+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Gideon 10 (Richt. 6 :13 v.v.)

We hebben in de vakantie een paar uitstapjes gemaakt, in verband met het onderwerp dat ons bezig houdt. Ik hoop van niet ten onnutte. Het was naar aanleiding van het woord „geschiedenis”. Een woord dat wel niet letterlijk in vers 13 staat, maar zakelijk er toch wel in voorkomt. Inmiddels is de vakantie voor de meeste van onze lezers al weer „geschiedenis” geworden, d.w.z. „verleden tijd”. Ik hoop dat mijn jonge vrienden, en ook de ouderen, een goede vakantie gehad hebben. Een „goede vakantie”, wat is dat eigenlijk? De antwoorden hierop zullen wel zeer verschillend zijn. De één verstaat er onder dat hij zijn gewone arbeid een ogenblik heeft laten rusten, om wat op verhaal te komen en met nieuwe moed te kunnen gaan beginnen. De ander maakt van de gelegenheid gebruik om verre reizen te ondernemen. Ik weet niet waar een mens al niet terecht komen kan, met de moderne middelen van vervoer. In een paar uur ben je, bij wijze van spreken, aan het andere eind van de wereld beland. Een ieder brengt zo zijn vakantie door op zijn eigen manier. Wij willen daar zonder meer geen kwaad van zeggen. Het is inderdaad nodig, in deze jachtende tijd, dat we eens een ogenblik afstand nemen van die dingen die hoofd en hart zo vervullen kunnen en die uiteindelijk toch ook allemaal maar van tijdelijke aard zijn.

Een goede vakantie hebben we echter alleen maar, wanneer we de Heere hebben mogen ontmoeten. In de vakantie kun je allerhande mensen ontmoeten. En dat is wel aardig, als je op een vreemde plaats zo maar ineens, ongedacht en onverwacht, mensen moogt ontmoeten, waarmede een zeker kontakt tot stand komt. Maar een ontmoeting met de Heere gaat toch uiteindelijk alles te boven. En hebben jullie dat nu ook mogen beleven? Toch wel een vraag, aan het einde van de vakantie, de moeite waard om er over na te denken. Want we kunnen vaak zo ver bij de Heere vandaan leven. Een mens van nature doet niet anders. Hij kent de Heere niet en mist de Heere ook niet, ook al is hij Godsdienstig. Doch een mens, die de Heere heeft mogen leren kennen in z’n leven, die komt er achter dat het kwaad is om bij de Heere vandaan te gaan. En dat gebeurt zomenigmaal. Tot schade van de ziel. De Heere moet dan zelf weer de eerste zijn, om het kontakt te herstellen. Gelukkig dat Hij dat bij de Zijnen ook steeds weer doet. En als dat gebeurt, wordt het in verwondering beleefd. Als je dat in je vakantie overkomen is, dan kun je met een dankbaar hart op het verleden terug zien. Hoewel, een dankbaar hart moeten we ook steeds weer van de Heere krijgen, daar Gods kinderen, in hun soort, zeer vergeetachtige schepselen zijn. Na de vakanties en „uitstapjes” keren we nu maar weer terug naar ons gewone onderwerp. Gideon, die er blijk van gegeven had, de geschiedenis te kennen, is daar zonder meer niet klaar mee. Integendeel. Verschillende vragen komen voor zijn aandacht. Want hij konstateert: Doch nu heeft de HEERE ons verlaten en heeft ons in der Midianieten hand gegeven. Gideon is in zijn klacht solidair met zijn volk. Hij zegt niet: Doch nu heeft de Heere het volk verlaten .... Hij zegt ook niet: Doch nu heeft de Heere mij verlaten .... Maar hij zegt: Doch nu heeft de HEERE ons verlaten. Hij stelt zich, door het zó te zeggen, niet boven of buiten het volk. Neen, hij staat er midden in. Hij hoort er ook bij. Al heeft hij in beginsel de Heere gevreesd, de oordelen gingen niet langs hem heen. Gods slaande hand kwam ook op hem neer. Doch al werd het ganse volk, met Gideon inbegrepen, er door getroffen, niet een ieder heeft het, hoofd voor hoofd, zo aangevoeld. Het grootste deel van het volk had de Heere verlaten, en kende er geen smart over, dat de Heere nu ook dat volk verlaten had.

