+ Meer informatie

De waarde van het woord in de wereld van onderwijs en wetenschappen

13 minuten leestijd

Bijbelgedeelten die in het bijzonder licht kunnen werpen op dit onderwerp: Ps. 119:9–16, 97–10; Col. 2:4–15.

Inleiding

Steeds meer jongeren gaan studeren en blijven gemiddeld langer studeren dan vroeger. Ook van de kerkelijke jeugd. Vanuit hun studie komen deze jongeren met veel dingen in aanraking die vragen bij hen oproepen, vragen ook met betrekking tot hetgeen in de kerk geleerd en gedaan wordt.

Nu is het stellen van vragen een goede zaak als het vanuit de juiste instelling gebeurt. In het rabbijnse onderwijs spelen vragen een belangrijke rol. Ook de Here Jezus leerde en onderwees met behulp van vragen (vgl. b.v. Lukas 2 : 47,47, 5 : 22, 23; 6 : 3, 4, 9 etc.). Wel is het van belang dat we op de vragen van onze jongeren niet alleen serieus ingaan en daartoe ook in staat zijn, maar ook dat we van de achtergrond van waaruit die vragen en eventueel twijfels opkomen, iets verstaan. Daarom wil ik proberen iets van het karakter van die „wereld van onderwijs en wetenschap” te schetsen en na te gaan hoe die zich verhoudt tot het Woord.

Daarna zal ik trachten enkele opmerkingen te maken over de betekenis van het Woord, juist ook voor die situatie. Hopelijk kan dit diegenen van dienst zijn, die in de gemeenten geroepen zijn onze jeugd te begeleiden en te helpen zoeken naar de antwoorden op de vragen van het leven.

Persoonlijke relaties

De mens is geschapen in de relatie met God, in gesprek met de Here. God heeft de mens door het Woord geschapen in de betrekking van het Woord.1, 2 Het Woord sticht persoonlijke relaties; met de Here, met de naaste en met de schepping.

Door de zonde(val) zijn deze relaties verstoord.3 Ze zijn nooit helemaal verbroken, dan zou menselijk leven onmogelijk zijn. De mate waarin persoonlijke relaties, en daarmee menselijk leven mogelijk is, varieert in de geschiedenis.

Door het Woord, de Bijbel, is in onze cultuur veel zegen geweest; ook degenen die niet persoonlijk de Here leerden kennen, zijn toch door de invloed van het Woord gezegend.

Moderne wetenschap

Maar er is in onze cultuur ook een andere invloed gekomen die steeds meer het christendom heeft verdrongen en bepalend is geworden voor onze cultuur en onze samenleving. Dat zijn de moderne wetenschap en techniek (wetenschap is niet noodzakelijk moderne wetenschap; er zijn andere vormen van wetenschap geweest; wetenschap in onze samenleving is evenwel vrijwel uitsluitend moderne wetenschap).

Waardoor wordt de moderne wetenschap en daarmee het onderwijs, in het bijzonder het geestelijk en intellectueel klimaat van de onderwijsinstellingen, gekarakteriseerd?

De moderne wetenschap en techniek kenmerken zich door een bepaalde manier van benadering van de werkelijkheid.

Vanaf de opkomst van de moderne wetenschap tracht de wetenschapper de werkelijkheid te verklaren „alsof God er niet is”.

Dit is het methodisch atheisme van de wetenschap. Dit was niet bedoeld als opstand tegen God. Het betekende geen ontkenning van het bestaan van God, maar een poging de wereld, de natuur en het leven te verklaren zonder met God rekening te houden. God komt in de theorieën en formules niet voor, want Hij is bij voorbaat systematisch buitengesloten.

Maar deze benadering, deze methode beinvloedt alle relaties.

De wereld werd niet langer als Gods wereld verstaan, de hele schepping en de schepselen werden voor de wetenschapper voorwerpen (objecten) met het karakter van een machine. Alle verschijnselen werden zoveel mogelijk met elkaar verbonden in relaties van oorzaak en gevolg binnen de zintuiglijk waarneembare, materiële wereld.

De gehele schepping, de werkelijkheid werd en wordt beschouwd als één groot gesloten systeem. Daarin komt geen God voor en geen geestelijk leven, geen engelen, noch demonen, geen wonderen en geen heilsgeschiedenis die voert naar het Koninkrijk van God.4

We zien dus dat het methodisch atheisme van de moderne wetenschap een beeld van de wereld heeft gecreëerd, waarin God geen rol speelt. Dit had tot gevolg dat in de ervaring van de meeste mensen God in het praktische leven dan ook geen rol meer speelt. Hooguit heeft God nog betekenis in het persoonlijke geloofsleven, in het kerkelijke leven, aan de rand van het alledaagse bestaan.

