+ Meer informatie

TER OVERWEGING

8 minuten leestijd

Dr. A. Noordegraaf, Oriëntale in het diakonaat Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1991. 232 blz. f 32,50.

De auteur beoogt met deze ”Oriëntatie in het diakonaat” een aantal aspecten van het diaconaat van de christelijke gemeente in kaart te brengen. Naast bijbels-theologische en historische lijnen komen veel praktische zaken aan de orde die met diaconaat en de rol van de diaken te maken hebben: de diaken in de eredienst, de relatie tot de overheid en samenleving, de vragen random eigendom, geldverwerving en -besteding, verschillende aspecten van het werelddiaconaat.

Het boek is vooral bedoeld als leerboek voor cursussen en theologische opleidingen maar ook voor persoonlijke Studie. Ambtsdragers die meer willen weten over zowel de historie als de plaats van de diaken in allerlei verbanden kunnen hier veel informatie uit putten. Informatie die in vele andere boeken ook te vinden is. Aan het einde van elk hoofdstuk is een uitgebreide literatuurlijst. Bezien we de praktische uitvoering van het ambt dan is de auteur daar duidelijk over. In zijn ogen is de diaken vooral de coördinator, die de gemeenteleden toerust tot diaconaat. ”De gemeente is geroepen tot dienstbetoon. We maken van het diakenambt een karikatuur als diakenen gezien worden als een soort bestuurscollege waaraan de gemeente de zaken van de dienstverlening heeft gedelegeerd”. Het boek draagt een goede positieve reformatorische visie uit.

G. de Klerk, Een taak die verrijkt. Uitg. Boekencentrum, Zoetermeer 1991. 94 blz. f 15,90. ”Een taak die verrijkt” is een vanuit de praktijk geschreven boek over het ouderling-zijn. De auteur is vele jaren ouderling geweest in Woerden-West en kent goed de praktijk. In zes hoofdstukken worden de taken van de ouderling belicht. Het boek is afgestemd op situaties in de Ned. Hervormde kerk. Ondanks het feit dat de taken van ouderlingen binnen onze kerken hier en daar kunnen verschillen met die van de hervormde kerk, zijn er toch ook zeer veel overeenkomsten. Het boek is op eenvoudige en eerlijke wijze geschreven. Veel zaken die ouderlingen tegen kunnen komen in hun ambtelijk werk, worden beschreven. Ondanks het feit dat het boek niet ”van onze kring” is, is het toch zeker het lezen waard. Temeer omdat er veel praktische informatie instaat, opgetekend dcor een zeer ervaren ouderling, waar (beginnende) ouderlingen veel aan kunnen hebben.

Dr. R.H. Bremmer, In gesprek met oudere en nieuwere theologen. Uitg. Kok, Kampen. 120 blz. f 21,50.

Als er één uitgave in de serie ”Bij-tijds geloven” is, die de serienaam in praktijk brengt, dan is het wel deze uitgave. AI wat zich als ”nieuw” of als ”vernieuwd” aandient, beweert immers graag van zichzelf dat men ”bij de tijd” is, in de veronderstelling vaak dat men dáárom zonder meer ”beter” is, ”dieper inzicht” heeft enz. dan wat men als ”oud” en ”verouderd” allang gepasseerd is. Wat de techniek e.d. betreff, moge het veelszins opgaan, velen volgen dit generatiesyndroom ook theologisch en kerkelijk klakkeloos. Zonder in monopoliserende reactie, waarbij het ”oude” zonder meer goed is omdat het ”oud” is, te vervallen stelt dr. Bremmer zich kritisch op ten opzichte van de ”nieuwere” theologen: Bultmann, Bonhoeffer, Dorothee Solle, Tillich, Robinson en Kuitert. Hij wijst erop dat deze nieuwe theologen ernst maken met de vraag hoe de zich ”modern” wanende mens te bereiken is met de Bijbel, het Evangelie, de godsdienst. Zij menen - elk langs eigen weg en op eigen wijs - dat te kunnen realiseren door één en ander pasklaar te maken voor die mens met zijn ”gesloten wereldbeeld”, zijn hartgrondige verwerping van de transcendentie van God en zijn eis ruimte te hebben voor eigen ”mondigheid” (met een variant op Kloos zou men kunnen zeggen: ik vind een god in het diepst van mijn ervaren!). Bremmer wijst op de ”link” tussen deze (en andere) vernieuwingstheologen en de maatschappijkritische, linkse stroming die vanaf de jaren ’60 de westerse wereld domineerde (blz. 36). Nu hoe langer hoe meer blijkt dat deze stroming stukbreekt op de werkelijkheid van leven en samenleven die vanachter een bureau niet ”maakbaar” blijken te zijn, zal binnenkort wel enige ”vernieuwing” van al die vernieuwingstgheologie te verwachten zijn!? Bremmer wijdt het grootste deel van dit geschrift aan enkele onderdelen van de gereformeerde theologie die sterk betrokken zijn bij de confrontatie met de nieuwere theologie: het belijden aangaande de Heilige Schrift en het debat rond de uitverkiezing, rond verbond en kerk. Met name de vraag of het gereformeerde belijden inzake de Schrift ”verouderd” is, wordt door de schrijver aan de orde gesteld. Ondubbelzinnig accentueert hij de ”actualiteit van de gereformeerde theologie” (ondertitel van dit geschrift) ten dezen. Op het ”gezag” van Gods Woord spitst zich immers de aanval van de zich zo graag ”nieuw” noemende theologie toe. Dr. Bremmer laat duidelijk zien hoe actueel en verantwoord het gereformeerd belijden is. Ook wat de ”verkiezing” betreff (Karl Barth!), gaat het erom ”dat God God blijft” (85), gaat ’t om ’Gods vrije genade voor zondaren” (61). In het hoofdstuk over verbond en kerk komen Calvijn, Bavinck, Hoedemaker, Kuyper en Schilder vrij uitvoerig aan de orde, waarbij de actualiteit van de eerste en de laatste vooral geaccentueerd wordt. Onwillekeurig komt de vraag op of de kwetsbaarheid van veler gereformeerde theologie voor de ”nieuwere” (ofte wel ”moderne”) theologie ook samenhangt met het ”vanzelfsprekendheidsgeloof” dat, in 1892 gesignaleerd, in deze eeuw al sterker penetreerde. In verband met de boeiende beschrijving van Schilders kerkvisie lijkt mij de vraag eveneens niet onterecht wat deze visie in concreto betekende ná ”1944” toen het ”decor” zo ingrijpend wisselde. AI met al, een instructief geschrift dat zeker onze aandacht verdient.

