+ Meer informatie

Verstaan we poëzie ?

Opvlucht en terugval.

5 minuten leestijd

Om dit artikel te volgen, moeten we het gedicht „Het lied der dwaze bijen" vóór ons hebben. Ik verwijs dus naar het nummer van de vorige keer, waarin het in zijn geheel werd opgenomen. Toen werd opgemerkt, dat we het op het eerste gezicht niet zouden begrijpen, althans erg moeilijk; maar bij intensere lezing kan men wel tot de slotsom komen, dat het hier gaat over een bijenzwerm; nauwkeuriger nog, over de vlucht van de koningin, door darren achtervolgt. Deze darren vinden straks de dood, wanneer ze, huiswaarts gekeerd, door de werkbijen worden afgemaakt.

Zo zou het gedicht geparafraseerd kunnen worden. Een dichter als Nijhoff bedoelt echter iets heel anders, iets wat minder materialistisch aandoet, iets dat over abstracter dingen gaat. Hier wordt, zoals we laatst zagen, het ontstijgen van de „lage aardse dingen" bedoeld; het gaat over het opgaan in „hoger sferen", om verlost te zijn van het „nietig aards gewemel."

De bijen (die zijn bier dus slechts beeld) gaan de korven en tuinen verlaten, want er is een geur in de lucht gekomen, een geur van „hoger honing" van betere kwaliteit, en daardoor zijn de alledaagse bloemen bitter geworden. Maar behalve de geur, is er ook nog een zacht zoemen, dat voortdurend uit de blauwe hemel hoorbaar is. Dit zoemen is in het azuur (het hemelblauw) bevrozen: het is duidelijk aanwezig, maar het is toch onbereikbaar. Het is een fel lokmiddel, dat geluid: het blijft duren, dat steeds herhaald niet-noemen. En nu komt er een zoeken naar dat lokkende, aanhoudende geluid. Dat moeten wel (en we blijven in de beeldspraak van de bijen) bizondere bloemen zijn! Raadsel ige rozen. Het is een roekeloze daad om zo ver van volk en leven op avonturen uit te durven gaan. De aantrekkingskracht is echter zo groot, dat ze jubelend worden voortgedreven. Het wordt een moeten, al is er groot gevaar aan verbonden: niemand kan zijn hartstocht onderbreken en er wordt gesproken over de dood, die niet te verduren is. Vanuit de dagelijkse werkelijkheid moet de dichter opstijgen, het koste wat het koste; de hoger honing lokt en dan wordt al het aardse bitter.

In de zesde strofe wordt echter gesproken van het ontwijkend teken. Het woord „ontwijkend" geeft weer aan, dat het beoogde moeilijk te bereiken is. Het teken wijkt weg, maar des te meer wordt het verlangen heviger, met het gevolg evenwel, dat de bijen uitgeput geraken: „bezweken". En toch blijft de beweging voortduren, want het teken blijft (zie maar de laatste regel van het zesde vers): naar het ontwijkend teken. In de zevende strofe gaat de dichter ten onder, nadat het uiterste is opgebracht:

Stegen wij en verdwenen, ontvoerd, ontlijfd, onAzworven, stegen wij en verdwenen als glinsteringen henen.

Hoe precies drukt de dichter deze toestand uit! Hij is ontvoerd, dus heeft hij geen wil meer: ij heeft zich laten leiden; hij is ontlijfd, dus is het lichamelijke weggevallen; hij is ontzworven, dus de ballast v:1 het aardse, van het materiële, van de hele omgeving is hij kwijt. Maar zie, ondanks dit alles, zet de beweging zich voort; het lijkt een beweging zonder einde. De bijen (in beeldspraak dus) zijn slechts glinsteringen meer: e verdwijnen uit het oog en zijn straks onzichtbaar geworden.

Boutens zou ditzelve gevoelen uitdrukken met deze woorden:

Die raakt in teerst beleid De wijzers van den tijd Met nadruk zoo gering Alsof een droomeling Zich in den slaap verschrikte, en heel zijn droom is [heerlijkheid.

Tot het uiterste heeft Nijhoff voortgezet de beschrijving van het ontmenselijke en van het ontwereldlijke. Deze dichterlijke ziel, zo teer besnaard, spreekt hier (al is het dan op een andere wijze en onder andere omstandigheden) uit wat Paulus bedoelde met „of het in het lichaam geschied is of buiten het lichaam, dat weet ik niet", toen hij opgetrokken was geworden in de derde hemel.

En dan komt plotseling de grote breuk in het gedicht, tussen het zevende en achtste couplet. Het streepje achter de zevende strofe staat er niet voor niemendal: hier komt de grote wending. De verdwijnende glinsteringen, helder doorschenen. Groter tegenstelling is haast niet denkbaar. Eerst de opvlucht, in zon en hemelblauw, als teken van leven; nu

het neersneeuwen van de dode bijen: wij zijn gestorven en omlaag gedwercld. En om die tegenstelling nog wat nadrukkelijker te zeggen, wordt het herhaald in de laatste regel: het sneeuwt tussen de korven. De machteloosheid van de bijen en het roekeloze van de opvlucht wordt hier extra onderstreept.

De dichter is uit zijn bezieling terug gevallen in de werkelijkheid. liet gedicht is te vergelijken met een muziekstuk. Met zachte registers is begonnen; een dromerige sfeer werd geschapen; de grondtoon was majeur, met nu en dan schrille dissonanten bij verbitterde, bevrozen, roekelozen; maar dan met zuiverder accoorden voortzettend in het vierde vers. Steeds meer stemmen worden bijgehaald, zodat het volle werk er aan te pas is gekomen bij „jubelend voortgedreven", om dan weer iets te minderen, tot de muziek haast wegsterft bij „glinsteringen henen": een zacht helder geluid is het daar geworden met vibrerende stemmen in de hoogte. Maar dan. . . . dan klaagt ineens de melodie het onbereikbare en onvoldane uit, nu de terugval is gekomen in de » werkelijkheid. Lage tonen zuchten het lied van de dood in klagende dissonanten.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.