+ Meer informatie

Interview met ds. M.W. Vrijhofen ds.J. Westerink PRATEN OVER PREDIKING

14 minuten leestijd

Het is goed praten met de twee broeders die als predikant in onze kerken een respectabele staat van dienst hebben en over hun ambtswerk graag en met vaart en verve spreken. Ik heb het over ds. M.W. Vrijhof (1950) uit Arnhem die al 32 jaar ‘ambtshalve’ het Woord bedient, en over emerituspredikant J. Westerink (1939) die maar liefst op 48 jaar preken kan terugzien. Ervaringsdeskundigen dus en bovendien gastvrije mensen die de tijd wilden nemen voor een goed gesprek. In twee afzonderlijke ontmoetingen legde ik hen een reeks vragen voor waar beide broeders open en serieus op zijn ingegaan. Hun inbreng is in het volgende verslag samengevat.

De laatste tijd lees je nogal eens over de zwaarte van het ‘predikambt’. Het aantal burn-outs onder predikanten lijkt toe te nemen. Beide gesprekspartners bevestigen, mede op grond van gesprekken met collega’s die zij bij de uitoefening van hun bovenplaatselijke taken in het kerkverband ontmoeten, dat het ambt zwaarder is geworden.

Kunt u dat toelichten?

Westerink: ’Toen ik in 1963 begon op Schouwen-Duiveland was het leven minder gecompliceerd en ook gemoedelijker; je kreeg de tijd om dominee te worden. Niet dat het voor een beginnend predikant toen een ‘makkie’ was. Alles moest nog in de praktijk geleerd worden.

Daar komt bij dat de tijd waarin we nu leven ook kerkmensen voor andere vragen plaatst, al maakt het ook nu nog wel uit waar je staat. Urk is een aparte plaats, maar als je hier met het Woord komt, dan legt dat echt nog beslag op de mensen.’ Vrijhof: ‘Zowel vroeger als nu is het voor een predikant een belangrijke vraag in welke context de mensen leven aan wie hij geroepen wordt het Woord te brengen. Er speelt tegenwoordig zoveel in het leven van mensen en dat maakt het werk toch wel heel zwaar.

Duidelijke verschillen met vroeger zijn ook dat mensen mondiger zijn geworden, meer opleiding hebben genoten, allerlei functies in de maatschappij bekleden en deelnemen aan ontwikkelingen in de samenleving. En de vraag is hoe het Woord dan bij hen aankomt. Je kunt niet zomaar ergens opmerkingen over maken. Het moet goed doordacht zijn wat je zegt. Overigens vind ik die andere context van nu ook een hele uitdaging, hoor. Ik geniet ervan om dat Woord bij mensen van nú te brengen.’

BEVINDELIJK PREKEN

Over de prediking willen we met elkaar doorpraten. Onze kerken staan vanouds bekend om hun ‘bevindelijke prediking’. Wat houdt dat begrip voor u in? En is er in de halve eeuw dat ons blad bestaat ook wat veranderd in de betekenis van dit begrip?

Westerink: ‘Ik denk dat vóór de Tweede Wereldoorlog bevinding nogal eens gezien werd als ‘gevoel’, dus veel meer van beneden dan van bovenaf. Het is met name prof. Kremer geweest die met zijn rede ‘Geestelijke leiding in de prediking’ in een bepaalde fase van ons kerkelijk leven een stempel heeft gezet op een goed verstaan van wat bevinding betekent. Het is leiding geven in de prediking met betrekking tot het werk van de Heilige Geest die vanuit het Woord in het hart en leven van de mens werkt’.

Vrijhof: ’Voor mij gaat het erom dat het Woord van God zó verkondigd wordt dat de hoorders begrijpen dat dit hen aangaat. En dat kan positief zijn, zo van “hier heb ik wat mee; dit raakt mij”, maar het kan ook betekenen “dit zegt me niets, hier wil ik niks mee”.

Westerink: ’Ik hang ook niet aan het woord ‘bevinding’ maar wel aan Kremers vertaling: dat je zoekt naar de leiding die de Heilige Geest geeft in die concrete tekst waarover jij geroepen bent te preken en dat je dat naar de gemeente toe probeert te brengen. Daar komt vanzelf dat ontdekkende, onderscheidende element in mee.’

Vrijhof: ‘Prediking moet appellerend zijn, bemoedigend, uitnodigend tot een reactie. En ik zie prediking toch ook in een missionaire context. Het is “Gods greep naar mensen”. Vergeet niet dat bij de gemeente om zo te zeggen ook de wereld aanschuift; die komt van buiten maar ook van binnen, in ons eigen bestaan. Als ik zeg dat God in de verkondiging naar mensen grijpt dan is het zijn liefdevolle hand die grijpt naar het hart van de mens en dat is een heel persoonlijke zaak.’

