+ Meer informatie

Korte notities

6 minuten leestijd

Hoe vaak gebeurt het niet dat we als ambtsdragers aan het eind van een bezoek beloven spoedig terug te komen. We menen het op dat moment echt, neem ik aan.

Waarom doen we de belofe? Zit de nood van het bezochte gemeentelid ons zo hoog? Voelen we dat er behoefte is aan meer contact? Zjen we dal we ;e wemig gedaan hebben in het — misschien recente — verleden, en willen we dat met zo’n belofte goed maken? Of willen we graag de man zijn, die met royale hand beloften van een spoedig te brengen bezoek rondstrooit, zonder zich, bewust te zijn, of en op welke wijze hij die belofte vervullen kan?

Het heeft me eens getroffen, dat Paulus bijna aan het eind van zijn tweede zendingsreis het verzoek kreeg om in Efeze te blijven. Hij had er echter op dat moment geen tijd voor, maar beloofde: „zo God wil kom ik bij u terug”. Handelingen 18 : 21.

Het blijkt dat hij op zijn derde zendingsreis naar Efeze gaat en daar dan zelfs meer dan twee jaar blijft, Handelingen 19 : 1-12. Of Paulus zijn beloften hield! Een van de ergste zonden van ambtsdragers is missschien wel die van onvervulde beloften! Het is veel beter dat men zichzelf in stilte belooft op dit adres spoedig terug te komen, èn het te doen; dan dat men het openlijk belooft èn het niet doet! Daar is wat zelftucht voor nodig, kritische correctie van onszelf; wellicht hebben we daar ook voor nodig wat ijdelheid, het gevierd willen zijn als de populaire ambtsdrager te verliezen.

IVlaar de gemeente zal er wèl bij varen. Als u op het punt staat een belofte te geven, doe het aan uzelf en kom hem na. Dan ziet de ander het en ervaart het ook nog als een verrassing, omdat het bezoek niet beloofd was.

En áls u om welke reden toch een belofte doet, schijf het op, zoals u van belangrijke verjaardagen een lijstje bijhoudt. Want het niet vervullen van gedane beloften verbreekt het vertrouwen. Dat dit misschien ook nog iets voor penningmeesters betekenen kan, die beloofden geld over te maken en het maar niet doen, zal ik niet uitwerken. Ze kunnen het zelf overwegen!

De pastorie in opspraak.

Neen, schrikt u niet. Er is niets aan de hand met uw dominee of zijn vrou.v” U zoudt het eens kunnen denken, als u zo’n opschrift leest.

Het gaat om een zinnetje dat ik in een der dagbladen las (Trouw van 20 mei 1967): In het predikantsgezin bestaat nog altijd de situatie van vóór de industria-lisatie van de vorige eeuw: de domineesvrouw past onbewust haar functie aan aan die van haar man, zoals vroeger man en vrouw samen werkten in hun eigen bedrijfje; iets dat in het moderne maatschappelijke leven al lang niet meer het geval is. Het beeld van de predikantsvrouw is nog altijd dat van ver vóór de emancipatie.

Geen goedkope beloften.

Het is verleidelijk uit dit tot tegenspraak prikkelende artikel nog meer aan te halen. Eigenlijk zou ik alles wel kunnen overschrijven, want wat hier zwart op wit staat is de samenvatting van een boek dat verschijnen zal. Ik noem nu alleen nog de drie mogelijkheden waaruit een predikantsvrouw kiezen kan en kiezen moet: gewoon huisvrouw-zijn, een baan handhaven of het oude patroon volgen, waarmee ondermeer bedoeld wordt: broekjes breien, met soeppannetjes rondlopen, de vrouwenvereniging of zondagsschool leiden en een bazaar organiseren. Welke mogelijkheid de predikantsvrouw kiest, moet de gemeente waar ze met haar man-werken, schreef ik bijna, maar dat hangt er nog maar van af! — komt, bij voorbaat weten. Het is wel verleidelijk als de vrouwenvereniging juist voor de komst van de nieuwe bewoners nog even voor enkele duizenden guldens de keuken laat opknappen. Maar de pastoriebewoners moeten voor zo’n chantage-middel niet wijken. Ze moeten hun eigen keus doen.

