+ Meer informatie

DOOR H. ZEEBERG

7 minuten leestijd

531. De smid springrt van het paard, geeft de teugels de kleine de wagenmaker, die met een benauwd gezicht achter op het beest zitten blijft.... „Ja, maar... maar als-t-ie nou lopen gaat? Help me er eerst afl"

Maar de smid hoort de onrust van de wagenmaker niet.

Hij holt weg, zoekt terzij van het bos, tuurt over het wijde land, waar in de verte koeien grazen in de grijze morgenmist, komt hoofdschuddend terug, een lang eind touw in zijn hand. En als hij de bakker ziet, die naar buiten is gekomen, en al zijn moed verzamelde om zómaar voor het paard te gaan staan, om de kleine wagenmaker gerust te stellen, — als de smid de gemoedelijke dikzak daar ziet staan, roept hij'al uit de verte: „Het paard? Waar is het andere paard?"

Met plaatjes van Willem O. van de Hulst jr.
533. Het andere paard ? Och, de bakker en Louw, de twee vrouwen in de wagen, — ze hebben het zo druk gehad over de gefopte liedjeszanger; — ze hebben geen van allen nog aan het beest gedacht, dat, terzij van het bos aan een boom gebonden, de nacht doorbracht. Maar nu? Grote schrik) Zoeken! zoeken ! „Maar ik ga niet mee", schrikt de bakkersvrouw.... „O, als ik dat ijzige beest eens alléén tegenkwam; — brrr!"

„En ik zal maar aan mijn karweitje beginnen", zegt haastig de kleine wagenmaker. Hij moet van paarden ook niets hebben Maar de bakker. Louw, het dappere smidsvrouwtje, zij trekken uit, hierheen, daarheen 1 Nergens een paard te vinden.

„Ja, dan is 't gestolen", gromt de smid, als hij 't verhaal van de onbetrouwbare liedjeszanger heeft gehoord „Wat moeten we nou beginnen?"

Dit was tenslotte het eerlijkst. Met het geloof van zijn vader en zijn moeder en Elsa en al die anderen kon hij zich niet verenigen. Het vloekte zijns inziens tegen het leven. Het hield de vooruitgang tegen. Mogelijk, dat het vroeger, veel vroeger nog betekenis en waarde had, maar dan was het nu uitgediend. De cultuur had zulk een hoge vlucht genomen, ver, ver boven het. Christendom uit. De mens kon immers alles? Al de dag werd het duidelijk, dat de Bijbel een verouderd boek was. Hij had in zijn onnozelheid gemeend, dat hij die Bijbel pasklaar maken kon voor het moderne leven, maar dat ging-niet. Want als hij dat wilde, riep dezelfde Bijbel hem een halt toe! Dan kwam daar in zijn binnenste dat onbehagelijke gevoel, dat niet was dan een tweestrijd; neen, neen, zó kon het niet langer

Dolf wist niet, hoe lang hij had liggen piekeren. Loom stond hij op en wandelde terug naar de beide hengelaars, die nota bene nog verder van elkaar waren gegaan, zodat als zij enkele woorden wilden wisselen, zij het elkaar toeroepen moesten!

Hij sprak evenjnet hen en keerde toen weer terug naar de plaats, vanwaar hij gekomen was. Voorlopig bleven die twee nog wel zitten. Hij verveelde zich gruwelijk, tot hij in zijn zak een groot dagblad van de vorige avond ontdekte. Dat was een uitkomst. Hij besloot het van a tot z te gaan spellen om althans enige afleiding te hebben.

Van zijn voornemen kwam niet veel, want hij viel over de courant in slaap. HOOFDSTUK XI. Een daverend gelach in zijn onmiddellijke nabijheid deed hem vol schrik opspringen. Als verdwaasd staarde hij in het rond om dan tot het besef van de werkelijkheid te komen.

,,Nou, jij moet weer vroeg opstaan, maat!" spotte Haverma.

„En wat een visser!" vond de ander.

„Vissen is geen werk voor mij", zei Dolf knorrig, „ik verveelde mij gruwelijk en ging hier wat liggen lezen èn toen ben ilt blijkbaar in slaap gevallen, maar — hoe laat is het eigenlijk?"

Hij vond opeens, dat de zon al verdacht hoog stond en greep naar zijn horloge.

,,Lieve tijd! Elf uur! Hoe is het mogelijk!"

