+ Meer informatie

WIL EN ONWIL TOT HET AMBT

13 minuten leestijd

De tijd waarin men stond te dringen om in de kerk in het bijzondere ambt van ouderling of diaken aangesteld te worden is voorbij. Het woord ”dringen” is misschien niet helemaal op zijn plaats, maar tot vóór ongeveer twintig jaar terug werd het in de kerken door velen als een voorrecht en als een eer gezien door de gemeente uit het gelid te worden geroepen om in de kerk in één van de ambten te dienen. Als een voorrecht werd het gezien door hen, wier hartelijke begeerte het was om aan de gemeente van Jezus Christus echt dienstbaar te zijn en die daarvoor, boven de dagelijkse taak, graag met extra tijd en energie beschikbaar waren. De liefde tot God en zijn gemeente deed daarbij dikwijls aan een heleboel bezwaren voorbijzien. Dat aan het gezin veel tijd moest worden onttrokken en daar daardoor, wat de opvoeding betreft, veel op de moeder neerkwam, was iets dat wel werd beseft, maar het vormde maar zelden een argument om zich aan de roeping van de gemeente van Christus te onttrekken. Duidelijker dan nu viel vroeger de roeping van de gemeente samen met de roeping van God en de argumenten om er geen gevolg aan te geven moesten wel erg deugdelijk zijn.

Vroeger méér ambitieuze mannen

Door anderen werd het niet alleen of niet zozeer als een voorrecht ervaren, maar vooral ook als een bijzondere eer. Naar mijn gevoel waren er vroeger, als het op een kerkelijk ambt aankwam, veel meer ambitieuze mannen dan nu. De drijfveren om in het bijzondere ambt te worden aangesteld waren bij deze mensen verschillend. Bij sommigen waren dat hoogmoed en geldingsdrang; anderen hadden behoefte aan compensatie voor het tekort aan macht en invloed in het gezin of in het maatschappelijk verband waarin zij dagelijks vertoefden; voor nog weer anderen (overigens maar weinigen) vormden bezig zijn in een kerkelijk ambt een welkome afleiding in de eentonigheid van hun bestaan.

Men kon ze tegenkomen, broeders die het ontbreken van hun naam op de kandidatenlijst als een miskenning ervoeren, die het niet gekozen zijn maar heel erg moeilijk verwerkten. In mijn eigen omgeving heb ik het meegemaakt dat twee ambtsbroeders, die bij aftreding en herkiesbaarstelling niet werden herkozen, dat meenden te moeten uitleggen als een teken van geestelijk verval in de kerk. Dat het mogelijkerwijs ook kon teruggaan op hun nogal bazige wijze van ambtsuitoefening kwam toen niet in het op.

Beter gepredisponeerd

Wat van dit alles zij, wat de mensen ook dreef (in de meeste gevallen echte betrokkenheid op de dienst van God), de wil tot het ambt was vroeger over het algemeen groot. Men was er generaal gesproken ook beter voor gepredisponeerd. Knapenverenigingen, jongelingsverenigingen en mannenverenigingen waren broedplaatsen voor ambtsdragers. Men vergaarde daar kennis van de bijbel en men leerde er de dingen van geloof gemakkelijker te verwoorden, wat een goede vóóroefening vormde voor de latere gesprekken op huisbezoek.