Modern levensgevoel

Zodoende is voor de ervaring van de meesten deze wereld uiteindelijk niet meer Gods wereld - hoewel gevallen door de zonde van de mens - maar één groot ingewikkeld mechaniek, één gesloten geheel.

In zo’n ervaringswereld beleeft de mens steeds meer alle relaties als subject-object relaties. De persoonlijke relatie van het Woord verwordt tot de onpersoonlijke relatie van de abstracte formule of het model. De taal wordt steeds meer tot formule (denk b.v. aan de vele afkortingen). Er treedt een toenemende vervreemding op van de geschapen werkelijkheid en tussen de mensen onderling.

In deze wereld wil en moet de mens zich op de been houden, het leven veilig stellen. Het vertrouwen op God en Zijn Voorzienigheid is verdwenen. Dan moet de mens het leven in eigen hand nemen. Dit tracht hij m.b.v. de moderne techniek, die voor de moderne mens vaak fungeert als een eigentijdse vorm van magie. 5, 6

Wetenschap en techniek zijn veelal tot afgoden van onze cultuur en samenleving geworden. De druk om aan deze dienst aan de afgoden mee te doen is vooral in de universitaire en h.b.o.-wereld zeer sterk. Het is een heel denk- en geestesklimaat. In de h.b.o.-opleidingen ligt de nadruk minder op de denkhouding en meer op „nuttige” toepassingen, maar met hetzelfde vertrouwen in wetenschap en techniek. Deze afgodendienst vraagt niet de ontkenning van God, maar schuift Hem naar de rand van het bestaan. Is daarom nog gevaarlijker (vgl. Israël en Juda voor de ballingschap: vaak bestond de afgodendienst naast de formele dienst van de Here, Jes. 1 ; zelfs meende men wel met de afgodendienst de Here te dienen, b.v. Jerobeam).

De hele werkelijkheid, de mens incluis, wordt gezien als uitgangsmateriaal voor een betere, aangenamere, veiliger wereld, waarin wij „orde” zullen hebben geschapen volgens onze inzichten.

Daarin geldt: Wat werkt is waar. Er is geen zicht op gegeven scheppingsverbanden; ’t gaat niet om het verstaan van de dingen en gebeurtenissen, maar om het aanwijzen van de materiële oorzaken ervan (vgl. ziekten als b.v. kanker, Aids). 7 Wat volgens de rationele en functionele visie op mens en wereld moet gebeuren, dat doet men (denk b.v. aan euthanasie). Daarbij staat het veilig stellen van het lichamelijke leven op de korte termijn, het veraangenamen en genieten in materiële zin, voorop.

In deze opvatting omtrent wereld en leven zonder God, is er ook geen basis meer voor bijbelse waarden als liefde, trouw, gehoorzaamheid, zachtmoedigheid, zelfbeheersing en voor de bijbelse normen omtrent goed en kwaad. Voor iemand die beheerst wordt door een Godloze wereldbeschouwing is het heel moeilijk Gods normen als waar, als heilzaam te erkennen („het is duister geworden in hun onverstandig hart”. Rom.1 : 21). Het moderne denken, een vorm van „geloof”, heeft zijn eigen waarden: materialisme, nuttigheid, genot, zelfbeschikking, subjectivisme (d.w.z. ieder mag zelf uitmaken wat goed, wat mooi, waardevol is: d.i. allemaal een kwestie van smaak, waarover niet valt te twisten).

Maar deze zgn. rationele benadering heeft wel het milieu zodanig vervuild en beschadigd dat de gezondheid en zelfs het bestaan van velen bedreigd wordt.

Natuurlijk, er zijn vele materiële successen geboekt waar we allemaal voordeel van ondervinden. Maar de grote problemen van vandaag, kernbewapening en kernafval, de misstanden in de landbouw, de levensbedreigende ontwikkelingen in de gezondheidszorg enz. zijn alle een gevolg van de aard en de methode van de moderne wetenschap en techniek, met daarachter het afgodische hart van de mens.

Deze problemen zijn geen toevallige, nadelige neveneffecten, die evengoed voorkomen hadden kunnen worden.

Toch verwacht men de oplossing van diezelfde wetenschap, die de oorzaak van de problemen is geweest; steeds sterker streeft men naar beheersing van het geheel, van de samenleving, en dus ook van de mens.

Het onderwijs

In het onderwijs, en naar ik meen ook in veel christelijk onderwijs, wordt in de verschillende vakken, in het bijzonder in de natuurwetenschappen, dit wereldbeeld in feite gepresenteerd.

