+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

6 minuten leestijd

30

De Schrift zegt: „God wederstaat de hoovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade.” Maar Onbuigzaam beeft niet voor het eerste en daarom begeert hij het laatste niet. De dubbelhartigheid die hij voorstaat getuigt van satanische toegeeflijkheid. En daarop zal hem grondig geantwoord worden.

Immanuël antwoordde: „De gehele stad behoort Mij zowel door gift als door koping, derhalve wil Ik er nooit de helft van missen,” waarop Onbuigzaam hernam: „Mijnheer, mijn meester heeft mij gezegd, dat hij tevreden is al draagt Gij de titel van Heer over de ganse stad en al noemt men U zo, zo hij slechts zijn gedeelte bezitten mag.”

Maar dat zal niet zijn in het belang van de stad Mensziel, want dan behoort zij tot de witgepleisterde graven die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle onreinheid. Wat zal het baten zo de stad al christelijk genaamd werd en Christus leefde niet in het hart van dat volk.

Immanuël zeide: „De ganse stad is Mijn in waarheid en niet alleen maar in naam of in woorden. En daarom wil Ik ook de enige Heer en Bezitter van alles of van niets zijn.”

Onbuigzaam antwoordde wederom: „Mijnheer, zie eens hoe ver mijn meester zich vernedert. Hij wil zelfs tevreden zijn, zo men in Mensziel maar een plaats wil geven om stil en voor zich te leven en voorts zult Gij van al wat overblijft Heer wezen.”

En dat is het nu waarover de Heere zo kennelijk Zijn ongenoegen betoond heeft door het spreken van Petrus omtrent deze bedriegelijke godsdienst van Ananias en Saffira.

Toen zeide die gouden Vorst: „Al wat de Vader Mij gegeven heeft, zal tot Mij komen. Van alles wat Hij Mij gegeven heeft, wil Ik niets verliezen, neen, niet één klauw, niet één haar. Ik wil daarom uw meester niet de minste hoek in Mensziel laten om er in te wonen, maar alles voor Mijzelf behouden.”

„Maar Mijnheer,” zo vervolgde Onbuigzaam,” als mijn meester u de ganse stad overgaf, alleen met dit beding, dat hij nu en dan eens mocht komen in dit landschap en dan uit oude kennis gelijk een reizend man voor een dag of tien of meer zijn onthaal vinden, zou hem deze kleine zaak niet ingewilligd worden?”

„Neen,” antwoordde Immanuël, „hij kwam eens als reiziger bij David en bleef zeer kort bij hem en nochtans had het hem haast de ziel gekost. Hoe had David ooit kunnen smeken in diepe boetvaardigheid: Verwerp mij niet van Uw aangezicht en neem Uw Heilige Geest niet van mij, geef me weder de vreugde Uws heils en de vrijmoedige geest ondersteune mij, zo Ik de wandelaar die tot hem inkwam daartoe het recht verleend had? Neen, nooit, want dan zou Ik daarmee de ongerechtigheid in de hand werken, Mijn Vader bedroeven, Mijn Geest smart aandoen en de engelen vreugde ontnemen. Ik gedoog niet, al spreekt uw meester nog zo vriendelijk, dat hij ooit de minste herberg daarin vinde.”

Onbuigzaam voer daarop voort: „Mijnheer, Gij schijnt zeer hard te wezen. Neem aan dat mijn meester al gaf wat Gij daar noemt, uitgenomen alleen dat zijn vrienden en maagschap, die in Mensziel zijn vrijheid mogen hebben om daar te handelen en de bezittingen te behouden, die zij daar thans hebben; zou hem dit niet vergund worden, Mijnheer?”

Immanuël antwoordde „Neen, dat is tegen Mijns Vaders wil. o Nadrukkelijk wordt het door Hem betuigd: „Stelt uw leden niet der zonde tot wapenen der ongerechtigheid; maar stelt uzelve Gode tot wapenen der gerechtigheid. Mijn Vader wil, dat de stad door Zijn Geest zal leven en wandelen als kinderen des lichts. En dat licht kan uw meester niet eens verdragen, want hij is de vorst der duisternis.”

Maar Onbuigzaam voer voort: „Grote Heer, wijl mijn meester in Mensziel vele vrienden heeft en zulken, die hem zeer waard zijn, mag hij hun niet zo hij van hen zal scheiden, naar goedaardigheid en vriendschap, die hij jegens hen koestert iets meedelen zoals hij het geschikt zal achten? Teneinde zij na zijn vertrek de tekenen van liefde en genegenheid, die zij eens van hun oude vriend ontvingen, mogen aanzien en daarbij gedenken, wie eens hun koning was en welke vrolijke dagen zij somwijlen met elkander genoten, toen zij in vrede met hem leefden?”

Duidelijk is het door Onbuigzaam uitgesproken de liefde van Vorst Immanuël niet te kennen. Wordt de stad Mensziel door die liefde aan Vorst Immanuël verbonden, dan roepen de burgers het elkander toe: „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.” En dat neemt het gehele hart in, zodat die burgers nooit meer met blijdschap kunnen denken aan hun eertijds.

Maar desniettemin moet Diabolus alle recht van toegang tot de stad ontzegd worden, want Vorst Immanuël heeft met Zijn borgtochtelijk lijden en vorstelijk strijden de overste van deze wereld veroordeeld en buiten geworpen. Wel heeft het plaats, dat Diabolus na de verlossing van de stad, bedriegelijk als hij is, bedekt weer tracht binnen te sluipen. Maar dan heeft Mensziel de macht en de kracht, vanuit het eigendomsrecht van Vorst Immanuël op de stad, hem te wederstaan. En wel naar dit woord: „Wederstaat de duivel en hij zal van u vlieden.”

Had Diabolus het recht verkregen, zoals Onbuigzaam in zijn pleitrede daarop kwam aan te dringen, wandelingen te maken op de straten van de stad Mensziel en vriendschapsbezoeken af te leggen, dan zouden de burgers geen rechtsgrond gehad hebben om hem te wederstaan en de stad uit te drijven.

Wij hebben ons in de vreze des Heeren te wapenen tegen alle wereldzin, waarvan de overste van de wereld de vader is. In het gelijkvormig worden aan de wereld is het altijd een verachteren in de genade, en dat doet ons wijken van de wegen des Heeren. Vanuit de ontfermingen Gods bidt de apostel Paulus ons: „En wordt deze wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.” De kracht daarvoor is dus in Gods ontfermende liefde tot verkrijging van het eeuwige leven.

Na dit beslissende woord van Vorst Immanuël nam Onbuigzaam afscheid van Hem en ging heen, zeggende dat hij zijn meester van de ganse onderhandeling bericht zou geven, gelijk ook hij tot Diabolus komende deed. Vertelde hem dus de gehele zaak en hoe Immanuël geenszins wilde toestaan, dat hij eens, uit Mensziel getrokken zijnde, in eeuwigheid met sommigen die er bleven, iets meer te doen zou hebben.

Van al deze zaken heeft de stad Mensziel ten volle kennis verkregen. Vorst Immanuël houdt Zijn leer voor Mensziel niet verborgen. „Ik heb,” zo sprak de Heere Jezus tot de hogepriester, „vrijuit gesproken tot de wereld. Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samen komen; in het verborgen heb Ik niets gesproken.” Maar hoe zal Mensziel daarop nu reageren, want hier valt niet te redeneren.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.