Hoe blijf ik er buiten

De tijd van grote gewilligheid tot het ambt is voorbij. Er is nu weer een trend van: hoe blijf ik er buiten. In onze eigen kerken is het misschien niet overal een even groot probleem, maar toch hoort men ook binnen eigen kring hier en daar klagen over de moeite die men heeft om vacatures vervuld te krijgen. Vooral in kleiner wordende en sterk vergrijzende stadsgemeenten vormt het een groot probleem. Ouderen kunnen niet meer beschikbaar zijn vanwege leeftijd en gezondheid. Vroeger bleef men bij wijze van spreken ”zitten” tot de dood erop volgde. Vandaag is er bij ouderen al gauw de neiging om de jaren die nog reste te bestemmen voor rust en ontspanning, zeker als men maatschappelijk en misschien ook kerkelijk een werkzaam leven achter de rug heeft. De lichamelijke krachten worden minder en de geestelijke spankracht neemt af en men vindt dat jongeren er nu maar eens aan moeten gaan staan. Dat wordt dan moeilijk als het in een gemeente aan ”jonge aanplant” ontbreekt. In de randstad, met het ontvolkingsprobleem in de grotere steden, heeft deze situatie er al toe geleid dat men, met name voor de verkiezing van ouderlingen, gedwongen is de formule van enkelvoudige kandidaatstelling te volgen en oudere broeders te smeken of zij uit het oogpunt van de continuïteit in het kerkeraadswerk zich toch nog maar weer een periode beschikbaar willen stellen. Die enkelvoudige kandidaatstelling mag een legale methode zijn, ideaal is zij niet. Het is eigenlijk een verlegenheidsoplossing. De gemeente mag zich wel uitspreken en zij mag daarbij afgaan op de aanbevelingen die de kerkeraad doet, maar haar is wel de mogelijkheid ontnomen zelf te oordelen over de vraag of in iemand die charismata aanwezig zijn die voor het ambt essentieel zijn. Bij keuze uit een tweetal of uit dubbelgetallen is dat wel mogelijk. Bij enkelvoudige kandidaatstelling is dat oordeel natuurlijk ook door een simpel ”ja” of ”neen” uit te spreken, maar hoe gaat dat in de praktijk? Men wil niet graag kwetsend zijn door de ”enkelvoudige” kandidaat die 75%-meerder-heid te onthouden, afgezien nog van de vraag welke andere broeder in zijn plaats zou kunnen worden gekandideerd. Men stemt in de regel dan ook maar met het voorstel van de kerkeraad in. Onlangs merkte iemand op dat hij er toch wel wat moeite mee had om bij deze methode nog in de aanwijzing voor het ambt door de Here God te geloven. Het gaat op deze manier toch wel erg menselijk toe, vond hij. Een kerkeraad zoekt naarstig naar iemand die in alles nog enigszins beantwoord aan de normen en eisen die voor het ambt moeten gelden, en stelt die ter benoeming aan de gemeente voor. Kan men daarin nu nog leiding van boven af zien? Als een kerkeraad in de afweging van alle dingen consciëntieus te werk is gegaan wel, maar in situaties van verlegenheid is er natuurlijk het levensgrote gevaar dat men in alles met een minimum genoegen neemt, àls de vacature maar wordt vervuld. En dat houdt dan wel een devaluatie van het ambt in en een vermindering ook van de ernst waarmee een roeping tot het ambt wordt overwogen.

Het is al gauw te veel

Maar ook in de gemeenten met veel jongere broeders als potentiële kandidaat voor één van de ambten, ligt het vandaag soms moeilijk. Er staat voor jonge mensen vandaag al gauw veel in de weg om de kerk in het bijzondere ambt te dienen. Voorop daarbij staat de maatschappelijke ontwikkeling, de opbouw van de carrière, de studie die daartoe nodig is. Een drukke baan overdag, studie ’s avonds en dan ook nog een ambt in de kerk, het is al gauw te veel. Het gebeurt niet zelden dat degene die namens de kerkeraad aan een gekandideerde vóór de afkondiging in de samenkomst van de gemeente, mededeling van de kandidering doet, te horen krijgt: hè, hoe heeft de kerkeraad dat nu kunnen doen; jullie weten toch dat ik midden in een studie zit? Ik kan nu al wel zeggen dat ik een eventuele benoeming niet zal aannemen.” In de tijd tussen kandidering en verkiezing maakt men die opmerking soms ook al tegenover leden van de gemeente, waardoor deze zich onder het motto ”hij doet het toch niet” op de andere kandidaat richten. Een verkiezing wordt op deze wijze door een kandidaat-ambtsdrager zelf beïnvloed en dat is hoe terecht overwegingen in bepaalde gevallen ook kunnen zijn onjuist.