God is er wel, maar Hij staat naast deze wereld die wij met onze wetenschap proberen te kennen en te beheersen. Er is geen directe betrokkenheid tussen de wereld zoals ons onderwijs die voorstelt, en de Here.

Het moderne wereldbeeld zoals dat door wetenschap en techniek in belangrijke mate wordt bepaald, wordt voorgesteld als waarheid i.p.v. als een model dat iets over bepaalde relaties in de werkelijkheid zegt; een model dat een zekere juistheid kan bevatten, maar geen waarheid. Waarheid bestaat niet buiten een relatie met God om, en moderne wetenschap kenmerkt zich nu juist door haar afgeslotenheid van de hemel.

Het is deze geest van het Godloze wereldbeeld die heel sterk in het onderwijs aanwezig is. Gelukkig wordt deze geest getemperd, ingeperkt door de aanwezigheid van mensen die wel beseffen, zeker als ze christen zijn, dat we bij zo’n geloof eigenlijk niet kunnen leven als mens.

Toch wordt, dacht ik, in het algemeen te weinig, ook op christelijke scholen, het radicaal anti-bijbelse karakter van dit moderne, wetenschappelijke wereldbeeld onderkend. We moeten niet vergeten dat dit gesloten wereldbeeld niet slechts in kringen van wetenschapsbeoefenaars en technici wordt gehanteerd. Het bepaalt in belangrijke mate onze cultuur. leder mens, ook de christen, is in sterke mate door zijn cultuur gevormd en bepaald. De mens is van nature „belichaamde cultuur”, hij is niet los te denken van één of andere cultuur.8 Dit betekent dat wij ook als kerkmensen van nature in ons levensgevoel en in ons verstaan van wereld en leven in belangrijke mate door een godloos cultuurklimaat zijn gevormd.9 (Dit nog afgezien van het feit dat de mens sinds de zondeval van God vervreemd is; onze geestelijke crisis staat daar uiteraard niet los van, maar die vervreemding is niet in alle culturen en cultuurperiodes gelijk ( zie ook hierboven).)

De geestelijke crisis waarin niet alleen onze cultuur maar ook de christelijke kerk in het westen verkeert, is nu dan ook veel ernstiger en dieper dan men over het algemeen lijkt te beseffen.

In dit geestesklimaat groeien onze studerende jongeren op, vaak weinig toegerust voor de geestelijke strijd waarin ze terecht komen. Velen verliezen die strijd. Menselijkerwijs gesproken is die alleen ook welhaast niet vol te houden. Vanuit de kerk dienen we een helpende hand te bieden. Hoe?

Het woord als antwoord

Allereerst een antwoord formuleren op de uitdaging die het wetenschappelijk denken ons stelt. We moeten het wetenschaps(bij)geloof ontmaskeren. Laten zien dat de wetenschap niet „objectief” is, niet méér waar dan andere manieren van benadering van de werkelijkheid, in geestelijk opzicht zelfs veel minder. Duidelijk maken dat wetenschap en techniek binnen bepaalde gegeven normen en verbanden, ten goede gebruikt kunnen worden, maar dat de overheersing van het leven en samenleving door de wetenschappelijke en technische benadering tot verwording en afbraak leidt, zeker van het geestelijke maar ook van het lichamelijke leven.

Dit vereist studie en bezinning bij het licht van Gods Woord (Ps. 36 :10).

Het vertrouwen op wetenschap en techniek met al hun verworvenheden moet doorbroken worden en het vertrouwen en zoeken van zekerheid moeten gericht worden op de Here, de levende God.

Dat kan door het levende en eeuwig blijvende Woord van God dat in Jezus Christus vlees is geworden (1 Petr. 1 : 23). Alleen door de persoonlijke band met de opgestane Here, die gesticht wordt door het Woord, kan de zuigkracht en de verleiding van de moderne afgoderij overwonnen worden.8 En dan nog is dat geen vanzelfsprekende zaak. Dan nog hebben we de gemeenschap der heiligen, de gemeente nodig, waar iets van de persoonlijke omgang met elkaar vanuit het Woord, zichtbaar moet zijn. Waar iets van de aanwezigheid van God merkbaar, ervaarbaar is. Zodat het verschil tussen kerk en wereld als wezenlijk ervaren kan worden.

In het moderne mensbeeld en levensgevoel staan de waarde en de waardigheid van het individu ter discussie; die hangen immers af van capaciteiten en prestaties. Relaties worden steeds onpersoonlijker, verhoudingen verzakelijken.