Is er bij u in de achterliggende dienstjaren iets wezenlijk veranderd in uw prediking als het om ‘beuinding’ gaat?

Westerink: ’Volgens mij niet, maar het hangt er wel vanaf hoe je spreekt. Als je ouderwetse taal gebruikt, en vooral als je wollig spreekt over dingen die je bij de náám moet noemen, vind ik dat heel kwalijk. Noem de dingen zo dat de mensen ze verstaan. Ik preek soms in heel verschillende gemeentes. Mij trof in reaches op de preek dat mensen zeiden: “je brengt het heel dichtbij”. Ik denk dat de mensen daar behoefte aan hebben.’

Vrijhof: ’Ook ik zie bij mezelf geen wezenlijke wijzigingen. De taal is natuurlijk wel veranderd. Welke taal verstaan we met elkaar? Wat zeggen we tegen elkaar en wat bedoelen we ermee? Ja, in de manier waarop we vandaag de dingen zeggen is wel een en ander veranderd.’

KERN

Zo’n vijftig jaar geleden leek de Nederlandse samenleuing nog redelijk stabiel. Ze was verzuild: elk instituut, elke denominatie had z’n eigen plek. De jaren zestig en zeventig hebben tot ueel ontujrichting en grote ueranderingen geleid op de terreinen van normen en waarden, van gezagsuerhoudingen, maar ook op het gebied van communicatie. Nu, in 2011, spreken uje ouer kerk-in-de-marge. Heeft dat uoor het werk van de uerkondiging geuolgen gehad?

Westerink: ’Misschien moet je die vraag wel andersom stellen: heeft de prediking in de breedte van het kerkelijk leven in Nederland gevolgen gehad voor die ontwikkeling! Ik denk aan de gang van zaken in de Gereformeerde Kerken (synodaal) en aan het boek Het lege testament (1985) van Piet van der Ploeg. Als er één kerk uitgehold en leeggelopen is, dan is het die wel. En daar is de veranderde prediking naar mijn mening één van de belangrijkste oorzaken van. Tachtig procent van de gemeente van de bekende ds. O. Bottenbleij bestaat uit ex-gereformeerden die zeggen: ”we kregen in onze eigen kerk geen boodschap”. Die ontwikkeling baart me wel zorg, want ze gaat ook aan onze kerken niet voorbij.

Ik denk dat de gemeente van nu dezelfde radicale boodschap van zonde en genade nodig heeft als in het verleden. Als in een kerkenraadskamer ‘s ochtends tegen mij gezegd wordt niet te moeten schrikken als er die middag heel wat minder zitten, vraag ik me af: waar zit dat in? Is de prediking dan zo vlak geworden dat de mensen zeggen: “we weten het wel”? Urk of de ICF-Rotterdam hebben heel verschillende culturele settings met forse liturgische verschillen. Ik moet in die Rotterdamse gemeente in het Engels preken, maar ik breng wel dezelfde boodschap. Ik heb langzamerhand geleerd dat die setting verschillen kan. Als ik de boodschap kan brengen die naar mijn diepe overtuiging naar Gods bedoeling is, ben ik bereid om een hele rand daar omheen te relativeren. De prediking, dat is het beslissende.’

Vrijhof: ‘We leven in een volstrekt ontzuilde samenleving. Gemeenteleden kijken over grenzen heen en doen ervaringen op in andere geledingen van de maatschappij. En dat speelt allemaal mee in de gemeente die ‘s zondags samenkomt. Dan gaat het me om vragen als: wat speelt er in hun leven, voor welke vragen staan ze nu? Je probeert dat mee te nemen in de verkondiging, te overdenken wat het betekent als daar het Woord van God tegenover of naast wordt gelegd. Wat daarvoor nodig is? Allereerst kennis van de Schriften en vervolgens kennis van de mensen.

In onze cultureel-dynamische context vind ik het belangrijk de grote daden van God te verteilen. Je hoeft niet op alles te reageren. Het gaat om het bewerken van de bodem waarop bij gemeenteleden overtuigingen groeien. En die bodem moet verankerd zijn in de Schrift. In onze samenleving is God zo ongeveer een optie geworden, een mening. En dat is wel de wereld waar onze mensen, onze jongeren ook, in staan. De omgeving, de liturgie, mag verschillen. De kern van de Bijbelse boodschap is echter niet inwisselbaar.’

LEVENDE LEER

In de reformatorische traditie is de ‘onderwijzing in de leer der godzaligheid’ een voornaam kenmerk van de preek. In heel wat kerken van gereformeerd belijden heerst thans wel verlegenheid ouer de regel elke zondag uit de Heidelbergse Catechismus te preken. Is het ‘leerelement’ verschoven naar het ‘beleuingsmoment’? Vindt u dat de onderwijzing elke zondag per se uit de catechismus moet geheuren?

