+ Meer informatie

HET EIGENE VAN HET AMBT ALS ‘TEGENOVER’ IN DE GEMEENTE

8 minuten leestijd

INLEIDING

In de Nederlandse Geloofsbelijdenis (art. 30–32) en in de kerkorde wordt gesproken over de ambten van predikant, ouderling en diaken. Gelukkig hoeven de ambtsdragers niet al het werk in de kerken alleen te doen. In de gemeente hebben alle gelovigen de roeping om zich met hun gaven in te zetten voor elkaar (HC zo. 21 v/a 55). Het besef dat niet alle werk in de kerk ambtelijk is, werkt vandaag meer en meer door. Naast de ambtsdragers functioneren op vele plaatsen allerlei gemeenteleden in pastorale of andere taken. Ook laten kerkenraden zich wel bijstaan door commissies met specifieke taken rond missionair gemeente zijn, gemeenteopbouw, jeugdbeleid enz.. Het wekt dankbaarheid als gemeenteleden op allerlei manieren betrokken zijn bij het werk in de kerk. Anderzijds roept het ook de vraag op: wat is nu het specifieke van de ambten? Ik pleit ervoor het eigene van de ambten te zien in het ‘tegenover’. Ik bedoel daarmee dat ambtsdragers niet alleen in de gemeente werken en naast gemeenteleden staan, maar dat de ambten ook met gezag en volmacht tegenover de gemeente staan.

VERSCHILLENDE INVALSHOEKEN

Het is gezien de hedendaagse democratisering en emancipering niet vanzelfsprekend om vandaag de dag de ‘tegenover-positie’ van de ambten te verdedigen. Gezag is niet meer als vanzelf aan een bepaalde positie verbonden. In kerk en theologie is speciale aandacht gekomen voor gemeenteopbouw, vaak verbonden met ‘gavengericht werken’; men wil optimaal gebruik maken van de in de gemeente aanwezige gaven en talenten. Naast de ‘gavengerichte’ is er ook een meer ‘taakgerichte’ manier van werken. Daarbij is het uitgangspunt niet de aanwezige gaven, maar de taken of functies die in de gemeente nodig zijn voor een gezond functioneren. Voor de praktische theoloog A.K. Ploeger (en vele anderen) zijn alle ‘werkers in de wijngaard’ in principe aan elkaar gelijk. Verschil ontstaat vooral door de zwaarte van de taak en de benodigde deskundigheid (De gemeente en haar verlangen, Kampen 2001, p. 212–231 en 721–724). Is het traditionele onderscheid tussen ambtsdragers en gemeenteleden nog zinvol?

GRONDSTRUCTUUR IN DE SCHRIFT

De ambten zoals wij die tegenwoordig kennen, zijn niet rechtstreeks terug te vinden in de bijbel. In de loop van de kerkgeschiedenis — en met name de periode van de Reformatie — hebben de ambten in de calvinistische kerken hun huidige vorm ontvangen. Toch gaat de grondstructuur ervan terug op het Woord van God:

Al in de tijd van Mozes wordt gesproken over de oudsten van het volk (b.v. Num. 11:24–25). Hun taak is niet specifiek geestelijk, maar meer in algemene zin leiding geven aan het volk. Daarnaast kent het OT priesters, profeten en koningen. Van hieruit lopen de lijnen niet rechtstreeks door naar het NT en de latere ambten, maar er is wel een bepaald patroon te onderkennen. Zo is voor profeten de roeping door God belangrijk (b.v. Jes. 6). Daaraan ontlenen zij het gezag waarmee zij Gods Woord spreken. De ideale koning is dienaar van God en een herder voor het volk (David). De priesters moeten hun dienst in trouw aan God verrichten (dus niet zoals Eli). De oudsten en de leiders van het volk mogen hun positie niet misbruiken tot eigen voordeel, maar zij moeten als herders zorg dragen over de kudde die God hen toevertrouwt (Ezech. 34).

In Christus komen de lijnen van OT en NT bij elkaar. Hij is door God geroepen als Profeet, Priester en Koning. Hij brengt het Woord van God met gezag. Toch is Hij ook gekomen om te dienen op de laagste plaats. Die instelling is van blijvend belang voor al zijn volgelingen (Fil. 2: 5). In het NT is een veelheid van gaven, taken en bijzondere diensten te vinden. Bekend zijn de drie ‘lijsten’ met gaven en diensten uit Rom. 12:6–8, 1 Kor. 12:8–11 en Ef. 4:11. Het valt op dat de apostel Paulus niet driemaal dezelfde lijst opsomt, terwijl hij in de genoemde schriftgedeelten wel hetzelfde beeld gebruikt van de gemeente als het lichaam waarvan Christus het hoofd is. Blijkbaar is er een doorgaande lijn waar plaatselijk variatie op mogelijk is. Dat is niet vreemd: Rome ligt in Italië, Korinthe in Griekenland en Efeze in het tegenwoordige Turkije. Ook in onze eigen tijd herkennen we overeenkomsten én verschillen met buitenlandse zusterkerken.