Juist de gemeente van Christus is geroepen hierop een antwoord te bieden, niet alleen in woorden maar door een gemeenschap te vormen waarin persoonlijke relaties tot stand kunnen komen - en dat is altijd een genade van God - en waarin men voor acceptatie geen prestaties behoeft te leveren maar waarin het leven van een ieder dienstbaar gemaakt kan worden aan het Koninkrijk van God, in liefde en gehoorzaamheid aan de Koning van dat Rijk.

Juist het Woord van God geeft een antwoord op de vervreemding en de zinloosheid van het moderne levensgevoel en doet tegelijkertijd een aanval op alle menselijke zelfgenoegzaamheid (zie b.v. Prediker, Lukas 12 :13–21). Maar dan is het wel nodig dat het Woord betrokken wordt op de wereld van vandaag, dat er mensen zijn die als echte priesters en profeten een brug vormen tussen het Woord en de wereld.

Op een dergelijke wijze dienen onze jongelui ook tijdens hun studieperiode begeleid te worden, om wel de studie te voltooien en tegelijk het geloof te behouden.

Om net als Daniël en zijn vrienden wel de taal en wetenschap van Babel te leren, maar om niet te eten van de tafel van de koning, d.w.z. geen deel te hebben aan dat wat door de afgoden van Babel bezoedeld is.

Wel koning en volk van Babel te dienen, ten goede van dat volk, maar niet te knielen voor het beeld dat die koning heeft opgericht; en beseffend dat de vragen over de bestemming van het leven, de vragen omtrent het Koninkrijk van God (droom van Nebukadnezar) niet door de wetenschap van Babel beantwoord worden.

Maar dat wij en onze studenten weten dat de antwoorden op die vragen ons op het gebed door God geopenbaard worden!10 (vgl. Dan.2 :16–19).

Dan zullen, binnen door Gods Woord gestelde grenzen en normen, de universitaire en beroepsopleiding tot zegen van anderen gebruikt kunnen worden.

Het is mijn overtuiging dat hierbij bijbelgetrouw christelijk studentenwerk, zoals dat ondermeer gestalte krijgt in groepen die bij IFES-NL zijn aangesloten, de kerken een belangrijke dienst kunnen bewijzen en dat ook doen! Meer aandacht hiervoor vanuit onze kerken zou die betekenis nog kunnen vergroten.

(Enigszins uitgewerkte tekst van een lezing die werd gehouden op de jeugdouderlingenconferentie die op 25 februari jl. te Nunspeet werd gehouden).

Noten

1. Gen.1 : 26; Joh. 1 : 1–4.

2. F. Graaff. Jezus de verborgene. Kok, Kampen, 1987, p. 237, 238.

3. Gen. 3.

4. Door vele christendenkers is hierop gewezen en is dit uitgewerkt; o.a. door aanhangers van de Wijsbegeerte der Wetsidee (ook wel Reformatorische Wijsbegeerte genoemd. Ik noem hier slechts E. Schuurman. Tussen technische overmacht en menselijke onmacht. Kok, Kampen, 1985. Schuurman staat overigens kritischer t.o.v. moderne wetenschap en techniek dan in kringen van de reformatorische wijsbegeerte gebruikelijk is geweest. Op een geheel eigen en zeer diepzinnige wijze is hierover geschreven door F. de Graaff, i.h.b. in zijn Anno Domini 1 000, Anno Domini 2000. Kok, Kampen.

5. H. Staudinger, W. Behler. Chance und Risico der Gegenwart. F.Schöningh, Paderborn, 1976 p. 11–19.

6. C.H. Malik. A christian critique of the university. IVP, Downers Grove, p. 84–87.

7. Zie noot 5, p. 86.

8. H. Bürki. The gospel and human culture. In: Papers for the IFES General Committee 1975. IFES, Londen 1975.

9. De mate waarin dat het geval is hangt af van de mate waarin we zijn opgegroeid (en leven) in een beschermd kerkelijk milieu, en de mate waarin het wereldse denken en levensgevoel in feite al in dat kerkelijke milieu zijn binnengedrongen. Dit laatste is waarschijnlijk meer het geval dan we ons gemeenlijk bewust zijn. Overigens ben ik ervan overtuigd dat kerkelijke tradities een belangrijke bewarende kracht betekenen, maar ze impliceren tegelijkertijd een isolatie van de wereld om ons heen en daarmee in de praktijk een beperking van de mogelijkheden tot verkondiging en beïnvloeding van de samenleving. De mate waarin de Heilige Geest in ons werkt, bepaalt in hoeverre onze kerkelijke tradities vruchtbaar gemaakt kunnen worden voor kerk en Koninkrijk.

10. R.S.Wallace. The Lord is King. The message of Daniël. IVP, Downers Grove 1979, i.h.b. p. 30–70.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.