+ Meer informatie

Een libel vliegt uit

Ontdekking op de heide

5 minuten leestijd

Als mini-helikopters zoemen ze zomers over sloot en plas. Hun jeugd hebben ze doorgebracht in het water, als larve. De ontpopping van een larve tot libel is een bijzonder proces. Op deze fotoserie kunt u dat stap voor stap volgen. Nu we toch op de hei zijn, kijken we gelijk even naar de klokjesgentiaan, een wilde plant die zeer exclusieve gasten herbergt. Het gentiaanblauwtje, een zeldzaam vlindertje, wil namelijk alleen op die plant eitjes leggen. En daarna moet er met die eitjes ook nog iets heel bijzonders gebeuren. Leest u maar.

In ons waterrijke Nederland ken bijna iedereen in zijn omgeving wel een vijver, plas, sloot of beek waar libellen leven. Deze insekten hebben verschillende levensstadia. Net als vlinders, die eerst als rups door het leven gaan, hebben libellen vóór ze als volwassen dier verschijnen een jeugdstadium doorgebracht als larve. Deze larven zijn moeilijk te vinden, doordat ze in het water leven en onopvallend van kleur zijn, maar de rondvliegende libellen zijn heel gemakkelijk te zien. Libellen zijn een bijzondere groep van insekten. Ze komen over de hele wereld voor met wel 5500 soorten, waarvan ongeveer 70 soorten in Nederland. Er zijn twee duidelijk te onderscheiden typen van libellen: de kleine slanke "waterjuffertjes", die vier vrijwel gelijke vleugels hebben die ze in rust meestal samengeklapt houden en de grotere libellen, die ook wel "glazenmakers" genoemd worden. Deze laatste hebben de vleugels altijd gespreid en voor- en achtervleugels verschillen in grootte; de achtervleugels zijn aan de basis veel breder dan de voorvleugels. Een middelgrote soort is de heidelibel die, zoals de naam al aangeeft, voorkomt bij heidepiassen en vennen.

Vervellen
In de zomer strooien de wijfjes na de paring al vliegend hun eitjes langs de oever in het water. De eitjes zakken naar de bodem van de plas en overwinteren daar. In het volgende voorjaar verschijnen dan de jonge larven, die leven van allerlei waterdiertjes. Deze larven eten heel veel en groeien dan ook snel, maar omdat hun vel niet mee kan groeien moeten ze iedere keer als ze wat groter worden vervellen. Ze barsten dan lettedijk uit hun vel! In twee maanden, na ongeveer tien keer vervellen, zijn de larven volgroeid. Op de vroege morgen van een warme dag kruipen ze uit het water tegen de oever op en klimmen tot zo'n 25 cm hoog in stengels van oeverplanten, vaak stevige grassoorten. Daar grijpen ze zich goed vast en na enige tijd splijt de huid op hun rug open. Langzaam komt nu de libel naar buiten. Eerst komen O kop, borststuk en poten te voorschijn. Dan volgt een rustpauze van enige minuten en daarna wordt het achterlijf uit de larvehuid getrokken. Nu worden de vleugels, aanvankelijk onooglijke verschrompelde stompjes, opgepompt met een bloedvloeistof.

Kwetsbaar
Dit hele proces duurt ongeveer een uur, maar de pas uitgekomen libel moet nu nog een tijd lang op dezelfde plaats blijven zitten, totdat de vleugels voldoende gehard zijn om ermee te kunnen vliegen. Dat kan één tot enkele uren duren. In deze toestand is de libel heel kwetsbaar, want hij vormt een lekker hapje voor vogels, roofwespen en zelfs andere libellen. Bovendien kan het gebeuren dat hij door een plotselinge windvlaag op de grond of in het water valt. De nog niet voldoende geharde vleugels kunnen dan zodanig beschadigd worden dat de libel nooit zal kunnen vliegen en dat betekent een zekere dood. Als de libel vliegklaar is verlaat hij het ven, om ergens anders op de heide te gaan jagen op prooi. Pas als het dier na enkele weken geslachtsrijp is, gaat het terug naar het water om een partner te zoeken en te paren, waarna de cyclus opnieuw begint. Wanneer u dus op de heide, ver van water verwijderd, libellen tegenkomt, zijn dat meestal jonge dieren die nog niet geslachtsrijp zijn.

Klokjesgentiaan
De heidevennen, waar naast de heidelibel nog vele andere soorten libellen leven, vindt men vaak op vochtige heidevelden. Dat zijn gebieden waar zowel de struikheide van de droge heide als de dopheide van de natte heide te vinden is. Hoewel heel wat heidegebieden in Nederland achteruit gaan door overwoekering met grassoorten als pijpestrootje en bochtige smele, zijn er nog stukken vochtige en natte heide te vinden waar de klokjesgentiaan groeit. Dit is een vrij zeldzaam, beschermd plantje met helderblauwe bloemen. De klokjesgentiaan groeit het liefst op plekken met lage begroeiing, bij voorbeeld langs paden en op afgeplagde stukjes heide.

Witte spikkels
Als je de bloemen goed bekijkt zie je er soms een aantal witte spikkels op zitten. Dat zijn de eitjes van het gentiaanblauwtje, een vlindertje uit de familie van de blauwtjes. Dit vlindertje, dat in juli en augustus vliegt, legt haar eitjes na de paring op de klokjesgentiaan en alleen daar, want het is de enige voedselplant van de rupsen die uit die eitjes komen. Als de rupsen uitkomen, eten ze zich een weg naar het binnenste van de bloem en doen zich daar te goed aan het vruchtbeginsel. Wanneer dat opgegeten is laat het rupsje zich op de grond vallen en dan moet er een klein wondertje gebeuren...! Het rupsje moet nu namelijk door mieren van een heel bepaalde soort meegenomen worden naar het mierennest. Daar wordt het verzorgd en gevoed door de mieren, die zich in ruil daarvoor te goed doen aan de zoete stof die de rups afscheidt en waar de mieren dol op zijn. Tegen de winter verpopt de rups zich en overwintert in het mierennest. In juni komt de vlinder uit de pop, maar waar de rups veilig kon zijn bij zijn gastheren, moet de vlinder zorgen zo snel mogelijk uit het nest te kruipen. De mieren beschouwen hem namelijk als vijand en zullen hem aanvallen en proberen dood te bijten.

Wonder
Het is wel te begrijpen dat dit vlindertje met zo'n ingewikkelde levensloop zeldzaam is: maar één soort voedselplant voor de rups en één mierensoort die de rupsen verzorgt, bovendien een gevaarvolle ontsnapping van de pas uitgekomen vlinder... Dat is toch echt wel een wonder! Eigenlijk zouden alle plekjes waar de klokjesgentiaan nog voorkomt beschermd moeten worden en er zou vooral een goed beheer moeten zijn van die plekjes om deze bijzondere samenleving van plant en dier te waarborgen. U moet maar eens uitkijken naar de klokjesgentiaan op de vochtige heideveldjes waar de dopheide groeit. Als ze er groeien kunt u de blauwe bloemetjes haast niet over het hoofd zien. En als er dan ook nog witte spikkels op zitten, weet u dat het gentiaanblauwtje hier voorkomt mèt zijn gastheer de mier.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.