+ Meer informatie

Gezinsvakantie in Oostenrijk

De moeite van de reis meer dan waard

9 minuten leestijd

Een gezinsvakantie in Oostenrijk.Kan dat wel? Is dat niet veel te ver en is het niet te gevaarlijk voorkleine kinderen in de bergen? Hebben ze er wel wat te zien en tespelen? We gingen op weg met veel vragen, maar de antwoordenvielen positief uit. Met vijf kinderen naar Tirol: loslopende koeien,sneeuwballen gooien, bergbeklimmen en zwemmen met hindernissen.

Jarenlang bracht ik tot volle tevredenheid mijn vakantie door in eigen land of in het Sauerland. Maximale reistijd drie tot vier uur. Ik keek wat meewarig naar al die gezinnen die zichzelf en de bagage in de auto propten en aan een rit van zo'n duizend kilometer begonnen, richting Zwitserland of Oostenrijk. Niets voor mij. Maar de kinderen werden groter en de oudsten raakten wat uitgekeken op de bergtoppen van hooguit achthonderd meter. Het werd nu toch echt tijd dat we naar de Alpen gingen, vonden ze. Iedereen doet het! Na rijp beraad viel het besluit de sprong naar Oostenrijk te wagen. De kinderen beloofden plechtig niet te mopperen tijdens de rit van een half etmaal.

's Nachts rijden
Het is zo ver. Op advies van ervaren Alpenjagers zullen we 's nachts rijden. Ik heb een ruime planning van de rit gemaakt, rekening houdend met vertraging en de nodige uren rust tussendoor. De sleutelhouder van de vakantiewoning deel ik telefonisch mee dat we rond tien uur 's morgens hopen te arriveren. Om acht uur 's avonds heeft zo waar alles en iedereen een plaatsje in de auto en vangt de tocht aan. Rond middernacht is iedereen zo'n beetje in slaap gesukkeld, behalve de chauffeur gelukkig. Ik moet zeggen dat ik ook totaal geen last van slaap gehad heb. Bij het passeren van het Sauerland lees ik de vertrouwde plaatsnamen op de borden langs de Autobahn. En wij moeten nog vijflionderd kilometer! Maar tot mijn verbazing passeren we reeds zeer vroeg in de morgen de Oostenrijkse grens, waar een norse douaneman ons zonder enige controle doorlaat.
Wanneer zal ik mijn dure paspoort nu eens echt nodig hebben? Om halfzeven rijden we Imst binnen, het dorp in Tirol waar onze vakantiewoning moet staan. Kun je op dit tijdstip de sleutel afhalen? Hoe laat staan Oostenrijkers op? Vroeg dus. Aangekleed en wel verwelkomt onze gastvrouw ons, totaal niet verbaasd over het vroege uur. Ze rijdt ons onmiddellijk voor naar onze woning. Die blijkt op een fantastisch plekje te staan op een hoogte van zo'n 1200 meter. De rust is er tastbaar en het uitzicht overweldigend. Iedereen is vrijwel op slag de ongeneugten van de elf uur durende rit vergeten.

Belgerinkel
Alleen de chauffeur slaapt nog een paar uur, de rest van het gezin laadt de auto uit en verkent de omgeving. Ik word gewekt door het getinkel van koeiebellen. Er staat gelukkig een stevig hek om de tuin, anders zou een nieuwsgierige kop door het slaapkamerraam zeker tot de mogelijkheden behoord hebben. Die beesten lopen daar vrij rond, en niet alleen in bos en veld. Ook op doorgaande wegen zouden we ze nog regelmatig tegenkomen. Als ik de eerste verkennende blikken rond laat gaan, moet ik toegeven dat ik dit in het Sauerland nooit gezien heb: imposante bergtoppen, waar je ook kijkt. En ligt daar in de verte inderdaad sneeuw? Bij ons wijst de thermometer 25 graden.