Dr. Christiaan G.F. de Jong, Geesten, Goden en Getuigen. Geschiedenis van de Nederlandse Zending onder de Buginezen en Makassaren in Zuid-Sulawesi (Indonesië). Uitg. Kok, Kampen. 338 blz. f 59,50.

Een boek als dit zal waarschijnlijk niet door ieder gretig ter hand worden genomen. Toch is het zeker de moeite waard er kennis van te nemen, al was het alleen al omdat het in zekere zin een ”buur” van onze Mamasa-zending beschrijft. De namen van di. Bikker, Bombong, Geleijnse, Passau, Usman worden bijvoorbeeld enkele malen genoemd, evenals de G.T.M., de Mamasa-Toraja-Kerk. Belangrijker is natuurlijk de brede beschrijving van het zendingswerk op het eiland Selayar (ten zuiden van Zuid-Celebes) en op Zuid-Sulawesi zelf (rond Ujung Pandang, voorheen Makassar) en vooral van de zelfstandig-wording van de kerken die door dat zendingswerk waren ontstaan. Ook de christenen daar hebben in de jaren ’50 enz. een zware tijd gehad. Het zendingswerk, evenals in Mamasa ernstig belemmerd, heeft desondanks geleid tot een zelfstandige kerk. Wat misschien nog het meest treft, is wel het feit dat de kerk daar ontstaan is en nog bestaat ondanks alle conflicten, Strubbelingen, onenigheden en twisten die werk en kerk teisterden. De keren dat de schrijver (docent aan de Theologische Hogeschool van Ujung Pandang, waar ook GTM-predikanten worden opgeleid) moet schrijven over competentiekwesties, onmin, siechte samenwerking, Processen, wrijvingen enz. enz., zijn niet te teilen! Beschamend is het wel dat het in de zending, in de kerk zó kan toegaan! Het ”één is uw Meester en gij zijt allen broeders” is blijkbaar in kerk en zending maar moeilijk te beleven (om nog maar te zwijgen van Fil. 1:27 - 2:18!). En de culturele en sociale context, afgedacht nog van islam en traditionele religies, levert reeds moeite genoeg! Dat laat de schrijver heel duidelijk zien. Bestudering van dit boek verdient aanbeveling niet alleen om de mènselijke kant van de arbeid te leren kennen, maar ook om Gods trouw te aanbidden dat Hij toch zich een gemeente ”vergadert, beschermt en onderhoudt”. Nu wij voor de tweede maal onze zending ”overbodig” zagen worden - eerst de Toraja-kerk en onlangs de Venda-kerk - is het boeiend kennis te nemen van de weg die andere zendingen daarbij zijn gegaan, en ook leerzaam om het zendingsproces na te gaan dat tot het ”overbodig”-worden leidt met al wat daarbij beschaamt èn verblijdt!

J.P.D. Groen, Kakuarumu. Een vorm van zwarte magie. Uitg. Van den Berg, Kampen. 96 blz. f 17,50.

Dit boekje, in de serie Missiologische Thema’s verschenen, behandelt een thema dat de schrijver - missionair predikant op Irian Jaya - bij zijn werk ontmoette: een vorm van zwarte magie, van toverij. Dit verschijnsel is ook elders bekend, bijv. in Venda. zoals wel blijkt uit talloze publikaties, berichten enz. van/over Siloam in ons Zendingsblad in de loop der jaren. Ziekte e.d. zijn geen ”natuurlijke” zaken maar worden je ”aangedaan”: er zit een ander achter. Alle weerstand die men ontmoet, wordt als een intentie beleefd (blz. 35). De schrijver wijst erop dat het bijgeloof een zelfvervullend effect heeft (40). Hij bepleit een missionaire, pastorale benadering, wijst in dit verband zowel de autonomie van de natuurwetenschap als ook ”gebedsgenezing” af. Gezien de centrale plaats die dergelijke magie vaak in de cultuur van de volken waaronder de zending werkt (in dit geval de Kombai en andere stammen op Irian Jaya), zullen de jonge kerken tot ”belijdenisvorming” in dezen moeten komen. Een interessant boekje over een, ook in Venda, actuele zaak.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.