+ Meer informatie

MISSEN WIJ IETS? - over de bekoring van de Charismatische Beweging -

16 minuten leestijd

Een vraag die ons ráákt

Wanneer kerkmensen in aanraking komen met de Charismatische Beweging of de Pinksterbeweging, hetzij door lectuur, hetzij door persoonlijke ontmoeting, komt vroeg of laat de vraag aan de orde die boven dit artikel staat.

Niet alleen dat het als een gevóel bij je opkomt: is wat we bij hen vinden niet iets dat we missen in de kerk, terwijl we het wel zouden moeten hebben? Maar ook wordt het van die kant nadrukkelijk gesteld: de kerk leeft een niveau te laag. De ervaring van de vervulling met de Heilige Geest en het ontvangen van bepaalde gaven van de Geest brengt het leven van een christen op een hoogte waar de kerk zich tot haar schade van heeft laten beroven. Ze mist iets!

Is de Pinksterbeweging - sedert het opkomen ervan rond de eeuwwisseling - een beweging buiten de kerk gebleven, die laatdunkend oordeelde over de kerk maar contact vermeed, met de Charismatische Beweging is dat anders. Wereldwijd zich ontwikkelend vanaf het begin van de zestiger jaren is het een beweging geworden die de zaak van de „Pinksterervaring” in de kerken aan de orde stelt.

Uitdrukkelijk doel is de kerk te confronteren met die vraag en de kerkleden te doen geloven dat ze iets missen zolang de ervaring van „een nieuw Pinksteren” hun ontbreekt. Zowel in rooms-katholieke als in protestantse kring mist deze doelstelling haar uitwerking niet.

Niet overal wordt de Charismatische Beweging door velen aangehangen, maar wel leeft bij velen in de kerk het (misschien nauwelijks bewust gemaakte) gevoel dat men daar kennelijk iets heeft dat zij missen.

Als het er zo voor staat met een mens is hij al wat gemakkelijker geneigd iets van die anderen - die „het” wel hebben - aan te nemen.

Mij dunkt dat meerderen ook onder ons met een dergelijk „minderwaardigheidsgevoel” ten opzichte van de Charismatische Beweging (en de Pinksterbeweging) rondlopen. Ondergetekende is ooit bij het lezen van het bekende boek van David Wilkerson „Het kruis in de asfaltjungle” daar sterk van onder de indruk gekomen. Over de onbijbelse gedachten erin werd in eerste instantie vrij gemakkelijk heengestapt en wat overbleef was het onrustige gevoel: en dat hebben wij toch maar niet…………

Als we gaan nadenken en toetsen

Doordenken over de zaken waarmee de Charismatische Beweging ons confronteert is nodig. Niet alleen om bepaalde leringen, theorieën, te toetsen aan de Bijbel, maar ook om daar in de praktijk de consequenties uit te trekken.

Concreet gesteld: als om een geestelijke ervaring te onderbouwen onbijbelse leringen worden aangedragen, dan zullen we bereid moeten zijn te erkennen dat het niet alleen met die leringen, maar ook met de daarop gebouwde geestelijke ervaringen fout zit!

Dat het nodig is dit uitdrukkelijk te stellen, heb ik jaren geleden geleerd, toen ik voor een paar jeugdverenigingen een bijbelstudie had gehouden over de zogenaamde „doop met de Heilige Geest”, terwijl iemand met een charismatische achtergrond over zijn ervaring vertelde van geestesdoop en tongentaai. Een en ander was nogal tegengesteld aan elkaar. De reactie van een van de jongeren achteraf is me steeds bijgebleven: ds. Maris had wel gelijk, maar toch miste hij wat X. wel had…………

Wat moet dan de doorslag geven? Wat Gods Woord zegt - of datgene dat we dan toch maar aan ervaring kunnen presenteren? Regeert het Woord van God over de ervaring of regeert de ervaring over het Woord?……..

Misschien is dat laatste wel de diepste verzoeking van de Charismatische Beweging. Juist omdat het zo’n bekóórlijke verzoeking is.

Waar komen we dit tegen?

Het is niet de bedoeling in dit artikel het stroomgebied van de Charismatische Beweging in kaart te brengen. Het lijkt me wel nuttig wat namen te noemen die van belang zijn. De voornaamste organisatie in ons land is de Charismatische Werkgemeenschap in Nederland (CWN) met het maandblad „Vuur”. Leidinggevende figuren zijn ds. W.W. Verhoef (NH), pastoor J.N. van Ditmarsch (oud-katholiek) en dr. W.C. van Dam (NH).

