+ Meer informatie

Conferentie voor Gereformeerden, werkzaam in de sociale arbeid

3 minuten leestijd

Op 23 en 24 februari 1968 werd door gereformeerde maatschappelijk werkers geconfereerd over het thema „maatschappelijk werk, achtergebleven hulpverlening?”

Ruim 100 conferentiegangers hebben zich twee dagen in het conferentieoord „De Blije Werelt” te Lunteren beziggehouden met onder meer de volgende vraagstellingen:

1. Wij zien het beeld van de nood in Nederland veranderen. Er worden meer accenten gelegd op hetwelzijn. Moet het maatschappelijk werk niet mee evolueren.

2. Sluit de huidige opleiding voor maatschappelijk werkers nog wel voldoende aan bij de hulpverlening, welke de maatschappelijk werker moet kunnen bieden in de nederlandse samenleving van vandaag en morgen.

Aan de discussies rondom deze vraagpunten ging een tweetal inleidingen vooraf.

Drs. C. F. Wieringa, mededirecteur van het Universitair Instituut Vormingswerk Bedrijfsleven te Utrecht, stelde na zijn inleiding over de veranderingen in de maatschappij de provocerende vraag of het maatschappelijk werk dit alles wel meemaakt.

„Zijn onze instellingen wel tegen de schaalvergroting opgewassen? Denken de opleidingen voldoende aan de in de praktijk benodigde kwaliteit? Is onze hulp- en dienstverlening werkelijk effectief? De achterstanden zullen vaak sprongsgewijs moeten worden ingelopen. Het maatschappelijk werk is toe aan die sprong.”

De heer A. J. Cozijnsen, directeur van het gereformeerd samenwerkingsorgaan voor sociale arbeid in de provincies Brabant en Limburg maakte in zijn inleiding kritische kanttekeningen bij het betoog van de heer Wieringa.

Ook hij was van mening dat het maatschappelijk werk aan de sprong toe is, maar dat én aan de werkers én aan de besturen én aan de opleidingen zware eisen gesteld worden om deze sprong te realiseren.

Door hem weid onder andere de vraag gesteld,of de huidige methodieken van hulpverlening voldoende equipment bieden voor de beroepshelper, die in de maatschappij van morgen moet helpen.

Een forum onder leiding van de conferentieleider A. R. Koffeman, adjunctdirecteur van de Stichting Raad voor Gereformeerde Sociale Arbeid te Utrecht, bestaande uit de beide inleiders, een vertegenwoordiger van de opleiding, een bestuurslid en een maatschappelijk werker gaven zaterdagmorgen commentaar op de door de conferentiegangers gemaakte opmerkingen.

Onder meer werd opgemerkt:

— De schaalvergroting moet krachtig ter hand worden genomen.

— Noodzakelijk is dat de contacten tussen bestuur, werker en samenleving wederzijds zijn.

— De vraagstellingen, die uit het uitvoerende werk tevoorschijn komen moeten doorgespeeld worden naar andere niveau’s.

— We dienen ernst te maken met de 3 funkties in het werk, individuele noodleniging, signalering en advisering.

— De methodiek is geen onveranderbare grootheid; voortdurend dienen we bezig te zijn met de interpretatie van de methodiek in de huidige samenleving.

— De opleidingen dienen in gesprek te blijven met de praktijk om zodoende de opleiding te kunnen blijven afstemmen op de behoeften.

Het maartnummer 1968 van de uitgave „Konvooi” van de Raad voor G.S.A., zal geheel gewijd zijn aan deze conferentie, die een bijdrage heeft geleverd aan het presentstellen van het maatschappelijk werk in de wereld van morgen.

Exemplaren van dit verslag kunnen besteld worden door overmaken van f 0,75 op gironr. 646902 t.n.v. Stichting Raad voor G.S.A. te Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.