Bij jonge mensen die vandaag tot het ambt worden geroepen, krijgt men bij verzoeken om ontheffing ook nogal eens te maken met het argument: vader en zijn leeftijdsgenoten deden ook zo veel voor de kerk. Hij was altijd weg. Het gezin heeft daar achteraf beschouwd toch wel onder geleden. Het kwam in mindering op de opvoeding, ook op de godsdienstige opvoeding. Zijn er niet heel wat oud-ambtsdragers onder wier kinderen het geloof verliep en die zichzelf nu het verwijt (menen te moeten) maken dat hun veelvuldige afwezigheid ten dienste van de kerk aan dat verloop mede debet is geweest? Dat moet mij niet overkomen, stellen veel jonge vaders vandaag. Dit laatste bezwaar klinkt overigens niet altijd even overtuigend, want van de inzet en de toewijding van veel ambtsdragers vroeger is op niet weinig kinderen ook een positieve voorbeeldwerking uitgegaan. Maar het wordt wel gebruikt. En natuurlijk weten we in onze omgeving van vaders, die zich zeer beijverden voor de kerk en die daarbij voorbij zagen aan het feit dat hun eerste verantwoordelijkheid in het eigen gezin lag. Méér dan vroeger misschien beseffen we dat er in deze tijd, waarin op jonge mensen zoveel afkomt, bij de ambtsdrager evenwicht dient te zijn tussen de tijd die hij in kerkewerk investeert en de tijd die degenen toekomt die allereerst aan zijn zorg zijn toevertrouwd.

Vandaag lijken ook veel vrouwen bezwaar op te werpen, zeker als zij zelf ook nog een full-time of een part-timebaan hebben. De huishouding moet dan samen worden gedaan. Zijn er (al) kinderen dan is de helpende hand van de man onontbeerlijk. En veel vrouwen claimen die hand, in veel gevallen overigens terecht. Verder heeft het er de schijn van dat vrouwen vandaag het een of meerdere avonden alleen zijn minder goed verdragen dan vrouwen vroeger. Het gold vroeger als een vanzelfsprekendheid dan men manlief afstond voor het werk in de kerk en als vrouw wist men aan avonden zonder de echtgenoot kennelijk zinnige vulling te geven. Vandaag beleeft men graag samen de ontspanning die de media in ruime assortiment te bieden hebben. En hoe dikwijls gebeurt het niet dat een interessant tv-programma samenvalt met een kerkeraadsvergadering of een ander kerkelijke activiteit.

Vasthouden aan de hogere roepingsgedachte.

De bereidheid om in het bijzondere ambt de gemeente van Christus te dienen of het ontbreken van de wil daartoe, hangen samen met de vraag of men het door de gemeente en het door God geroepen zijn nog met elkaar in relatie weet te brengen. Daarover wordt door velen vandaag anders gedacht dan vroeger. Als gesproken wordt met mensen die, na door de gemeente te zijn gekozen, ontheffing van de benoeming vragen en die gewezen worden op de gedachte dat in de stem van de gemeente de stem van de Here God doorklinkt, wordt niet zelden gehoord: ”Is dat nu wel zo? Is het niet allemaal erg menselijk? Mensen kandideren mensen en mensen verkiezen mensen en laten daarbij in de regel méér hun sympathieën en antipathieën gelden dan de vraag in wie van de kandidaten de meeste en beste gaven tot het ambt verenigd zijn. En kunnen we nu werkelijk aan die hogere roepingsgedachte vasthouden als een kerkeraad de ene na de andere broeder moet kandideren om een vacature vervuld te krijgen en de mazen van het normennet steeds wijder moet stellen?” Opmerkingen als deze hoe te gemakkelijk soms ook gebruikt om aan het aanvaarden van het ambt te ontkomen zijn soms niet helemaal ongegrond. Er zit soms inderdaad veel menselijks in.

