+ Meer informatie

JOHN G. PATON

De oude strijd: licht - duisternis

5 minuten leestijd

Op 23 Maart 1858 werden Paton en Copeland geordend tot zendelingen onder de heidenen. Ruim drie weken later gingen ze onder zeil met de Clutha, die na vier maanden te Melbourne, in het zuidoosten van Australië, aankwam. Vanaf deze stad bracht een ander schip het kleine gezelschap (Copeland, Paton en mevrouw Paton) naar het eiland Tanna, één der Nieuwe Hebriden. Het was toen de 5de November 1858.

We zullen even naar Paton luisteren.

„Toen ik, bij onze aankomst op het eiland Tanna, voor het eerst de naakte, beschilderde inboorlingen zag, werd mijn hart met afgrijzen zowel als met medelijden vervuld. Zij hadden op zijn best zoveel kleren aan als Adam en Eva na de val. De bejaarde vrouwen droegen niets dan een kort rokje van gras, de jongere slechts een kort rokje van gras of bladeren; en de mannen iets, dat op een zak geleek. De kinderen waren geheel naakt.

Hun gelaat was rood, zwart en wit beschilderd; sommigen hadden één zwarte en één rode wang; anderen een wit voorhoofd en een blauwe kin; kortom, allerlei kleuren, overal; hoe grilliger en wilder, hoe mooier.

Hun lang haar was gevlochten in een menigte dun-

I ne vlechtjes, aan koorden gelijk, en met veren en schelpen versierd. Ook waren zij altijd gewapend met een dikke knots, die zij vervaarlijk in de lucht konden zwaaien en een werpsteen, een dodelijk wapen, veel gelijkende op een slijpsteen voor zeisen, van achttien tot vier en twintig centimeter lang, waarmee zij op verre afstand en met perfecte juistheid wisten te treffen

Het zien dezer ongelukkigen bracht mij bijna tot wanhoop. Had ik dan mijn nuttige werkkring en mijn lieve vrienden in Glasgow opgegeven, om zijn leven te wijden aan deze diepgezonken schepselen? Zou het mogelijk zijn, dacht ik, hun het onderscheid te leren tussen goed en kwaad, hen tot het Christendom te brengen, of zelfs enigszins te beschaven? "

Het spreekt vanzelf, dat het drietal veel bekijks had. De inboorlingen drongen om de blanken heen en letten op alles wat die vreemdelingen deden. Van spreken met elkander was geen sprake. Ze keken elkander maar aan en knikten en lachten en maakten gebaren.

Toen Paton begon om een huis te bouwen, kwamen twee inboorlingen bij hem staan. Eén der mannen nam een stuk gereedschap van de zendeling op, liet het aan zijn metgezel zien en sprak: „Nunski nari enu? "

De schrandere Paton begreep, dat die klanken moesten betekenen: „Wat is dat!" Op zijn beurt vroeg nu Paton, terwijl hij een stuk hout liet zien: „Nunski nari enu? "

De twee mannen keken elkander lachend aan en waren blijkbaar verbaasd over de blanke man, die hun taal sprak. Ze noemden de naam van het stuk hout. Direct schreef de zendeling het woord op. Het spelletje werd herhaald. Verschillende dingen werden getoond en de vraag klonk telkens: „Nunski nari enu? " De inboorlingen noemden telkens de namen. Zodoende kwam Paton in het bezit van een woordenboek, dat met de dag uitgebreider werd. Door zeer oplettend te luisteren naar de gesproken taal, kon de zendeling zich nu ook langzamerhand verstaanbaar maken.

Er waren twee bejaarde opperhoofden, die zeer vriendelijk waren voor Paton, en in alle opzichten erg betrouwbaar waren. Van deze twee, Nowar en Nouka, had de zendeling veel steun. Ongelukkig stonden cleze opperhoofden onder het oorlogshoofd Miaki, die zijn eer er in stelde om oorlog te voeren, bloed te vergieten en die steeds, naar believen, kon beschikken over een gevolg van woestelingen, die alles uitvoerden, wat Miaki maar wou.

Ieder volk, ook het diep-gezonkene op Tanna, heeft een godsdienst. In elk mens is een besef van een hogere Macht en die Macht moet uitgebeeld. Zo hadden de Tannezen stenen afgoden, waarin ze geloofden en die ze vreesden. Hun opperhoofden waren ook een soort goden, en zodoende had ieder dorp en iedere stam zijn eigen „heilige man".

Die „heiligen" gaven vóór, door hun ceremoniën de macht te bezitten over leven en dood, niet slechts in hun eigen stam, maar zelfs over het hele eiland. Het bijgelovige volk bracht geschenken tot de „heiligen, " om bij de goden tussen te treden, om ziekten te genezen of iets te betoveren.

Behalve de houten en stenen afgoden, werden ook de geesten van gestorven voorouders en helden aangebeden. Die geesten werden gevreesd en gezocht voor hulp. De godsdienst op Tanna was dus een gosdienst van slaafse vrees, om de boze geesten te bevredigen, om zodoende onheilen te voorkomen of zich wraak te verzekeren.

Het hoogst en schoonst gelegen dorp van het eiland was Anear en dit beste plekje op aarde was voor de Tannezen het zinnebeeld van de hemel.

Toen Paton dit wist, had hij ineens een aanknopingspunt om over de werkelijke Hemel te spreken, de Troon van God, Die hemel en aarde heeft geschapen en nog onderhoudt. Met aandacht luisterde het volk. Dat waren mooie, begerenswaardige zaken!

Maar toen Paton sprak over de dienst van die God; dat dan al de afgoden moesten weggeworpen; de heidense gewoonten en ondeugden moesten gestaakt, toen ontstaken de inboorlingen in toorn, en begonnen allerlei wreedheden te doen tegen ieder die naar Paton wilde luisteren.

Hier was de strijd weer duidelijk te zien tussen de duisternis en het licht; tussen Christus en satan.

Zou het licht ook in Tanna doorbreken?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.