Nauw verbonden met de CWN is het werk van „Oase”, dat zijn centrum heeft in Rotterdam en vooral de dienst der genezing en bevrijding beoogt.

Rooms-katholieke pendant is de organisatie „Nieuwe Aarde”, gevestigd in Eindhoven. Hoewel niet strikt behorend tot de Charismatische Beweging is toch een aantal organisaties en bewegingen in ons land werkzaam, veelal wortelend in de Pinksterbeweging, die uit zijn op een actieve confrontatie met kerkleden, en daarom in het kader van dit artikel wel van belang. Dikwijls komt de „bekoring” waarvan hierboven sprake was, uit de ontmoeting met een van deze organisaties voort.

Enkele voorbeelden: Tot heil des volks (o.a. J.J. Frinsel), Stichting Moria (uitgever bekende brochurereeks). Kruistochten (Anne van der Bijl), Stichting Opwekking (Ben Hoekendijk), Jeugd met een opdracht (Floyd Mc.Clung), Teen Challende (David Wilkerson). Near East Ministry en Stichting Reveil (o.a. Jan Willem van der Hoeven), In de Ruimte (o.a. Herman ter Welle).

Karakteristiek

Bovenstaande opsomming maakt al duidelijk dat we hier niet de verschillen tussen Charismatische Beweging(en) en Pinksterbeweging willen accentueren. Die verschillen zijn er zeker, waarbij te noemen is dat de Charismatische Beweging zich onderscheidt van de Pinksterbeweging door: een meer kerkelijk denken, een zich meer oecumenisch bewegen, een grotere openheid voor de theologie, ook de nieuwere schriftkritische theo-logie(en), en een grotere interesse voor de maatschappelijke en politieke consequenties van het evangelie.

Deze dingen maken echter niet in eerste instantie de bekoring van deze beweging uit die ze op een aantal kerkmensen heeft. Die bekoring is veel meer gelegen in die trekken waarin de Charismatische Beweging met de Pinksterbeweging overeenkomt, of sterker nog: die ze aan de Pinksterbeweging te danken heeft.

Een viertal trekken moet m.i. dan genoemd worden:

1. Geestelijke ervaring wordt boven geloof gesteld.

Een van de meest fundamentele overtuigingen van de Charismatische Beweging is de stelling dat een christen niet genoeg heeft als hij „alleen maar” leeft uit het geloof in de Here Jezus Christus. Er is méér - namelijk de doop (of de vervulling) met de Heilige Geest. Niet allen zijn het er over eens op wat voor manier men dit meerdere moet ontvangen, of het gaat om een duidelijke ervaring van een overweldigd worden door stromen van genade - zó dat het ook haast een lichamelijke belevenis is -, of dat het om een veel gelijkmatiger groeiend bewustzijn gaat van de aanwezigheid van de Heilige Geest. Veel protestantse aanhangers van de Charismatische Beweging pleiten voor het eerste, terwijl in rooms-katholieke kring meermalen het tweede wordt verdedigd. Men is het er echter over en weer over eens dat het wel om dezelfde ervaring gaat, die men ook in elkaar herkent en waar men ook gezamenlijk de beleving van „geniet”, b.v. tijdens oecumenische charismatische samenkomsten. Het middel tot het ontvangen van deze ervaring is als regel de handoplegging.

Een kenmerkende plaats in deze „ervaring” wordt ingenomen door de geestesgaven, in het bijzonder de glossolalie (het bidden in tongen), de profetie, de dienst der genezing, het ontvangen van visioenen en de dienst der bevrijding (nl. van demonische machten). Over elk van deze charismata zou op zichzelf het nodige te bespreken zijn. Het gaat ons hier echter vooral om het karakteristieke van de geloofsbeleving in de Charismatische Beweging, waarvoor in elk geval de nádruk op de geestesgaven van betekenis is.

Het is het geloof in de gaven van de Heilige Geest, dat christenen van zeer verschillende komaf geleerd heeft elkaar te erkennen en te herkennen (Vuur, jan. ’85, blz. 6).

Dit is zo’n belangrijk gegeven, dat het in de praktijk dikwijls zwaarder blijkt te wegen dan het Woord van God.