Dit stukje zit vol misverstanden en misvattingen. Is werken vanuit een pastorie zoiets als samen een zaakje drijven, gelijk dat in de vorige eeuw bij velen het geval was? Het feit dat dit geval als vergelijking gebruikt kan worden, zegt al heel veel.

Ie vraagt je onwillekeurig af: waar is het roepingsbesef?

Wat moet de pastorie zijn in de gemeente? Op die vraag kunt u geen antwoord geven, als u niet weet wat de gemeente is! Zij is het lichaam van Christus, zij is een gemeenschap, zij vormt een groot gezin. Welnu, de pastorie heeft niet anders dan een stimulans voor die gemeenschapsbeleving te zijn, en zelf het voorbeeld er van te zijn. Kristallisatiepunt èn voorbeeld. Ik las ergens de opmerking dat een pastorie geen hotel behoeft te zijn, waar iedereen maar op de tijd dat het hem of haar belieft kan binnenvallen en met koffie gelaafd wordt. Hartelijk mee eens! Een gemeente die zo de pastorie en haar bewoners misbruikt, moest van wie dan ook maar eens een hartig woordje horen.

Maar de pastorie moet het voorbeeld geven voor de beleving van de gemeenschap. Iedereen moet er terecht kunnen, als hij steun nodig heeft; iedereen moet er even welkom zijn. De ene zuster die geen hulp kan bieden, moet even hartelijk welkom zijn als de andere die wel eens een handO’e) kan uitsteken. En de broeder die de pastoriebewoners misschien wel eens met iets verrast, moet niet daarom een meer en liever geziene gast zijn dan de ander die dat niet kan en wil.

Wat de gemeenteleden voor elkaar moeten zijn, dat moet in de pastorie als een voorbeeld te zien zijn.

En dan hebben pastorie-bewoners ook verscheidenheid van gaven. Dat zullen gemeenten, die verschillende predikantsgezinnen meegemaakt hebben, ook weten. Dat is gelukkig. Maar het is dezelfde Geest die bekwaamt, en het is dezelfde Here, die tot deze taak roept!

In het artikel ging het om hervormde pastorieën. Ik ken de situatie daar niet zo, maar heb wel het idee, dat onze pastorieën bepaald beter bij de tijd zijn, als de hier genoemde feiten nog steeds voor hervormde pastorieën typerend zijn. Ik geloof niet dat er in onze pastorieën zulke dingen nog voorkomen. Dat hoeft in deze tijd ook niet meer. Natuurlijk een helpende hand in een noodsituatie is op zijn plaats. Voorzover daartoe vanuit de pastorie de mogelijkheid bestaat, is het goed dat het voorbeeld gegeven wordt.

Of zou dit allemaal maar in het bewuste artikel gezegd en geschreven worden, omdat men eigenlijk geen raad weet met het pastorieleven? En zou dat weer niet voortkomen uit het feit dat men eigenlijk met weet wal de gemeerte is? Dan moet u de titel ook veranderen: niet de pastorie, maar de gemeente in opspraak!

Tenslotte: is het zo vreselijk dat een dominee samen met zijn vrouw het werk doet? Komt dat in deze tijd nog niet veel voor? Ik denk aan wat een vrouw van een dokter of de vrouw van een maatschappelijk werker allemaal wel niet op te vangen heeft! Zx)u het ook kunnen dat het huwelijk van die twee dieper, rijker en voller wordt doordat ze het samen doen? En zou dat alleen maar voor het huwelijk van pastoriebewoners gelden? „De gezegende ziel zal vet gemaakt worden!” Gelukkig dat er pastoriebewoners zijn in onze kerken, die tegen elkaar zeggen: wat fijn dat we dit werk samen mogen doen! Ik prijs hen ook gelukkig!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.