+ Meer informatie

Dienst vanuit Christus

5 minuten leestijd

Deputaten voor algemene diaconale en maatschappelijke aangelegenheden hebben zich bezig gehouden met de bezinning op de dienst van de gemeente en haar leden onderling en op de dienst van de gemeente van Christus in de samenleving. In het centrum van heel deze bezinning stond het dienen van Christus naar de getuigenis der Schriften.

Met deze woorden leiden deputaten ADMA hun rapport Dienst vanuit Christus bij de lezer in. Zij proberen met hun werkstuk „instrukties aan te reiken” tot ontplooiïng van de gemeente, instructies, die niet alleen bedoeld zijn voor ambtsdragers maar ook om in de gemeente aan de orde te komen. Voor een ieder die iets met dit rapport wil doen is het te bestellen, tegen de prijs van twee gulden, bij het Kerkelijk Bureau der Christelijke Gereformeerde Kerken (giro 53 53 00).

Het eerste deel van het rapport biedt een funderende beschouwing over het dienen van Christus zelf, dat niet alleen als voorbeeld mag worden gezien, maar veeleer als de enige centrale kracht- en inspiratiebron van waaruit werkelijk kan worden gediend: dienen om-Christus-wil en in gehoorzaamheid op een terrein, dat onbeperkt is. Het dienstobject van de christen omvat vriend en vijand, naasten dichtbij en veraf en de enige beperking is volgens de schrijvers dat dit dienen slechts kan liggen „binnen de menselijke mogelijkheden en de werking van de krachten van de Geest in dèze bedeling”.

Wie zò zijn uitgangspunt kiest stelt nogal het een en ander aan de orde. Dat beseffen de opstellers ook. Zij spreken over het dienen van elkaar binnen de christelijke gemeente en het dienen in „de wereld”. En dan is er zo een wijd terrein opengelegd, dat men zich kennelijk bij het geven van verdere „instrukties” heeft moeten beperken.

Onze oosterburen beweren, dat men achter de juiste manier van beperken de meesterhand kan ontwaren. Te beoordelen of zulks ook hier het geval is geweest zij gaarne aan de lezers overgelaten. Ieder heeft tenslotte zo zijn eigen schaal van voorkeuren en prioriteiten.

Wel vallen een paar dingen op. Bijvoorbeeld, dat aan het dienen van elkaar binnen de gemeente acht van de vijf en twintig rapportpagina’s zijn besteed en vijf en een kwart aan het dienen in de „wereld” (waarbij dan nog weer een groot deel van de tekst is besteed aan het onderscheiden van het bijbelse begrip „wereld” in vier betekenissen).

Bij een dergelijke verdeling van de aandacht denk je toch even terug aan het artikel van Van der Stel in een vorig nummer van A.C., waarin wordt geconstateerd, dat onze kerken introvert (naar binnen gericht) zijn ingesteld.

De „wereld” in welke van de vier betekenissen dan ook, is immers veel groter en complexer dan de kleine christelijke gemeente. En die wereld speelt ook zo voortdurend en veel-zijdig door de christelijke gemeente heen.

Van dat laatste is te weinig te merken in het binnen-gemeentelijk deel. Ofschoon er in dat deel voortreffelijke wenken voor de echte „diakonia” worden gegeven. Wat zou het binnen-gemeentelijk leven er al totaal anders gaan uitzien wanneer de opdracht tot dienst aan elkaar zo serieus en in gehoorzaamheid aan het gebod van Christus zelf werd aangevat als in het rapport wordt aanbevolen. Maar: wat zouden we dan toch ook reeds daarbij veel raakvlakken met stukken „wereld” gaan ontdekken, waar het rapport geen indicaties van geeft.

Twee voorbeelden: Als richtsnoer voor het omgaan met elkaar wordt enkele malen uit Jacobus 4 en 5 geciteerd: elkaar niet haten, niet tegen elkaar „zuchten” e.d. Maar de brief van Jacobus zegt ook — en nog wel in dezelfde hoofdstukken — het een en ander over geloof en werken, woorden en daden, over rijkdom en haar gevaren, over werknemers en werkgevers. Ook die teksten zouden binnen de christelijke gemeente kunnen worden gepraktizeerd, wat dan onvermijdelijk gevolgen zou hebben voor het optreden van gemeenteleden naar de buiten-„wereld”.

En waar het over gastvrijheid gaat wordt wel gesproken over het opnemen van nieuwe gemeenteleden en het vriendelijk zijn voor buiten-kerkelijken, doch niet over de vele gasten en vreemdelingen die onze welvaartsmaatschappij heeft aangetrokken. Wat moet ik, met dit rapport in de hand, zeggen tegen die broeder, die onlangs, met betrekking tot buitenlandse werknemers, opmerkte: „Heeft de kerk niets mee te maken. Het zijn mohammedanen en ze stoten onze werklozen het brood uit de mond.”

Zo kom ik vanzelf bij het onderdeel „wereld”, dat wel spreekt over verkondiging, zending, hulp aan de verre naaste, evangelisatie — terecht overigens — maar niet of slechts verhuld over de wegen, die het gemeentelid in de vier „werelden” heeft te gaan om er niet alleen als een christen te kunnen leven, maar er ook als levend christen op te kunnen in-werken.

Het rapportdeel „wereld” vraagt nog nadere bezinning en als gevolg daarvan aanvulling. We hebben om als christen in deze wereld in gehoorzaamheid te kunnen leven behoefte aan informatie over die wereld en het zò-zijn van die wereld. We willen graag geholpen worden bij het zoeken van verantwoorde wegen en organisatievormen, die het ons mogelijk zullen maken om in de samenleving te opereren. Omdat veel werk aan en in de samenleving wordt verricht vanuit doelstellingen, die de onze niet zijn, behoeven we die samenleving nog niet te negeren.

Mogen we het er voorlopig op houden, dat „Dienst vanuit Christus” voornamelijk een AD-rapport is en dat een wat meer uitgewerkt MA-deel nog zal volgen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.