+ Meer informatie

Voor de jeugd

6 minuten leestijd

Beste jongelui,

Het is nu maandag morgen. De zondag, de dag des Heeren, is weer voorbij. Ik schrijf met nadruk de „dag des Heeren”. Want de zondag is geen dag van mij en van jullie, maar van de Heere. Hij wil dan ook, dat we die dag in Zijn dienst zullen besteden. Dat houdt onder andere ook dit in, dat we op die dag „naarstig” naar Gods huis gaan. D.w.z. twee keer gaan, als dit mogelijk is. Doch het ziet niet alleen op het aantal keren dat we naar de kerk moeten gaan, maar ook op de gezindheid waarmee we moeten gaan. Het is niet zo, dat als ik maar aan het getal voldoe, dat het dan wel in orde is. Want dat kan nog op zo heel veel verschillende manieren gebeuren. We kunnen opgaan omdat we moeten. Vader en moeder willen dat nu eenmaal en daar is toch niets tegen in te brengen. Nu, dan ga je maar, wat moet je anders? Als de gezindheid zo is, dan deugt daar natuurlijk niets van. Als het goed is, moet men uit behoefte gaan. Daar is men niet te jong voor. Ook als men jong is, kan die behoefte er zijn om in Gods huis te verkeren. Nu, je kunt nergens beter zijn.

Ik reken er dan ook op, dat jullie ten deze gedaan hebben wat van je verwacht mag worden. De stroom van hen, die God en Zijn dienst de rug toekeren, wordt gaande breder. De protesten van vele voorgangers worden helaas, gaande zwakker. De diensten worden gaande korter.

Wanneer je in Gods huis komt, dan kun je daar van alles beleven. Ik denk ten deze aan een brief van een vriend uit E. Deze was het opgevallen, dat de gemeente door de dominees verschillend wordt aangesproken. Veel dominees, en vooral de jongeren, spreken de gemeente aan als: Geliefden in onze Heere Jezus Christus. Of: Gemeente van onze Heere Jezus Christus. Of: Gemeente des Heeren. Oudere predikanten doen dat niet, die zeggen net als bij de Gereformeerde Bond en bij de Gereformeerde Gemeenten: Geliefde gemeente. Of: Geliefde luisteraars. Of: Broeders en zusters. Of: Mijne hoorders.

Het eerste komt onze vriend wat voorwerpelijk voor. Hij houdt het maar liefst bij het laatste. Hij wilde echter wel weten hoe ik daarover denk.

Dat is met een enkel woord niet zo gauw te zeggen. De aanspraken, die onze vriend heeft aangehaald, zijn nogal verschillend. Ze zijn met nog meerdere te vermenigvuldigen. De ouderen weten wel dat er vroeger soms een heel verhaal van gemaakt werd. Men sprak dan de gemeente aan als: Geliefden in onze Heere Jezus Christus en al degenen, die met ons zijn samengekomen om Gods Woord te horen en Zijn heilig aangezicht te zoeken.... Zo zal het nu, denk ik, niet veel meer voorkomen, hoewel de aanspraak wel „onderscheidend” is. Ik bedoel: er komt wel in uit, dat men er van meet af aan rekening mee hield, dat er twee soorten mensen in de kerk zitten, namelijk bekeerden en onbekeerden.

Dat de aanspraken verkort zijn, is op zichzelf niet verkeerd. Als men de gemeente aanspreekt als: Geliefden in onze Heere Jezus Christus e.d., dat is op zichzelf ook niet verkeerd. Want als je de brieven van Paulus leest, dan doet hij dat ook zo. En als Paulus het zo deed, een man „vol des Heiligen Geestes” dan zal niemand hem daarom „voorwerpelijk” durven te noemen.

Als Paulus nu de gemeente aanspreekt als, „Geliefden Gods en geroepen heiligen” (Rom. 1: 7); „Gemeente Gods, die te Korinthe is, geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen met allen, die de Naam van onze Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaats, beide hun en onze Heere” (1 Kor. 1: 2); zie verder alle opschriften van zijn brieven, hoe ziet hij dan de gemeenten? Ziet hij dan die gemeenten met al haar leden, hoofd voor hoofd, als zodanig?

Ik geloof het niet. Want uit de brieven zelf blijkt, dat er in die gemeenten leden waren, die uit het midden der gemeenten moesten worden weggedaan vanwege hun onchristelijke levenswandel.

Waarom spreekt hij dan toch die gemeenten als zodanig aan? Niet omdat hij de leden daarvan hoofd voor hoofd zo ziet, maar omdat zij krachtens hun belijdenis zo „behoren” te zijn. Als ze niet zo zijn, dan is het met die leden niet in orde. Dan moeten ze zich bekeren.

Op de noodzakelijkheid daarvan wordt in de brieven van Paulus terdege aangedrongen. Wanneer men daarom de gemeente vandaag nog zo aanspreekt, dan is daar objektief niets tegen in te brengen, als men dan ook in de prediking maar goed laat uitkomen dat niet alle mensen, die zo zijn aangesproken, nu ook metterdaad zo zijn. En daar wringt nu juist de schoen. Want die dominees, die de gemeente zo voluit aanspreken als: Gemeente van onze Heere Jezus Christus” zijn dikwijls (ik zeg niet altijd) dominees van de voorwerpe lijke richting. Niet dat „voorwerpelijk” verkeerd is, maar er ontbreekt wat aan, en dat is de onderwerpelijke toepassing. Men krijgt dan de idee na zo’n kerkdienst: we horen er allemaal bij. En dat is het gevaarlijke. Dat zit dus niet in de aanspraak als zodanig, maar in de uitwerking van de preek.

„Andere” predikanten zijn daar zo benauwd van en spreken de gemeente daarom meer realistisch aan. D.w.z. zij willen in hun aanspraak tot uitdrukking brengen, dat men de gemeente niet ziet zonder meer als een vergadering van ware gelovigen, hoofd voor hoofd. En ik geloof dat dit juist is. Want in elke gemeente zit kaf onder het koren. Dat moet ook in de prediking goed tot uitdrukking komen. Niemand mag worden vastgezet op valse gronden. En dat gebeurt maar al te veel. Want het is bij velen zo: Als men gedoopt is, belijdenis gedaan heeft, trouw het Heilig Avondmaal viert en netjes leeft, dan is het voor tijd en eeuwigheid wel in orde, terwijl het gevaar aanwezig is, dat men het in werkelijkheid nog niet verder bracht dan de rijke jongeling. Anderzijds, de eerlijkheid gebiedt ons dit ook te zeggen, garandeert een aanspraak als: Geliefde toehoorders, e.d., nog geen preek waarin het onderscheid tussen dood en leven goed naar voren komt.

Niettemin ben ik blij dat onze vriend deze dingen heeft opgemerkt. Misschien zijn er wel meer jeugdigen, die dat is opgevallen. Aan het eind zou ik echter dit willen zeggen: Laten onze jonge mensen, een ieder voor zich, er naar staan om eerlijk zalig te worden. Dan laat men zich iets niet aanpraten door een mens, maar dan wil men het van God uit weten. „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie of er bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg”, Dan wil de Heere ook jonge mensen leren wat tot hun zaligheid van node is.

Dat is uiteindelijk niets anders dan het geloof in de Heere Jezus Christus. Daarover misschien een volgende keer iets meer in verband met een vraag van een meisje van veertien jaar.

Jullie vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.