Hoogtepunten
We hebben veel gedaan en veel gezien in die twee weken. Ik kan lang niet alles beschrijven en laten zien. Daarom alleen maar wat hoogtepunten, soms zowel in figuurlijke als letterlijke zin.
De Rosengartenschlucht is het visitekaartje van Imst. Je volgt de beek die door het dorp loopt stroomopwaarts en al binnen enkele minuten loop je door de eerste kloof. Prachtig, zoals de beek zich door, langs en over de rotsen een weg zoekt. Het fototoestel maakt overuren. Totdat een wandelende tegenligger me toevoegt: „Da oben ist es noch viel schoner." En hij heeft gelijk! Na een heerlijke klim- en klautertocht, waar de jongste van vier nog net mee mee kan, bereiken we prachtige uitzichtpunten. Aan het begin van de Hahntenjochstrasse staat een fors waarschuwingsbord met de mededehng dat de weg alleen geschikt is voor geoefende bergrijders. Deze weg loopt door een woest stuk bergland tot een hoogte van zo'n 1800 meter. De vangrail (als die al aanwezig is) bestaat slechts uit halve boomstammetjes op houten paaltjes. Wie rustig rijdt en niet benauwd is om een gapende afgrond in te kijken kan het gemakkelijk wagen. De beloning bestaat uit prachtige vergezichten op een zeer ruig landschap, voor het merendeel gevormd door kale rotswanden. Na een scherpe bocht ontwaren we langs de weg tot groot enthousiasme van de kinderen een heuse plak sneeuw. Weliswaar niet veel groter dan een paar vierkante meter en meer grijs dan wit, maar toch! Wat is er mooier dan sneeuwballen gooien in je zomervakantie?

Nog veel meer sneeuw
Nu we eenmaal de sneeuw geproefd hebben, willen we meer. Volgens de kaart moet er in Solden -aan het eind van het Oetztal- een zomerskigebied zijn. Zou daar echt zo veel sneeuw liggen? En hoe kom je daar? Dat blijkt heel eenvoudig: gewoon met de auto. Er loopt een prima weg naar het gebied, de Óetztaler gletscherstrasse. Aan het begin staat echter wel een tolhuis. En de slagboom gaat niet open voor je voor een volle auto 240 Oostenrijke schilling hebt neergeteld, zo'n veertig gulden. De weg is een aaneenschakeling van haarspeldbochten, maar hij is gelukkig breed genoeg. Hij voert ons tot een hoogte van ruim 2800 meter, exact de sneeuwgrens. Op dat punt ligt het dalstation van de skilift, die skiërs nog zo'n 500 meter hoger brengt. Voorbij de grote parkeerplaats blijkt een smal weggetje nog verder te stijgen. Na enige aarzeling nemen we ook die uitdaging op ons. Al snel rijzen er muren van sneeuw naast de auto op. Keren is niet mogelijk.

De weg voert naar een kleine parkeerplaats te midden van hoge bergen sneeuw,-door een shovel bijeengeschoven. Het is een paar graden boven nul. Is het echt zomer? Onze dunne zomerkleding en het in deze omgeving volstrekt ongeschikte schoeisel bewijst het. Als we weer naar beneden rijden stijgt de autothermometer gestaag, tot hij in het dal 25 graden aanwijst.

Pitztal
Folders van de Verkehrsverein leren ons dat je vanuit het Pitztal nog veel hoger kunt kom.en. Ook dat moet geprobeerd worden. Het dalstation van de Pitztaler gletscherbahn ligt aan het eind van het dal op 1740 meter hoogte. Een gloednieuwe metro-achtige tandradbaan, de Pitzexpress, brengt ons via een tunnel dwars door de berg heen op een hoogte van 2840 meter. Veel sneeuw ligt er niet. Met de Pitzpanoramabahn stijgen we vervolgens door naar 3440 meter. De naam van deze moderne kabelbaan met vier gekoppelde gondels is terecht. Het uitzicht is magnifiek. Als we boven uitstappen betreden we een bijna maagdelijk wit plateau waar je tot ver over je knieën in de sneeuw zakt. Zo ver het oog reikt witte bergtoppen. De Wildspitze -met zijn 3774 meter de op een na hoogste van Oostenrijk- is er één van. Maar in de verte zijn nog veel hogere toppen te zien. Dat moet Zwitserland zijn. Een bezoek aan de Hinterer Brunnenkogel, zoals de berg heet, is een unieke ervaring, maar er moet helaas ook een unieke prijs voor betaald worden. Een retourtje komt op veertig gulden per volwassene; kinderen van 10-15 jaar betalen ca. ƒ 23,— en kinderen tot 10 jaar mogen gratis mee.