Vrijhof: ’Ik heb wel eens vijf keer over vraag en antwoord 1 gepreekt, juist om er diep op in te kunnen gaan, net als over de doop en het avondmaal.

Verder preek ik niet meer elke zondag een keer over de catechismus, maar ik doe wel heel wat leerdiensten. Kijk, wat in de catechismus aan de orde komt, zijn allemaal heel wezenlijke zaken, maar hoe stel je ze aan de gemeente voor? Verras je er de gemeente mee of wordt het van zondag 1 naar zondag 2 enz.? Daar ga ik wat vrijer mee om, maar niet met de doctrina, de christelijke leer van de kerk. Pas nog heb ik geprobeerd duidelijk te maken wat het dogma voor de kerk is en hoe belangrijk dat is, maar niet op een schoolse manier.’

Westerink: ’Als die preken uit de catechismus ‘leerredes’ worden, landen ze niet. De catechismus bedoelt zo heel persoonlijk het Woord van de Here, zoals dat door die vaderen is verstaan, in het midden van de gemeente te brengen. Dat heb ik steeds met veel vreugde gedaan, al is het niet altijd makkelijk. Over één zondag uit de catechismus preekte ik soms wel zes keer!

Je kunt ook wel eens afwisselen met de NGB en de Dordtse Leerregeis, maar er moet wel onderwezen worden. Het mooie van de Heidelbergse Catechismus is dat ze niet met dogmatiek komt, maar met een stukje leer dat léven is. Kijk naar zondag 1: ‘Wat is uw enige troost..?’ Die zgn. belevingscultuur is daar naadloos in te passen.’

Beide gesprekspartners zijn het erover eens dat er niet selectief gewinkeld kan worden als het om de HC gaat, de volle rijkdom van de christelijke leer moet aan de orde komen. Wel maken beiden zich zorgen over hoe de jeugd van de kerk bij deze leer betrokken kan worden. Beiden beamen dat de catechese een grote zorg en opdracht is van de gemeente van nu voor de kerk van morgen.

Westerink: ’Niet de leer erin stampen, dat werkt niet. Geef de jongere generatie de ruimte om met die fundamentele geloofswaarheden om te gaan en erover te spreken met elkaar.’

Vrijhof: ’Laat de catechese interactief zijn. Je moet proberen de hoofdthema’s (geloof, gebod, gebed) op een eigentijdse manier duidelijk te maken, en dat in gesprek met jongeren.’

ALLEMAAL ZONDAARS

De bekende theoloog prof. Van de Beek heeft in zijn boekje ‘Is God terug?’ de prediking in veel kerken het verwijt gemaakt niet meer uit te leggen wat ‘zonde’ is of er hooguit een moralistische invulling aan te geven. Moet aan ‘zonde’ en ‘zondebesef’ aandacht gegeven worden in de prediking, en hoe dan?

Vrijhof:’ Het gaat erom hóé je erover spreekt. Zondebesef bestaat maar niet uit het overtreden van regels, maar is bovenal een verkeerde houding tegenover de Here God zelf. Het is een attitude. Als prediking is: ‘God grijpt naar het hart van mensen’ dan gaat het dus om die relatie. Hebben we vrede met God of hebben we die niet? Dat is voor mij de invalshoek om over zonde te spreken.’

Westerink :’Ik wil de mensen graag verlossen van het vanzelfsprekende “we zijn allemaal zondaars”. Laat de mensen zien waarom het nodig was dat Christus de weg van het kruis ging. Ik heb al vaker tegen broeders gezegd dat wij in dit opzicht in onze kerken te weinig zicht hebben op het profetische ambt van Christus. Denk aan de geschiedenis van de Samaritaanse vrouw. Jezus lokt haar uit de tent en dan zegt Hij: ‘haal je man’. En dan valt ze door de mand. En even later is haar boodschap: “zie daar een man die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: zou deze niet de Christus zijn?” Op die manier maakt Jezus plaats voor zijn werk.’

En de plaats van de wet?

Vrijhof: ’Ik zie de wet als de wil van God. Zou Hij niet het goede voor ons leven op het oog hebben? Ik heb eens een serie preken gehouden over de geboden als Gods veiligheidsvoorschriften. Die geboden willen dat veilige leven aangeven: ga er niet buiten, daar is het onveilig. En dat is een boodschap van Gods liefde!’

Westerink: ’Laat het bewustmaken van wat zonde is nooit losgemaakt worden van de liefde van God. De Engelse puriteinen zeiden altijd: je moet zo gauw mogelijk bij Christus terechtkomen. Christus moet echter niet maar gestalte krijgen als vriend of helper, maar als Degene die verlost en terugbrengt tot God. Kruip in de huid van de mensen om ze dat te laten zien.’

