+ Meer informatie

ATTENTIE NOCH KOUD NOCH HEET

5 minuten leestijd

De gemeente van Laodicea was een gemeente van de tussenpositie. Een gemeente, die de lijnen niet te scherp wilde stellen, met ieder goede vrienden wilde blijven, de strijd verfoeide, desnoods wat water in de wijn wilde doen, die zich niet druk maakte over zgn. middelmatige dingen, de gemeente, die bijzonder veel gevoelde voor het compromis!

Zó was deze gemeente echt tevreden over zichzelf. Zij was rijk en verrijkt en had geen dings gebrek. Daar ging een naam uit van deze gemeente, zij werd geprezen, zij werd zelfs door de wereld geacht, daar was toch wel mee te werken, met die leden van Laodicea, het viel allemaal best mee, kortom, dat was nog eens een modelgemeente, een gemeente, die haar plaats in de wereld verstond, een gemeente van de tussenpositie.

Hoe dacht de Koning van de kerk daar nu over?

De Koning van de kerk kwam tot deze gemeente als „de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods”. Het woordje „amen” kennen wij in de betekenis van: „Het zal waar en zeker zijn”. Zo kwam de Koning van de kerk dus tot die gemeente van Laodicea als Degene, Wiens woorden altijd waar en zeker zijn! Wiens woorden voor geen tussenverklaring open staan! Hij is de Amen, Hij is ook „de getrouwe en waarachtige Getuige”. Ook hierin komt uit het vast gericht zijn op de waarheid! en als daar dan nog aan toegevoegd wordt: „Het Begin der schepping Gods”, dan wil dat zeggen, dat deze Koning niet gelijk te stellen is met een nietig sterfelijk mens, neen, Hij is God uit God en Licht uit Licht, te loven en te prijzen tot in der eeuwigheid. Deze Koning nu zal ons in Zijn Woord zeggen hoe Hij over zulk een gemeente met een tussenpositie denkt, en dan lezen wij in Openb. 3 : 15: „Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart of heet. Zo dan omdat gij lauw zijt en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen”. Zou dat woord niet van betekenis zijn voor menig kerkelijk leven van onze tijd? Op maatschappelijk gebied leven wij in een tijd van welvaart, leder heeft het goed, daar is geen gebrek.

Laat deze welvaart zich ook niet gelden op het kerkelijk en geestelijk leven? Gaat het kerkelijk en geestelijk leven niet al meer en meer het teken dragen van het rijk en verrijkt zijn, geen dings gebrek hebbende? Is het arm zondaarsbeleven geen verdwijnend begrip geworden? Spreekt het nog wel aan als gezongen wordt:


Ik ben ellendig, arm en naakt,
O God! mijn Helper uit d’ ellenden,
Haast U tot mij, wil bijstand zenden,
Uw komst is ‘t, die mijn heil volmaakt.


Wat een rijkdom wordt er al niet besproken en bezongen zonder dat ooit iets van het arm zondaarsleven werd geleerd, en inmiddels past men zich aan bij de wereld, zoekt men zijn vermaak in de wereld, zaterdags in de danszaal en zondags aan de avondmaalstafel! Men denkt nu eenmaal breed en is o zo bang om enghartig te zijn. De grenzen tussen kerk en wereld zijn uitgewist, men leeft in de wereld en stelt de kerk ook in de wereld, men handhaaft zich in de wereld in de gedaante van de.tussenpositie, noch koud noch heet! Niet te streng en niet al te toegeeflijk, niet al te rechtvaardig en niet al te goddeloos!

Toen de Amen, de trouwe Getuige, het Begin der schepping Gods tot die gemeente van Laodicea kwam, bracht Hij een ernstige boodschap. Deze boodschap namelijk: „Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt noch heet..... zo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud, noch heet, lk zal u uit Mijn mond spuwen”. Hoe duidelijk blijkt hieruit, dat God een God is, Die het halfslachtige, het slappe, het laveren, nu eens naar links, en dan weer naar rechts, haat! Dit spreekt toch wel duidelijk uit dat woord: Ik zal u uit Mijn mond spuwen!

Het lauwe, het onbesliste is walgelijk, en daarom vraagt de Heere, dat wij positie kiezen naar Zijn Woord en naar Zijn Wet, tot Zijn eer en tot Zijn lof op aarde.

De strijd blijft dan niet uit. Toen Daniël positie koos, kwam hij in de leeuwenkuil, en toen Jeremia positie koos, kwam hij in een donkere diepe kuil vol modderig slijk. Het Woord der Schrift gaat dan nog in vervulling: „En gij zult van allen gehaat worden om Mijns Naams wil”. Maar zo God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? ”

Worstelend strijden en strijdend worstelen, zó alleen zal de smalle weg naar het nieuwe Jeruzalem kunnen worden bestreden. Toen Bunyan zijn voet had gezet op het smalle pad kwam hij eerst in het wapenhuis. Hij werd van het hoofd tot de voet toe bewapend en de Schrift zegt: „Doet aan de gehele wapenrusting Gods”, en dan wordt gesproken over het borstwapen der gerechtigheid, over het schild des geloofs, over de helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes hetwelk is Gods Woord.

Deze strijd blijft ook in het persoonlijk leven. Strijdt om in te gaan — zo zegt de Schrift — door de enge poort.

Strijdt de goede strijd des geloofs. Grijpt naar het eeuwige leven.

En Paulus zegt aan het eind van zijn leven: Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop beëindigd, ik heb het geloof behouden, en voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter mij geven zal, en niet alleen aan mij, maar ook aan allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.