Doch Gideon kende er smart over. Kijk vrienden, weten wij daar nu ook iets van? Kennen wij er ook smart over als de Heere Zijn aangezicht verbergt. Gideon las dat af uit de tegenslagen, waarmede zijn volk bezocht werd. Zo wordt het nog afgelezen uit de tegenslagen, dat God niet meer met ons is. Ik denk ten deze aan mijn jonge vrienden, die misschien op een ziekbed liggen, wier toekomst uitzichtloos is, die allerhande teleurstellingen moeten boeken. Er kunnen zoveel zaken zijn, die het leven benauwen. Dingen waar je met een ander ook niet over praten kunt, om de doodeenvoudige reden dat men je toch niet begrijpt. En als je dan alleen, in het verborgen bent, (Gideon was ook alleen bij de wijnpersbak), wat kan dan alles op je afkomen. Je gevoelt je dan van allen verlaten, ja ook van God. Gelukkig als je je klacht aan niemand kwijt kunt, dat je het de Heere nog vertellen kunt. Dat mocht Gideon ook doen. Hij stortte zijn klacht uit voor het aangezicht des Heeren, al kende hij op dat moment de Heere nog niet, zoals Deze voor hem stond. Misschien zijn er onder jullie wel, die hier wat aan hebben mogen. Er zijn meer mensen, die tot een onbekende God hun klachten uiten. Wat we hiermede bedoelen? Dit: Het kan wezen, dat als iemand de vraag gesteld wordt, of hij de Heere kent, dat hij dan het antwoord schuldig moet blijven en dat hij toch met al z’n noden en zorgen geen ander adres weet dan de Heere. Men kan nergens beter naar toe dan naar de Heere alleen. Die kent onze noden door en door. Veel beter, als dat ooit enig mens ze kennen kan. En Hij kan ze oplossen ook. Daarom, ga maar veel met uw noden, welke die dan ook mogen zijn, naar de Heere heen. Hij kan helpen in alle omstandigheden van het leven. Geen ding is bij God onmogelijk.

Dat heeft Gideon ook mogen ervaren en dat mag een ieder ervaren, die oprecht is voor het aangezicht van God.

Toen Gideon zijn klacht de Heere had voorgelegd, keerde zich de Heere tot hem en zeide: Ga heen in deze uw kracht, en gij zult Israël uit der Midianieten hand verlossen: heb Ik u niet gezonden? vs. 14.

Dat 14e vers moeten jullie maar weer eens goed bekijken. De Heere keerde Zich tot hem ... Dat wil zeggen: De Heere ging als het ware recht voor Gideon staan, en keek hem aan. Dat is een wonderlijke blik geweest, waarmede de Heere Gideon heeft aangezien. Een blik, die Gideon opmerkzaam maken moest, net als een vader het doet bij zijn kinderen, die ook wel eens denken, dat het niet goed gaat en dat vader het verkeerd doet. Gideon klaagde er over: Doch nu heeft de Heere ons verlaten en heeft ons in der Midianieten hand gegeven. Doch de werkelijkheid was anders. Het ligt er maar aan hoe men het ziet. Want als de Heere werkelijk dat volk, met Gideon inbegrepen, verlaten had, dan zou Hij er nooit meer naar hebben omgezien. Doch nu was Zijn slaande hand er juist een bewijs van, dat Hij dat volk niet verlaten had. Maar om dit aan de weet te komen, moet je daar echt wel bij gebracht worden. Daarom keerde de Heere Zich om en zag Gideon aan. Kennen jullie ook dat Zich omkeren van de Heere, dat Hij in al je tegenspoeden, als ’t ware recht voor je is komen te staan, om je te doen verstaan, dat juist de tegenslagen er een bewijs van zijn, dat Hij Zich nog met je bemoeien wil. Wat is dat een wonder, als het zo gezien mag worden. Dan kun je te midden van alle druk en ellende, wel gaan zingen van de goedertierenheden des Heeren. Dan wordt er iets van verstaan: de Heere heeft ons niet verlaten, maar wij hebben de Heere verlaten. Dan is van alle ellende niet de Heere de oorzaak, maar dan worden we daar zelf de oorzaak van. En is het dan geen wonder, als wij er de oorzaak van zijn, dat de Heere ons zou verlaten, dat Hij ons dan toch nog opzoekt? Dan maakt Hij waar, dat Hij in dit moeilijk leven, Zijn gunst en erfvolk nooit zal begeven.

Het is groot als men daar kennis aan hebben mag en er al meer kennis van krijgen mag. Want in dit stuk komen we ook nooit uitgestudeerd.

Nu nog even wat anders. Als jullie deze krant: „Bewaar het Pand”, ontvangen, dan is de zesde ontmoetingsdag al zeer nabij. De datum staat jullie natuurlijk in het hoofd gegrift: Zaterdag 25 augustus, naar Doornspijk. Ik heb al gehoord, dat als de N.H. Kerk eventueel te klein zou zijn, we dan ook nog gebruik mogen maken van de Gereformeerde Kerk. Wat een service !! Ik zou zeggen: Laten we hopen dat het nodig is en dat uit de opkomst mag blijken, dat er te midden van deze tijden van diep verval, toch ook nog een aantal is, met veel jonge mensen inbegrepen, die „het Pand” willen bewaren, die bij de zuivere leer willen blijven en dan niet alleen voorwerpelijk, maar ook onderwerpelijk. Dat wil zeggen, de zuivere voorwerpelijke waarheid, toegepast op het hart van de mens. Als dat gebeurt kun je van beleving, of zo ge wilt „bevinding” spreken, tenminste, als de toepassing vergezeld gaat van de kracht des Heiligen Geestes. Want als mensen het moeten doen, dan blijft het alles nog aan de buitenkant. Laten we hopen op een dag, in de gunst des Heeren, dan is het altijd goed. En daarom D.V. tot ziens in Doornspijk!

Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.