In een ingezonden stuk in „Vuur” (febr. 1978, blz. 12) werd vanuit bijbelse gegevens betoogd dat de zogenaamde „geestesdoop” geen extra zegen, ná wedergeboorte en geloof kon zijn en dat de redactie daar toch ernst mee had te maken. Het redactionele commentaar stelde, dat over dit punt wel allerlei discussie mogelijk was, maar vervolgde: „hoe dan ook, als we maar beseffen dat het in de charismatische vernieuwing gaat om de volle openheid voor de volheid van Gods Geest. Op die lijn zitten we in ieder geval”. Blijkbaar hoeft de ervaring niet aan het Woord van God getoetst te worden. De ervaring zelf is boven kritiek verheven, en gaat, in een eigen onaantastbare dynamiek, een eigen leven leiden.

Met allerlei voorbeelden zou zijn aan te tonen tot wat voor vreemde dingen dit leidt. Te denken is aan de aandacht die de laatste jaren gegeven wordt aan het zogenaamde Jezus-gebed, dat een middel is tot het verwerven van een mystieke ervaring. In een eerder artikel (Ambtelijk Contact, okt. 1980, blz. 533v.) gaf ik aan hoe de naam van de Here Jezus hier net zo gebruikt wordt als die van de afgoden in de hindoei’stische mantra-meditatie. Wonderlijk is bv. ook hoe W.C. van Dam (Demonen eruit, in Jezus’ naam, Kampen 1973, blz. 121 vv.) verdedigt dat in de strijd tegen boze geesten de tongentaai een krachtig middel is, evenals het aanblazen van een „bezetene” en het gebruik van „gezegend water”, en een kruisje of zelfs relikwieën van heiligen. En dit alles zonder enige bijbelse grond. Het beschouwen van de tongentaai als een middel dat kracht verleent, bv. ook in de strijd tegen drugsverslaving, is een wijd verbreide gedachte zowel in de Pinksterbeweging als in de Charismatische Beweging. Ook dat is iets dat nergens in de Bijbel wordt gevonden.

Kennelijk is voor charismatische christenen, als de ervaring een bepaalde kant uitwijst, de gelovige gehoorzaamheid aan het Woord een niveau dat men te boven is gekomen.

2. Bijbelgebruik

In het voorgaande zat al opgesloten dat de Bijbel als gezagsinstantie niet het eerste, en niet het laatste woord heeft.

Dat blijkt uit de aandacht die gegeven wordt aan rechtstreekse „boodschappen” van God in de vorm van visioenen, profetieën en tongenboodschappen (iets wat op zichzelf genomen niet kan bestaan - dat tongentaai, vertolkt, een boodschap van God aan de gelovigen zou inhouden, vgl. 1 Cor. 14: 2; toch komt dit dikwijls voor in pinkster- en charismatische kringen). Dit rechtstreekse spreken van God ontvangt een opvallende méérwaarde boven het Woord van God, dat de Here al gegeven heeft. In een charismatische samenkomst waar de voorganger een boodschap „doorkreeg” die de belofte bevatte dat de Here daar in het midden zou zijn, waren de aanwezigen daar diep door getroffen. Behalve in elk geval één van wie ik het hoorde en die begreep dat daar iets niet klopte omdat we die belofte immers al hadden in Matth. 18: 20!

Ook waar wel rechtstreeks een beroep op het Woord van God wordt gedaan, is daar wel wat bij op te merken.

Erg veel wordt het boek Handelingen aangehaald. De hoofdstukken 2, 8, 10 en 19 worden keer op keer aangevoerd om aan te tonen dat het ontvangen van de Heilige Geest in het leven van een gelovige een afzonderlijke ervaring is, te onderscheiden van wedergeboorte en geloof. Stelselmatig wordt daarbij voorbijgezien aan de specifieke heilshistorische betekenis van wat het boek Handelingen over de Heilige Geest laat zien, die wordt uitgestort over Joden (hfdst. 2), Samaritanen (hfdst. 8), heidenen (hfdst. 10 en gelovigen die nog „achterlopen” in de heilsgeschiedenis, hfdst. 19) omdat de verhoogde Here Jezus door zijn Geest ervoor zorgt dat zijn gemeente één lichaam zal zijn. Dat is ook wat in 1 Cor. 12: 13 staat: want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt. De tendens van het NT is te laten zien, dat de gemeente door de Heilige Geest deel heeft aan de ene Here Jezus Christus en allen in Hem hetzelfde heil deelachtig zijn. Dat is ook de lijn van het boek Handelingen; die werkelijkheid is daar door de genoemde hoofdstukken heen door de Heilige Geest gewèrkt.

