordt uitgebracht is er voor de predikant gelegenheid om met de kerkeraad over de catechisaties te spreken. Er zijn altijd wel dingen die hij mee te delen heeft. Het kan gaan over hen, die ontrouw komen; het kan zijn, dat er over de leerstof, de vorderingen, de orde of iets anders met elkaar besproken moet worden. Ook op dit punt moet men de predikant niet alleen laten ploeteren. Catechisatie geven is een belangrijk onderdeel van het ambtelijk werk; er wordt naar mijn gedachte niet altijd voldoende waarde aan gehecht. Daarom moet minstens in elk kwartaal — het derde uitgezonderd — een der ouderlingen een bezoek aan de catechisaties brengen. Als men het zo vaak doet, bereikt men bovendien, dat in drie jaar elk der ouderlingen een keer op de catechisaties geweest is. Als men zich voorneemt op elke vergadering in het nieuwe kwartaal dit bezoek — en dat aan de verenigingen — te regelen, dan heeft deze afspraak een vaste plaats op de kerkeraadsagenda. Er zijn tenslotte in het leven wel meer dingen, die met ingang van het nieuwe kwartaal behandeld of afgedaan moeten worden.

Zo meen ik ook, dat de kerkeraad moet vaststellen, wanneer de belijdeniscatechisatie begint. Het komt me voor, dat dit niet te laat moet beginnen. Persoonlijk zou ik willen aansturen op begin oktober; maar plaatselijk kan dat verschillen. Daarom worde niemand gebonden! Trouwens de bedoeling van dit artikel is ook alleen maar iets ter overweging aan te bieden. Ieder neme daaruit over wat hem en zijn werk(wijze) ten goede komt!

Wanner de kerkeraad het gesprek met diegenen, die belijdenis willen doen laat plaats vinden na het beëindigen van de belijdeniscatechisatie, wordt hij dikwijls in een dwangpositie gedrongen. Het is immers niet zo gemakkelijk om iemand die de catechisatie gevolgd heeft en de vragen goed geleerd heeft. op het laatste moment af te wijzen.

De weinige keren, dat u dit meegemaakt hebt, zullen u heugen! Daarom moet de beslissing eerder vallen. Alvorens tot de belijdeniscatechisatie toegang te verkrijgen, moet er een gesprek plaats vinden met de betrokken jongelui. Wanneer de kerkeraad van oordeel is, dat de motieven zuiver zijn en het de begeerte is de Here te dienen, betekent de toelating tot de catechisatie tevens de toelating t.z.t. tot de openbare geloofsbelijdenis.

Het gesprek.

Het is niet de bedoeling van dit artikel op het gesprek, dat daarbij gevoerd moet worden, zelf in te gaan. Dat zal in een der volgende nummers door een ander gedaan worden. Maar ik wil wel de vraag onder het oog zien: wie moet dit gesprek voeren? Het komt wel eens voor, dat dit met de kerkeraad in zijn geheel plaats vindt. Laat ik eerlijk zeggen, dat ik dat een onding vind. Hoe is het nu mogelijk om een gesprek over zulke intieme zaken als het doen van belijdenis te houden met enerzijds een kerkeraad van zoveel man en anderzijds een — dikwijls wat schuchter — jong mens. Hier hebben naar mijn gedachte de wijkouderlingen — of als men die niet kent. de speciaal voor het gesprek met die bepaalde jongelui aangewezen ouderlingen — een taak. Natuurlijk zal de predikant zelf eerst met de jongelui een gesprek moeten hebben, als ze zich voor de belijdeniscatechisatie opgeven. Hij geeft hun verzoek door. Dan worden dus de wijkouderlingen aangewezen om met de betrokkenen te spreken. Hiervan wordt verslag uitgebracht op de kerkeraadsvergadering. En dan wordt een beslissing genomen. Het verslag van dit gesprek kan ook aanleiding zijn tot een nader gesprek of tot een voorwaardelijke toelating tot de belijdeniscatechisatie. Dat nadere gesprek kan met de kerke-raad in zijn geheel gevoerd moeten worden. Ik wilde daarstraks ook niet zeggen, dat zulks ten allen tijde onmogelijk is en dus altijd een onding moet heten. Maar dat zal het wel zijn als het niet eerst andere mogelijkheden om tot een beter en vruchtbaarder kontakt te komen beproefd zijn. Welnu als er na dat gesprek onder zes ogen enkele dingen onduidelijk gebleven zijn, is het gewenst hierover met de betrokkene verder te spreken. Daarvoor kan deze persoon uitgenodigd worden ter vergadering te komen.

Het kan ook voorkomen, dat men noch de vrijmoedigheid heeft om iemand zonder meer toe te laten en evenmin de vrijmoedigheid heeft om iemand zonder meer af te wijzen. In dit geval is het goed, dat er met de betrokkene eerlijk gesproken wordt over wat remt voor een vrijmoedige beslissing. Dan kan men zeggen: volg gedurende deze winter de belijdeniscatechisatie — laten we tegen het einde daarvan nog eens met elkaar spreken. Door deze handelwijze wordt het de betrokkene duidelijk, dat uit het volgen van de belijdeniscatechisatie niet zonder meer tot toelating tot de openbare geloofsbelijdenis kan worden gekonkludeerd.

Ik wil nog even terugkomen op het aandeel, dat predikant of kerkeraad heeft bij het openen van een gesprek hierover. Voorop moge staan, dat niemand ook maar in het minste als het ware tot het volgen van de belijdeniscatechisatie of tot het doen van belijdenis gedwongen mag worden. Dat zou deze heilige beslissing onwaardig zijn. Het lijkt mij goed, dat de predikant met hen, die daarvoor z.i. in aanmerking komen in de loop van de zomer (dus na het beëindigen van de catechisaties en voordat deze in september weer beginnen) op zijn studeerkamer een gesprek voert. Het blijkt namelijk, dat sommige jongelui in hun hart tot deze stap besloten hebben en toch door verschillende (oor)zaken geremd worden. Met dezulken kan een vruchtbaar en dikwijls verhelderend gesprek gevoerd worden. Het geschiede echter altijd zodanig, dat de beslissing ten volle aan de persoon in kwestie overgelaten wordt. Ook op de huisbezoeken moet met de jongelui die daarvoor in aanmerking komen over deze stap gesproken worden.

Verder zal de predikant, of wie catechiseert, op de beide eerste catechisaties in september meedelen, dat de belijdeniscatechisatie spoedig begint, en dat er voor hen, die er over denken of mee zitten om belijdenis te doen, de gelegenheid is om hier over met hem te spreken. Dan moet men rustig afwachten, wie zich door de Geest gedrongen voelen tot deze stap.

Ik hoop hiermee enkele dingen gezegd te hebben, die in de komende maanden overwogen zullen worden en hier en daar helpen tot het duidelijker verstaan van de verantwoordelijkheid van de kerkeraad voor de geloofsbelijdenis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.