Zwemmen
We hebben nu wel sneeuw genoeg gezien en besluiten ons op wat meer zomerse genoegens te richten. Zoals zwemmen. Dat is in Oostenrijk ietwat minder simpel dan hier. Althans in de open lucht. Een zwemmerssymbool op de kaart verklaart de Piburger See geschikt voor natte recreatie. We komen per auto redelijk dicht in de buurt van dit bergmeer, maar de parkeerplaats ligt toch nog op enkele minuten loopafstand. Geen nood, de groten nemen de stoelen op de rug, de kleintjes wat tassen met proviand. Dat stukje lopen we wel even. Het meer is inderdaad na een paar minuten bereikt. Je mag er alleen niet zwemmen... Dat kan alleen vanaf het houten plankier dat speciaal is aangelegd. Dat ligt precies op de tegenoverliggende oever. Dus sjouwen we met onze ballast het halve meer rond. Om bij aankomst te horen dat de toegang tot het houten strand vijf gulden per persoon bedraagt. Wat zijn we in Nederland dan verwend! Als we eenmaal in het water liggen is al het leed snel vergeten. De watertemperatuur is heerlijk en het uitzicht op de omringende bergen maakt het zwemmen hier tot een belevenis. De Blindsee, bij de Fernpass, is gemakkelijker te bereiken. Daar geldt slechts een toegangstarief voor de auto tot de parkeerplaats vlakbij het meer. Het groen aandoende water is kristalhelder, zodat je grote scholen stekelbaarsjes op de voet kunt volgen. Maar vangen lukt absoluut niet, merken de jongens die met bekertjes in de weer gaan.

Koeieplakken
Op een zeer warme dag besluiten we een beekje op te zoeken. Pa en ma heerlijk aan de oever en de kinderen pootjebadend en dammen bouwend in het koele nat, is het ideaal dat we voor ogen hebben. Op de kaart zoeken we een geschikte beek uit, die snel gevonden is. Maar dan.... We stoppen zeker zes keer op een ogenschijnlijk geschikte plek. Telkens blijken er wel een of meer nadelen aan de pleisterplaats verbonden te zijn: de beek stroomt veel te snel of juist helemaal niet, de oever is te blubberig, er is te veel schaduw, er groeit geen gras, er hangen wolken muggen of er springen padden. Uiteindelijk denken we achter wat struikgewas een geschikte plek te zien. Het beekje voldoet aan alle voorwaarden, maar de oever blijkt regelmatig bezocht te worden door rundvee. Het zoeken moe strijken we toch maar neer tussen hun geurende visitekaartjes... De meegebrachte lunch smaakt me niet echt.

Wandelen
De beste vakantiebesteding in Oostenrijk is wandelen. Een rugzak en een gedetailleerde kaart mee en de bergen in. Op veel plaatsen zijn wandelroutes uitgezet, met verschillende moeilijkheidsgraad. Met kinderen vanaf ongeveer vier jaar is een gemakkelijke route (meestal door een dal) al goed te volgen. Overal vind je zogenaamde Hutten, heel eenvoudige cafés, waar je uit kunt rusten en wat te drinken en/ofte eten nemen. Met de oudste twee jongens maak ik een echte, urenlange bergtocht, tot boven de 2000 meter. Langs smalle paadjes of wat daar voor door moet gaan, over kleine sneeuwvlakten (op schaduwrijke plekken blijft de sneeuw heel lang liggen) en tussen rotsblokken door. Zo nu en dan wadend door een beekje, waar je je dorst overigens ook prima kunt lessen. Een onvergetelijke ervaring. Naarmate de dag vordert, tonen de bergen steeds een ander "gezicht", 's Morgens in nevel gehuld, 's middags grijs-groen en 's avonds rood oplichtend in de stralen van de ondergaande zon. Een avondwandeling in de schemer is iets om stil van te worden. Als het vrijwel donker is blijven de bergtoppen nog "nagloeien". Vuurvliegjes en andere lichtgevende beestjes begeleiden je. In de verte loeit een koe. Het beekje ruist. Verder is het doodstil. Op een berg aan de overkant bewegen twee lichten zich kronkelend naar beneden; een auto neemt de haarspeldbochten. Als mens voel je je slechts een nietig stipje in dit majestueuze brok schepping.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.