Wanneer in de Charismatische Beweging die gedeelten worden aangehaald dienen ze een tegengesteld doel, namelijk om aan te geven - en te bewerken - dat de gemeente niet één is, maar gedeeld. Immers in wèl en niét met de Geest gedoopte of vervulde christenen, in gelovigen die „het” hebben en in gelovigen die het missen.

Dat gebeurt wanneer alles direct betrokken wordt op de mens van nu, alsof wij nu een „nieuw-Pinksteren” moeten verwachten. Dit is een typisch exemplarisch bijbelgebruik, met miskenning van het heilshistorische karakter van de openbaring.

Meermalen is er aanleiding om te spreken van een onbijbels bijbelgebruik. Evenmin als om een nieuw Pasen nodig te hebben, kunnen we immers de Bijbel aanvoeren om te zeggen dat we een nieuw Pinksteren behoeven.

Behalve het schriftberoep voor deze heel fundamentele charismatische leringen, getuigt ook het bijbelgebruik in allerlei situaties soms van weinig eerbied voor de Schrift.

Dennis Bennett (de man met wie in de zestiger jaren de doorbraak van de Charismatische Beweging in de kerken begon) schrijft: „Gebruik daarom een deel van uw tijd voor bijbellezen om stil te zijn voor de Heilige Geest om van de bladzijden af tot u te spreken. Als u dit doet, wees dan verdacht op enkele verbazingwekkende inzichten en onverwachte interpretaties. De Heilige Geest kan de Schriften zeer vrij en allegorisch gebruiken als Hij dat wil. U zult op plaatsen waar u het niet verwacht een diepe geestelijke waarheid zien voor uw eigen leven” (in: Dennis en Rita Bennett, Nieuw Leven met de Heilige Geest, Kampen 1975, blz. 174v.). Hij noemt dan als voorbeeld een predikant die last had van zijn maag en de Heilige Geest liet hem de tekst zien: Ik zal ziekte wegnemen uit uw midden (Ex. 23: 25). Dat is voor mij, zei die dominee: „In het midden van mij, in mijn maag, heb ik narigheid. God zal het wegnemen. En God nam het weg en genas hem volkomen”.

De Bijbel wordt zo gereduceerd tot een middel van de Heilige Geest om zich rechtstreeks tot mij te richten. Het gaat dan niet om wat het Wóórd zegt - het gaat om wat het tot mij zegt…………

3. De Heilige Geest boven Christus

Veel wordt in de Charismatische Beweging gesproken over de Heilige Geest. Dikwijls gaat dat ten koste van het spreken over, van het belijden van de Here Jezus Christus.

Gezegd kan worden dat in de charismatische denkwereld Pinksteren en Golgotha concurrerend naast elkaar staan.

Michael Harper (een pinkstertheoloog, die ook in de Charismatische Beweging als een man van gezag geldt) schrijft ergens’. „Het gevaar bestaat dat, als men zich eenzijdig richt op de pinksterboodschap, en alles wat daaruit voortvloeit, het kruis met al zijn zegeningen op de achtergrond raakt of veronachtzaamd wordt. Voor sommigen echter is het kruis van zulk een allesovertreffende betekenis dat het schijnt alsof er nooit een Pinksterdag geweest is” (Michael Harper, Evenals in het begin, blz. 137). Blijkbaar meent hij dat het wezen van Pinksteren en het wezen van Goede Vrijdag een bedreiging voor elkaar zouden kunnen vormen! Als Paulus schrijft niets te hebben willen weten dan Jezus Christus en die gekruisigd (1 Cor. 2: 2), zou hij het pinksterfeest dan even vergeten zijn geweest? Nee toch! Het werk van de Heilige Geest is juist om ons te doen weten wat ons door God in genade geschonken is (1 Cor. 2: 12 !). Of zou Paulus in dàt vers dat eerder genoemde weer vergeten zijn….?

We zullen moeten zeggen dat er in ons denken een heel spoor verkeerd is gegaan als ook de gedachte maar kàn bovenkomen, dat de Heilige Geest Christus concurrentie zou kunnen aandoen, of dat een leven door de Geest het leven uit Christus tekort zou kunnen doen! (zie slechts Joh. 15: 26 en 16: 14-15).