„Ja kerel, je hebt een flinke tuk gedaan om jaloers op te worden. Wij hebben al die tijd rustig zitten vissen. Maar tenslotte gingen wij jou missen en na enig zoeken vonden wij zijn Edelheid. Harry wilde van je vermissing aangifte doen bij de politie". ,,Hoe is de vangst?" vroeg Dolf. ,,Geen snars, man. Er schijnt hier niet veel te zitten, maar dat geeft niet. Wij hadden een fijne morgen, al was die voor jou vervelend. Aanvankelijk was ik van plan, zoals je weet, om ongeveer op deze tijd weer naar huis te gaan, maar Harry wil de dag vol maken en daarin heb ik ook wel trek. In Rotterdam loop ik ook maar' met mijn geld onder de arm. Hoe denk jij er over?"

„Het kan mij weinig schelen", meende Dolf, onverschillig doende, „maar wat waren jullie van plan? Blijven vissen?"

,,Ben je dwaas? Neen, neen, aan alles komt een eind. We houden er mee op. Wij wilden een uur of anderhalf op een goed plekje — dit lijkt mij niet onaardig — gaan luieren. Dan in het café, waar wij thee gedronken hebben, eten. Een biefstukje met gebakken aardappels zal wel smaken en dan rijden wij naar de Tafelbergen, waar een prachtige gelegenheid is om te biljarten. Hoe denk je er over?"

,,Akkoord, Van Putten", stemde Dolf toe.

Alles was hem goed, als hij maar niet aan zichzelf overgelaten werd, want dan kwamen die tegenstrijdige gedachten weer. Het beste was maar om zich in 's levens maalstroom te werpen

,,Afgesproken", zei Harry van Lanen. ,,'k Haal even onze rommel naar hier en dan gaan wij in de zon blakeren. De aardigheid is er over een uur hier toch van af, want langzamerhand komen er meer mensen in het bos. 'k Heb daareven al lawaai gehoord".

Hij keerde spoedig terug met het visgerei, waarna ieder zijn fiets haalde en die in de buurt in de schaduw zette. Enkele ogenblikken later lag het drietal languit.

De landerige stemming van Dolf was direct verdwenen. Hij zou niet kunnen verklaren waarom, maar een feit was het. Druk nam hij deel aan het gesprek, tapte moppen, zodat het uur omgevlogen was, eer ze Het wisten. Alleen toen het biljarten ter sprake kwöm, dreigde er even disharmonie

,,Zeg, uit welk kaH'erland kom jij eigenlijk?" vroeg Harry van Lanen, niet zeer beleefd.

„Uit een land van zeer fatsoenlijke mensen", antwoordde Dolf geraakt.

,,Tut, tut", suste Huib Haverma, „Harry bedoelt het zo kwaad niet".

„Weineen, kerel. Vat heus geen vlam. 't Is de moeite niet waard, 'k Heb alleen gemerkt, dat je van voetballen niets weet, dat vissen je niet schelen kan en nu zeg je ook, dat je het biljarten niet kent. Dit verbaast mij alleen en ik vraag mij af, wat in vredesnaam de mensen doen in het gat, waar jij vandaan komt. 'k Had het misschien iets anders kunnen.vragen, maar 't was er uit, zonder dat ik er erg in had. Dat is alles".

,,Vergeven en vergeten", zei Dolf opeens.

Eigenlijk, overlegde hij, had hij dergelijke vragen wel kunnen voorzien. Natuurlijk, mensen als deze twee, waren er in Kerkwijk en Meerstad ook. Meerstad had een in die streken bekende voetbalclub. Er was een bioscoop. Er waren cafés met biljarten. De kwestie was alleen, dat zijn opvoeding hem buiten die dingen gehouden had, maar — dat kon hij deze beide jongelui toch moeilijk zeggen?

,,Dat vind ik ook", meende Huib Haverma, reagerend op Dolfs laatste woorden. „Je moet wat van elkander ; kunnen verdragen en als je niet biljarten kunt, zullen we het je leren. We gaan opstappen. Ik krijg trek".

Het café van die morgen was spoedig bereikt. Huib Haverma sprak met de waard af, dat het visgerei er zou bewaard blijven tot de avond.

,,Wat is dat eten allergruwelijkst zout", vond Dolf ietwat later.

,,Berekening man, wij moeten dorst krijgen", lachte Huib.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.