AUTHENTIEK

Beide broeders zijn zich bewust dat een integere en authentiefee opstelling een voorname rol speelt.

Westerink: ’De mensen moeten kunnen merken: die man daar op de preekstoel, die kent het zelf, het is door hem heengegaan.’

Vrijhof: ’Waarom heeft God het zo gewild dat er ook verkondigers zijn? Hij wil dat het door jou heengaat. Mijn roeping is steeds belangrijker geworden in mijn leven.’

LUTHE RVRAAG

Is Luthers vraag ‘hoe word ik rechtuaardig voor God?’ vandaag de dag nog wel de eerste vraag die gesteld moet worden, nu velen zich andere vragen stellen, zoals ‘is er wel een God?’ en ‘is God wel rechtvaardig?’ Hebben deze vragen een legitieme plaats in de prediking? De mens van nu stelt zich vragen over milieu, euthanasie, genmanipulatie, fondamentalisme, islamofobie, mensenrechten, het godsbestuur etc.

Vrijhof: ’De vraag van Luther vandaag zomaar op tafel leggen raakt, denk ik, niet z’n doel. In onze tijd hebben we het over ‘ietsisme’. Die tijd stelt nu eenmaal meer vragen in de trant van ‘is er een Schepper?’ en ‘ben ik gewild?’ En vooral ‘ben je gekend?’ Is er iemand die ons kent in dit heelal? Andere tonen dus, maar niet tegengesteld aan de Luthervraag. De boodschap verandert niet, maar sommige delen ervan lichten anders op. Het is toch bevrijdend nieuws dat je mag zeggen dat er een God is en dat je gekend bent?’ Westerink: ’Ik denk dat je je zeker moet afvragen of dit soort vragen van vandaag in de preken wel voldoende aan de orde komen, omdat mensen daarmee zitten. Maar Luthers vraag blijft wezenlijk en kan niet plaatsmaken voor de activistische vraag: ‘doen wij wel gerechtigheid voor God?’ Dan ga je over de streep.’

VLAKKE ZAAK

Nabijheid (Jezus is je vriend) en afstand (de Here is heilig) lijken ook in onze kerken steeds meer tot een verschil in geloofsbesef te leiden. Hoe houd je in de predifeing én de nabijheid van God in Jezus én de heiligheid van God in balans?

Westerink: ’Ik denk dat bij ons ook een stuk vervreemding ten opzichte van elkaar ontstaat, waardoor men elkaars vragen niet meer hoort. Johannes zegt ‘Niemand heeft ooit God gezien… Hij, Jezus, heeft Hem ons geopenbaard’. Ds. Op den Velde zei eens van kerst ‘Wij hebben daarvan een Jezusfeest gemaakt, maar wat is kerst? Alzo lief heeft Gód de wereld gehad’. Als we dat uit het oog verliezen, wordt het een vlakke zaak.’

Vrijhof: ’Ik zou er dit van willen zeggen. Allereerst: in de verkondiging is Jezus de van God gegeven verlosser om ons bij de Vader thuis te brengen. Want wij zijn niet thuis! Het alleen maar focussen op Jezus kan tot grote oppervlakkigheid leiden. Vervolgens is de heiligheid van God niet zonder meer tégen ons. ‘Ik ben heilig in jullie midden’, zegt God. Let ook eens op Leviticus 19: ‘Wees heilig, want ik ben heilig’. Het gaat dan heel concreet over je levenswandel.’

BEAMER

Onze wereld is in enkele decennia van ‘luisterwereld’ veranderd in een ‘kijkwereld’. Ook kerken bezinnen zich meer en meer op het visuele element in de eredienst. Heeft dat gevolgen voor de prediking en hoe oordeelt u daarover?

Vrijhof: ’Ik gebruik regelmatig de beamer. Je moet dat sober doen, maar het is wel echt een hulpmiddel. Het projecteren van een tekst, een foto of een landkaart kan de aandacht versterken. Maar het beeldgebruik is in de dienst ondersteunend, nooit verlangend.’

Vesterink: ’Een nadeel vind ik wel dat de mensen zo afhankelijk van zo’n ding vorden. Het blijft een uitdaging voor de prediker om zo beeidend mogelijk te preken. Spreek met je hele wezen! Er is al veel gewonnen als je je stem goed gebruikt.’

Ten slotte, wat is uw toekomstwens met betrekking tot de prediking?

Westerink: ’Dat er toch vooral geestelijke leiding in de preken gegeven wordt, zoals prof. Kremer die bedoelde. Ik denk dat dat heel wezenlijk is.’

Vrijhof: ’Dat er voor de uitleg van het Woord veel gestudeerd wordt en voor de verkondiging veel gebeden.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.