Overal is van belang dat de gelovigen zich met hun gaven (charismata) inzetten voor het geheel van de gemeente als leden van het ene lichaam van Christus. ‘Charisma’ is in dit verband niet een bijzondere uitstraling die de een wel heeft en de ander niet of minder. Het gaat bij ‘charisma’ om de genadegave van de Heilige Geest waarmee de gelovigen elkaar kunnen dienen in het ene lichaam van Christus. Zo is meteen ook duidelijk dat alle gelovigen geroepen worden om Christus en elkaar te dienen met de ontvangen gaven. In dat licht is het werk in de kerk dus niet de opgave van een enkeling, maar van allen.

ONTWIKKELING BINNEN HET NT

In het algemeen wordt aangenomen dat de pastorale brieven van Paulus aan Timotheus en Titus zijn geschreven in zijn latere jaren. In die brieven somt Paulus geen lijsten met gaven en diensten op, maar hij geeft wel uitgebreide aanwijzingen over opzieners en diakenen (1 Tim. 3, Tit. 1:6–9), de taak van de weduwen en oudsten (1 Tim. 5). Timotheüs moet Paulus’ woorden doorgeven aan vertrouwde mensen, die bekwaam zijn om anderen te onderwijzen (2 Tim. 2:2). Als voorbeeld wordt hem voorgehouden welke houding past bij een dienstknecht des Heren (2 Tim. 2:24). Titus krijgt de opdracht om in alle steden oudsten aan te stellen (Tit. 1:5) — zo deed Paulus het zelf ook (Hand. 14:23).

Ook de brieven van Petrus en Jakobus en Openbaring horen bij de latere bijbelboeken van het NT. In de Openbaring komen we de oudsten tegen als de vertegenwoordigers van de gemeente van Christus (b.v. Opb. 5:8). Jakobus spreekt over de oudsten van de gemeente als bekende figuren (Jak. 5:14). Petrus weet van de dienst van alle gemeenteleden aan elkaar (1 Petr. 4:10–11) en hij wijst daarnaast op de pastorale taak van de oudsten (1 Petr. 5:1–4).

Uit dit overzicht komt het beeld naar voren dat in het NT alle gemeenteleden worden opgeroepen om met de gave (charisma) die ieder ontvangen heeft, zich in dienst te stellen van het geheel van het lichaam van Christus. Daarnaast zijn er ook bijzondere diensten die te maken hebben met de voortgang van het gemeentelijk leven. Het gaat dan om taken die zich concentreren rond verkondiging, pastoraat en diaconaat, onderwijs en leidinggeven. In Ef. 4:11 wordt benadrukt dat Christus deze gaven aan de gemeente geeft.

VOLMACHT EN GEZAG

De apostelen zijn getuigen van de woorden en daden van Christus. Zij zijn geroepen en uitgezonden door Hem (Mat. 28:16–20) en ontvangen met Pinksteren zijn Geest. Zij verkondigen het evangelie met gezag, doen tekenen in zijn naam zij geven leiding aan het kerkelijk leven, in het besef dat zij zijn gezanten zijn en door God gebruikt worden om zijn Woord te spreken (Hand. 4:10, 2 Kor. 5:20). Hun werk ligt in de lijn van Mat. 18:17–18 waar Christus zijn discipelen de volmacht geeft om het Koninkrijk van God te openen of toe te sluiten. Ook al vallen de apostelen weg, hun werk wordt voortgezet door hun opvolgers. Verkondiging, pastoraat, diaconaat en onderwijs gaan door alsook het leiding geven aan de gemeente(n). In Hand. 15 zien we naast de apostelen ook al de oudsten verschijnen op een cruciale vergadering.

Prof.dr. J.P. Versteeg heeft laten zien dat het gezag van de oudsten in 1 Petr. 5:1 in het verlengde ligt van het gezag van de apostelen (Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente, Kampen 1982, p. 30). Petrus noemt zich mede-oudste en stelt zichzelf zo naast de oudsten, maar geeft hen omgekeerd ook een plaats naast zich. Petrus roept de gemeente op hun gezag te erkennen. Anderzijds houdt hij de oudsten voor niet te heersen, maar de gemeente te dienen als herders in alle ootmoed en nederigheid.

CONCLUSIE

De huidige ‘bijzondere ambten’ van predikant, ouderling en diaken gaan vooral terug op de gaven en diensten in het NT die te maken hebben met verkondiging, onderwijs, leiding geven, pastoraat en diaconaat. Binnen het NT is al een zekere ontwikkeling te zien waarbij de opzieners en oudsten gaandeweg belangrijker worden voor de organisatorische kant van het gemeentelijk leven en voor het geestelijk-pastoraal leiding geven aan de gemeente. Daarnaast zijn er anderen die het Woord van God verkondigen, de gemeente onderwijzen en barmhartigheid betonen. Niet aan alle gemeenteleden zijn deze specifieke taken toevertrouwd, hoewel de hele gemeente wel aangesproken wordt om zich in te zetten tot opbouw van allen. Ook al blijft de gezagvolle positie van de apostelen uniek, toch ligt het gezag van ambtsdragers die hen opvolgen in eenzelfde lijn, wanneer zij het apostolische woord getrouw doorgeven en dat met hun houding en daden onderstrepen. De autoriteit van de ambten is daarom nauw verbonden met de authenticiteit van het doorgegeven Woord en de zichtbare liefdedienst die daarmee samengaat. Door het ‘tegenover’ van het Woord zelf, als Woord niet van mensen maar van God, komen ambtsdragers als doorgevers daarvan in dienst van Christus, niet alleen in en naast de gemeente te staan, maar ook er tegenover.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.