Toch zullen we aan die hogere roepingsgedachte moeten vasthouden. Christus’ gemeente moet worden bestuurd en gediend (twee dingen die als het goed is samenvallen) en wie door die gemeente, waartoe men zelf mag behoren en waarvan men zelf geestelijk ”profiteert”, op grond van aanwezig geachte gaven tot het bijzondere ambt wordt geroepen, zal zich bewust moeten zijn dat het Christus is die ons vraagt in het ambtelijk bezig zijn Zijn liefde in en tegenover de gemeente zichtbaar te maken. En daarvoor zo nodig wat Christus zelf op volmaakte en totale wijze deed iets van ons zelf op te offeren.

Deze gedachte zal voor een kerkeraad uitgangspunt moeten blijven bij de beoordeling van verzoeken om ontheffing. Christus roept zelf en dat is niet niets. Hierop zal het accent moeten liggen als een verkozene aarzelt rond de vraag: wat moet ik doen en wat is in mijn situatie verantwoord of onverantwoord. Veel bezwaren vallen weg als de roeping serieus wordt genomen, bezwaren van onvermogen (want ook dáárop blijkt het soms vast te zitten), maar ook bezwarende levensomstandigheden.

In de moeite die er vandaag is om mensen voor de vervulling van kerkelijke ambten te vinden is het misschien goed enkele aandachtspunten te noemen waarop men als predikant en kerkeraad bedacht zou kunnen zijn.

1. Spreek op catechisatie en op het huisbezoek en als het pas geeft in de prediking, jonge mensen aan op het feit dat zij straks voor het ambt in de kerk zullen komen te staan en duidt aan dat wie naar zo’n ambt staat, volgens het woord van God een voortreffelijke zaak begeert; jonge mensen in wie zich misschien al vroeg gaven voor het ambt aftekenen, moeten worden aangemoedigd door intensieve omgang met de bijbel en door het bestuderen van godsdienstige literatuur zich dàt eigen te maken wat nodig is om het ambt goed waar te nemen. Aangenomen natuurlijk dat in het hart van de betrokkene echte liefde tot de dienst van God aanwezig is, want dat is vanzelfsprekend de allereerste voorwaarde. ”Een druppel liefde is méér dan een zee vol kennis”, heeft iemand eens gezegd en daarin steekt zeker waarheid. Maar zonder kennis gaat het niet.

2. Aan het kandideren van broeders voor de kerkelijke ambten moet enig verkennend werk vooraf gaan. Men doet er goed aan na te trekken of voor zover binnen onze waarneming er geen levensomstandigheden zijn die echt bezwaarlijk zijn en waarmee een broeder als hij verkoren zou worden, in grote verlegenheid zou geraken of onder zware druk zou komen te staan. Er zijn gevallen, waarin van te voren al vaststaat dat een eventuele benoeming zonder positief gevolg zal blijven. Dan is het beter niet tot kandidering over te gaan of op zijn minst eerst een informatief gesprek met de betrokkene te hebben. Op deze wijze voorkomt men het bezwaar van dat ”menselijke” en niet in de laatste plaats ook het gevaar dat de gedachte aan dat hogere roepingsbesef betrekkelijk wordt gemaakt. Want daartoe wordt echt wel eens aanleiding gegeven.

3. Trek broeders, die ontheffing vragen en daartoe argumenten aanvoeren, niet met alle geweld over de streep. Probeer als het gaat om argumenten die, in het licht van wat de Schrift zegt over onze roeping, van onvoldoende gewicht zijn, die argumenten op voorzichtige maar overtuigende wijze te ontzenuwen en wijs vooral op de verantwoordelijkheid die we dragen als we deel van de gemeente van Christus mogen uitmaken. Wees altijd eerlijk als het gaat om inschatting van de tijd die met het ambtelijke werk en de daarmee samenhangende vergadertijd gemoeid is, maar toon als het lijden kan aan dat ambtelijk bezig zijn niet alleen ”geven” betekent maar ook ”ontvangen”, want voor menige ambtsdrager geldt dat hij zelf, door het werk dat hij mocht doen, geestelijk werd verdiept en inniger aan Christus en zijn gemeente verbonden werd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.