Wat niettemin door de Charismatische Beweging wordt verdedigd komt erop neer, dat iemand alles van Christus kan hebben, maar slechts een deel van de Geest. Maar het is toch het Woord van de Géést dat belijdt, dat in Christus al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn en dat de gemeente in Hém de volheid verkregen heeft (Col. 2: 3, 10).

Het is aan te wijzen in de Charismatische Beweging dat, waar niet meer gezien wordt dat de Geest altijd de Geest van Christus is en er toch veel aandacht aan de Heilige Geest gegeven wordt, dat dan juist mènsen verheerlijkt gaan worden. Mènsen kunnen op een hoger geestelijk niveau komen. Mènsen kunnen tot geweldige dingen komen. Tekenen, wonderen, sprake van overwinning - het komt door de Geest allemaal binnen ons bereik. Deze boodschap is aantrekkelijk! Niet zelden krijgt ze zelfs het karakter van een geestelijke „success-story” die ons wordt voorgehouden.

Het is echter niet de boodschap van: Christus alléén, en: door genade alléén.

4. Een oecumene van de ervaring

Met de belijdenis van de ene katholieke (algemene) christelijke kerk bedoelen we dat er ten diepste maar één gemeente is. Dat komt doordat er maar één Heer, en één evangelie, en één Geest is (zie o.a. Ef. 4:3-6). Daarom is er tussen kinderen van God de herkenning in het geloof, in het ene Woord. Van de moeiten die op dit punt bestaan, die te maken hebben met de verdeeldheid en de verscheurdheid van de kerk, spreek ik hier niet. Wel van het feit, dat er geen eenheid zal zijn dan de eenheid in de oriëntering op de Here Jezus. Er kan slechts sprake zijn van één kudde omdat er sprake is van één Herder.

In de Charismatische Beweging is de oriëntatie anders. Daar wordt de eenheid in erváring opgemerkt. Men is blij verwonderd te zien dat christenen van alle soorten tradities betrokken worden in dezelfde ervaring van de Geest. En waar die ervaring wordt herkend is geen behoefte meer elkaar aan te spreken op het gezag van het Woord, ook wanneer bij die ander de Mariaverering sterk gepropageerd wordt, of wanneer daar de schriftkritiek alle ruimte krijgt.

In toenemende mate geeft de Charismatische Beweging juist stimulansen aan wat maar de mystieke religieuze ervaring dient, op een tamelijk onkritische manier. Tegelijk kan b.v. een ds. Verhoef het pleit voeren voor het historisch-kritisch en literair-kritisch onderzoek van de Bijbel, en verdedigen dat de Bijbel daardoor een rijker boek wordt (Vuur, mei 1985, blz. 9).

Kritiek op het Woord van God en zijn gezag kan alle ruimte krijgen, maar kritiek op allerlei ervaringen, ingevingen, visioenen, mystieke praktijken, waar juist in het licht van het Woord van God alle aanleiding voor zou zijn, komt vrijwel nooit aan de orde. In die ervaring ligt immers de basis van de herkenning, van de gemeenschap.

Hebben wij een antwoord?

Na deze zeer beknopte karakteristiek moeten we terug naar de vraag: missen wij iets? Is er een „hoger” geestelijk leven nodig, als we hebben leren leven van genade?

Hebben we méér van de Geest nodig, als Hij ons Christus heeft doen kennen, „die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing ” (1 Cor. 1: 30)?

Hebben we méér nodig dan een leven door het geloof? Mogen we uit zijn op een wandelen in aanschouwen? De apostel Paulus houdt ons het anders voor (2 Cor. 5:7)!

Samenvattend: Missen wij iets als wij hebben leren leven vanuit Christus alleen, door genade alleen, uit het geloof alleen?

Een „nee” in antwoord op deze vraag bevat naar mijn diepe overtuiging ook een „nee” tegenover de bekoring van de Charismatische Beweging. Vanuit het hart van wat Gods Woord ons heeft geleerd en in de belijdenis van de Reformatie is verwoord, zullen we dat „nee” ook duidelijk moeten laten horen, terwille van de Here Zelf, èn terwille van de gemeente die aan onze ambtelijke zorg is toevertrouwd.

Of er dan vanuit de confrontatie met de Charismatische Beweging en de bekoring die daar van uitgaat, toch geen vragen naar ons toe komen, die ook tot zelfonderzoek kunnen en ook moeten leiden, is een andere zaak. Maar om dié zaak ging het in dit artikel niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.